Ruim elf jaren zyn verloopen, sedert ik deze brochure tegen
Vryen-Arbeid--d.i. tegen het overleveren van den Javaan aan de hebzucht
van aventuriers uit alle windstreken--in het licht gaf.
Ook een tweede stuk van gelyke strekking is reeds drie jaren oud.
Van wederlegging myner beschouwingen is me niets gebleken.
Immers het is geen wederleggen, indien men--gelyk door 'n verslaggever
in de N. Rotterdamsche Courant geschied is--myn persoon tracht te
verguizen, en de door my aangewende gronden voorbygaat, of juister
gezegd, indien men zich aanstelt als-of men de gegeven wenken niet
begrepen heeft.
Ook kan ik den rang van wederlegging niet toekennen aan geschriften
die ten-duidelykste blyk geven dat de auteurs het verschil niet kennen
tusschen eigenlyk gezegde Koloniën, en officiëele Etablissementen,
Settlements, Factoryen, Vestigingen, of hoe men dan ons dominium in
Indië gelieft te betitelen. Eene Kolonie van Nederlanders is Insulinde
niet! Zy die dit uit het oog verliezen en toch over de zaak meespreken,
doen denken aan den dwaas die 'n schaakparty aanvangt, zonder den naam
der stukken te kennen, waaruit kan worden afgeleid dat hy niet zeer
vertrouwd is met den loop daarvan, en nog minder met de fynheden van
't spel.
Maar ons Publiek is nu eenmaal niet gewoon zulke dwazen het
zwygen opteleggen. Door 't lezen van allerlei ontuig heeft men
't lezen verleerd, en meent iets vernomen te hebben--en geleerd
misschien--wanneer 'n auteur redelyk weet omtegaan met de frazen
van den dag. "Menschenrecht, vrye-arbeid, verfoeielyk dwangstelsel,
liberalismus ...
Wel zeker! Dus moet de Javaan arbeiden ten-behoeve van zwendelaars,
bankroetiers, industrieele vrybuiters uit alle hoeken van de wereld.
De Weledele Heer Droogstoppel wil wel zoo!
En de bemanning der amerikaansche whalers ook! Wie zou z'n armzalig
leven willen doorbrengen op zee, met de kans op 'n weinig spermaceti,
wanneer daar in de nabyheid, door de menschlievende Nederlandsche Natie
'n half werelddeel wordt te harpoeneeren en te villen gegeven?
Zoowel in deze brochure als in de later geschrevene, meen ik te
hebben aangetoond dat de geheele zoogenaamde kwestie berust op 'n
woordspeling. En tevens dat de daaruit voortgevloeide dwaling voedsel
heeft gekregen door de behoefte van sommigen aan 'n leus. De meesten
van die heeren zyn uitmuntend geslaagd. Maar ze hebben de Natie zeer
veel gekost. Indien men den heer van Hoevell, oogenblikkelyk na z'n
verbanning uit Indië--waar hy zich ten-eenen-male onbevoegd opwierp
als voorganger--staatsraad met 'n behoorlyk inkomen had gemaakt,
zou er veel geld en leed bespaard gebleven zyn. De kans dat in dit
geval een ander de Natie was komen begoochelen met klank, ware gering
geweest. Bekwaamheden als van den heer van Hoevell zyn zeldzaam.
Ook had de ware economie voorgeschreven de bemoeienis van den
millionair Fransen van de Putte aftekoopen met 'n paar ton 's
jaars, voor-i zyn in Indië op den Javaan veroverd fortuin, in
de schaal kon leggen, waarop Javaansche belangen zouden gewogen
worden door Nederlandsche économie philantropique. Dit heeft
men verzuimd, en hiervan is thans de domme en misdadige--jazelfs
geldverslindende--oorlog met Atjin, een der middelyke gevolgen! Me
dunkt toch dat ieder met gewoon verstand begaafd persoon had kunnen
voorzien, hoe schadelyk het werken moest, de hoogste belangen van
den Staat toetevertrouwen aan een man zonder bekwaamheid, zonder
antecedenten die van studie getuigen, en zonder anderen waarborg voor
integriteit, dan de zeer negatieve van 't snel ryk-worden.
Nederland zal gestraft worden op de plek waar 't gezondigd heeft. Door
geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van
den Mammon geboet.
De inwendige gronden waarom iemand als Fransen van de Putte, in zyn
zonderlinge positie gedreven werd tot de misdaad der oorlogsverklaring
aan Atjin, zyn niet moeielyk optegeven. De man moest, om niet niemendal
te zyn, zich toetakelen met 'n air-Louvois. Ook Prud'homme wilde iets
wezen, en zou zeker dezen of genen oorlog hebben uitgedacht, als hy
'n land had kunnen vinden, krankzinnig en onzedelyk genoeg om hem aan
't hoofd der zaken te stellen. Maar de goeie Prud'homme heeft deze
chance niet gehad, omdat-i verzuimde zich by-tyde te laten geboren
worden in 't verrot Nederland, waar men ieder gebruiken kan die geld
heeft, onverschillig hoe 't gewonnen is.
Er begint te blyken dat deze Mammon-dienst de wysheid bedriegt, en dat
de aanbidding van 't gouden kalf 'n zeer dure eeredienst is. En nog
spreek ik niet van de ruim zeven millioen, waarop de oorlog met Atjin
ons thans reeds te-staan komt. Dit is een kleinigheid, vergeleken
by de finantiëele gevolgen van het kibbelen over Vryen-arbeid, en
de daaruit voortgevloeide noodlottige verslapping van ons gezag in
Indië. De tyd nadert, waarop wy met het grootst genoegen afstand
zouden doen van alle aanspraken op Atjin, en des-noods van geheel
Sumatra, indien we tot dien prys slechts Java mochten behouden. Ja,
al moesten wy 't behoud van die eene melkkoe betalen door 't opgeven
van àlle andere bezittingen in den archipel, dan nog ...
Maar dit kan niet. Het zoogenaamd Nederlandsch Indië gelykt 'n
glastraan die by de geringste breuk tot stof verbryzeld wordt. Ons
gezag in die gewesten--een kunstwerk!--is niet bestand tegen de minste
onhandige aanraking. Wie daarmee niet weet omtegaan--waartoe noodig
is: diepe kennis van speciale toestanden, wysgeerige algemeenheid
van blik, en ernstige wil om wèl te handelen--zal dat Gezag doen
uiteenspatten. Waarlyk, Nederlanders, gy vergist u in de meening dat
de eerste de beste die brutaal genoeg is, niets zynde, zich uittegeven
voor iets, bekwaam wezen zou aan het hoofd te staan van een zoo fyn
bewerktuigd organismus als ons bestuur in Indië! Wanneer dit zoo
gemakkelyk ware, zou ieder land, ieder duitsch vorstendommetje--ja
waarom niet elk particulier?--zich de weelde aanschaffen, ryke
overzeesche provinciën te bezitten. Noch het verkrygen, noch het behoud
van zulke zaken kan men gevoegelyk opdragen aan kwae-jongens, wier
eenige verdienste bestaat in plompe baldadigheid en 'n beetje zakgeld.
Het schermen met de leus: Vrye-Arbeid voor den Javaan, is
onoprecht. Zelfs van Hoevell en Fransen van de Putte, hoe onbekend
dan ook met inlandsche toestanden--tegenover my zullen die heeren dit
toch niet loochenen?--zelfs zy zyn evenzeer als ik overtuigd dat hun
zoogenaamd principe dien aangaande slechts voorgewend is.
Het bewys?
Waarom liet zich de uitstekend bekwame heer van Hoevell niet minister
maken, toen de clique waartoe hy behoorde, op 't kussen kwam, en genoeg
invloed bleek te hebben om hem te doen benoemen tot wèl-bezoldigd
lid in den Raad van State? Dan immers had hy met één pennestreek die
vervloekte dwang-cultuur kunnen afschaffen.
En waarom deed dit niet de Minister Fransen van de Putte?
Ze durfden niet!
Zoo goed als ik wisten zy dat de openstelling van 't Binnenland, het
sein zou wezen tot oogenblikkelyke vernietiging van 't Nederlandsche
gezag.
Ik beroep me te dezer zake op m'n tweede brochure, om nu alleen te
doen in 't oog vallen hoe weinig logische en moreele integriteit er
te wachten is van mannen die op zulke wyze het voorgewend algemeen
belang gebruiken als voetbank om opteklimmen tot het hunne.
Doch Nederland wilde dit zoo! Drie drukken van deze eerste brochure
over Vryen-arbeid zyn uitverkocht, en toch is de fortuinmaker van
de Putte, op dezen oogenblik voor den tweeden keer Minister van
Koloniën. Toch zit nog altyd de plichtvergeten Duymaer van Twist in
de Eerste Kamer meetespreken over Indische zaken! Toch meent men nog
altyd dat het er iets toe doet, of men in den Haag deze of gene wet
al dan niet bekrachtigt!
De hoofdzaak, de eenige ware hoofdzaak, Nederlanders, is dat er niet
geroofd en gemoord wordt. En dat ge niet eereposten opdraagt aan
hen die roof en moord in bescherming namen. Verandering der wetten
is van later zorg. De wetten waren zoo slecht niet. En al ware nu
zoo'n van de Putte in-staat béter wetten voortestellen--wat weet hy
daarvan?--ik vraag u wat dit baten zou, zoolang gy premiën blyft
betalen op 't verkrachten van de wet? De geheele toestand van ons
Indië op dit stuk wordt vry zuiver gekarakteriseerd door de volgende
passage uit 'n Kölnische Zeitung in het laatst van 't '70, die ik
ter overweging aanbeveel.
Neulich empfing der Kaiser von Russland eine Deputation der
Petersburger Kaufmannschaft. Bei dem dehnbaren Begriffe eines Kaufmanns
nach russischem Rechte war die Zusammensetzung der Deputation eine
sehr gemischte. Der Kaiser beruhigte die Deputation über ihre
Wünsche, welche die inneren Reformen betrafen; "schliesslich",
meinte der Kaiser, "werden viele eurer Wünsche erledigt in dem
neuen Bankerott-Reglement".--"Väterchen Czaar (Tsaa batjuschka),"
sagte einer der Deputirten, "wird das neue Bankerott-Reglement nun
ordentlich ausgeführt werden (badut li jewo ispolnatj)?"--Was willst
du damit sagen?" fragte der Kaiser.--"Ich meine nur" versetzte der
Deputirte des Handelsstandes, "wenn man es richtig ausgeführt hätte,
so war ja eigentlich auch das alte Reglement ganz gut (tak i stary
ustaw byl chorosch)!" Diese einfache Antwort beweist, dass Russland
etwas ganz Anderes Noth thut als Schiffe auf dem Schwarzen Meere und
neue Eroberungen.
Zoo ook heeft ons ongelukkig Nederland behoefte aan geheel andere
zaken dan zoogenaamd-politieke kwestiën, en 'n oorlog met Atjin! Maar
ook dit heeft men gewild! Juist nu 'n jaar geleden--bytyds alzoo!--heb
ik in myn "Brief aan den Koning" gewaarschuwd. Noch hy noch de Natie
heeft willen luisteren. Zal 't op-den-duur zoo gaan met m'n vermaningen
over den leugen van Vrye-Arbeid?
De oorzaak van 't in den wind slaan der wenken die ik herhaaldelyk gaf,
is me zeer wel bekend. Te veel personen zouden er schade by hebben,
indien de invloed dien ik uitoefen, officiëel gestempeld werd tot
gezag. Velen weten uit de laatste bladzyden van m'n "Een-en-ander"
wat hun in dat geval zou te wachten staan. Ze zyn er zoo bang voor,
dat zelfs stukken van myn hand die schynbaar niet in 't minste verband
staan met zaken van rechtstreeksch-politischen aard--dit laatste
woord nu in bekrompen zin gebruikt--terstond zooveel mogelyk moeten
worden verkleind. Zie byv. de komisch-wanhopige pogingen van den
N. Rotterdammer om m'n Vorstenschool van de baan te dringen. Dit blad
heeft volkomen gelyk... in 't pogen. Van de Putte en Vorstenschool
kunnen niet te-gelyker-tyd "mooi" gevonden worden. Of 't één,
òf de ander is 'n prul. De lezer kieze, en voor 't minst dat-i
mede-aandeelhouder is in zoo'n krant--of in zóó'n ministerie!--geef
ik hem den raad zich aan van de Putte te houden.
Ja, ik ken de oorzaken van dat doodzwygen en voorgewend minachten
myner waarschuwingen. Maar ik wil even stellen dat ik ze niet kende,
om aanleiding te hebben tot het doen van eenige vragen.
Van-waar, o Nederlanders, dat ge waarde hecht aan de meening van
personen die uit die meening voordeel putten, en geen acht slaan op
de opinie van iemand die zich opofferde voor z'n beginselen?
Ik beweer geenszins dat dit offer op-zichzelf juistheid van inzicht
bewyst, doch wèl pleit het voor oprechtheid en integriteit, dunkt
me. Ook wanneer al m'n stellingen valsch waren, dan nog had ik
aanspraak op den eerbied dien ieder schuldig is aan overtuiging,
eene eigenschap, die by m'n tegenstanders--zie blz. 46--te-vergeefs
gezocht wordt.
Doch niet hierom alleen noem ik m'n Publiek oneerlyk. De meeste
verschynselen van politieken en socialen aard die op dit oogenblik
topics leveren aan hoofd-artikelschryvers, zyn door my lang te-voren
aangekondigd. Van-waar dan op-den-duur de linksche huichelary, als-of
men myne voorzeggingen geen aandacht waard keurde? Niet om-mynent-wil
klaag ik hierover. Tegen ieder, als 't moet, en tegen àlles, zullen
myn woorden doordringen. De herdruk myner werken is hiervan een
onwederlegbaar blyk. Ik maak de opmerking in 't belang van henzelf
die meenen my te kunnen smoren met zoo'n onnoozel taktiekje.
Is 't wáár of niet, dat ik waarschuwde tegen den dommen en misdadigen
oorlog met Atjin, op 'n oogenblik toen slechts aan 'n zeer klein deel
der Natie dat Rykje by naam bekend was?
Is 't waar of niet, dat reeds nu in 't Hoogerhuis van Engeland--door
Lord Stanley--die oorlog is aangegrepen als ... voorwendsel om òns in
den steek te laten, wanneer wy worden aangevallen door 'n machtiger
buurman? En dat ik dit in letterlyke bewoordingen in myn bekenden
"Brief aan den Koning" voorspeld heb, toen 't nog tyd was de beoogde
wandaad te voorkomen, door 't wegjagen van den Minister die zoo'n
schandelyk spel speelde met de belangen van Nederland?
Is 't wáár of niet, dat ik voor tien jaren reeds, den raad gaf acht
te slaan op den toestand van den werkman? (Tweede bundel Ideën.)
Is 't wáár of niet, dat ik in dienzelfden bundel de ledigheid
tentoonstelde, èn van 't zoogenaamd modernisme op theologisch, èn
van de Thorbeckery op politisch gebied?
Is 't wáár of niet, dat ik gedurig in de Ideën, en zelfs reeds in
dit boekje--zie blz. 65-- aantoonde hoe weinig goeds er te wachten
was van onze Kieswet in 't algemeen, en van de daaruit voortgesproten
Tweede Kamer in 't byzonder?
Is 't wáár of niet, dat ik in al m'n werken de malaise voorspeld heb,
die thans in Nederland heerscht? En de gezagverslappende verwarring
in Indië?
Is dit alles wáár of niet, Nederlanders?
Waarom dan by-voortduring u aangesteld als-of ge myne inzichten de
moeite van 't overwegen niet waard keurt? My smoort ge daarmee niet. Ge
smoort met zulke kinderachtigheid uzelf en uw eigen belang. Eéns
toch moet de gevreesde Bogowonto worden overgetrokken, en 't zal u
weinig baten dat oogenblik uittestellen tot na 't verslyten van nog
'n paar dozyn van de Putte's of dergelyken.
Wie, in-weerwil van dit alles, zich wil blyven houden als-of hy myne
werken niet kende, mag z'n gang gaan. Ik ontzeg niemand het recht
onkundig te zyn, mits men my 't recht gunne die onkunde aan den dag
te brengen, en het Volk daartegen te waarschuwen.
M'n aandacht werd dezer dagen getrokken door zekere beweringen van den
heer de Bruyn Kops, die in het voorbericht by den vyfden druk zyner...
'n Oogenblik, mynheer Kops! In die "Beginselen van Staathuishoudkunde"
komt geen enkel denkbeeld voor, dat economisch-politisch-industrieel
gesproken, het uwe is. Vergeef my uit 'n staathuishoudkundig
oogpunt--myn en dyn!--deze opmerking. Ik moet ze wel maken, ik die ook
in "beginselen" doe, en op de wereldmarkt m'n eigen meestal zeer duur
betaalde denkbeelden tracht aan den man te brengen. De concurrentie
met ingesmokkelde waren is ... wel niet moeielyk--zoo heel diepdenkend
als gy schynt te meenen, zyn de Stuart Mill's waaruit uw wyshedens
geput worden, eigenlyk niet--maar ik zou het toch billyk vinden, uit
'n economisch-politisch-industrieel oogpunt alweer, dat 'n origineel
niet te concurreeren had met zulke al te goedkoope kopiën. Worden de
"werken" van die soort alleen gelezen door 'n publiek dat noch fransch,
noch duitsch, noch engelsch, noch italiaansch verstaat? Dan heb ik
er nagenoeg vrede mee, en wensch uw boekjes goed succes.
Maar ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het--niet
vertaald--voorbericht van den heer Kops. De schryver somt allerlei
verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot stand
gekomen, en waaraan zyn "werkje"--lees: het uit allerlei vreemde
schryvers en schryvertjes byeen geharkte--niet vreemd is geweest". Op
't lystje dier verbeteringen komt eene quasi-Hooftiaansche periode
voor, misschien om te bewyzen dat de nederlandsche voorgangers zelfs
in hun voorberichten, 'n afschrik hebben van oorspronkelykheid. Tegen
den inhoud dier periode teeken ik protest aan.
"Wy zagen," aldus spreekt onze naschryver:
"Wy zagen op Java de gedwongen cultures getemperd, gedeeltelyk
opgeheven; veel noodelooze kwelling van den inlander afgeschaft; zyn
plantloon vermeerderd; het volks-onderwys ter hand genomen, en eindelyk
eenig vooruitzicht aan Europeesche kultuur-ondernemingen geopend."
Een weinig verder betreurt o.a. de heer Kops, dat wy:
"... onze heerlyke O. I. bezittingen voor europeesch kapitaal gesloten
houden, en wy ons blyven vastklemmen aan een kortzichtig stelsel
van ryksexploitatie. Onze gouvernements-koffieteelt op Java en het
consignatiestelsel, tegen zoo vele stemmen in nog steeds volgehouden,
zyn met gezonde begrippen van staathuishoudkunde onvereenigbaar. Maar
behalve die quaestiëen, waaromtrent men het in beginsel ongeveer
eens is..."
De concordantie dezer beide citaten uit het Voorbericht des heeren
Kops, zy opgedragen aan de Stuart Mill's die onze geleerden en
kamerleden van denkbeelden voorzien.
Maar, het goddelyk recht op onkunde blyvende eerbiedigen, vraag ik
of 't geoorloofd is, daarvan een zoo verregaand misbruik te maken,
als de schryver zich hier veroorlooft? Weet de heer Kops niet,
dat er wel degelyk verschil van opinie bestaat over de oorbaarheid,
doelmatigheid, de uitvoerbaarheid der posten, die hy hier mir nichts
dir nichts boekt op de credietzyde? Is het hem onbekend dat de
verschynsels die hy betreurt, door velen nog altyd worden beschouwd
als gronden van hoop op eenige verbetering? Mag hy verzekeren dat:
"men het in beginsel over die quaestiën ongeveer eens is?"
Doch nu alleen lettende op de punten die de heer Kops aanvoert als
verblydende teekenen des-tyds, wie zóó redeneert, kan altyd tevreden
zyn! Om op een gunstig resultaat te bogen, behoeft men slechts
ignorantie voortewenden van de noodige verschynselen. Al bestond
er mogelykheid om de twee aangehaalde citaten over-een te brengen,
al mocht men daarby alleen achtslaan op dat waarin de zoogenaamde
vooruitgang wordt geschetst, en al ware het dat die vooruitgang
door sommigen werd aangenomen als bewezen, dan nog had de eerlykheid
gevorderd, daarby de opmerking te voegen: dat zeer velen hierover altyd
nog anders denken. De... staathuishoudkunde van den geest schryft voor,
geen enkel element van kennis te verwaarloozen, dat misschien zou
kunnen meehelpen aan het benaderen der waarheid. Al heeft nu Stuart
Mill z'n opinie over onze Indische zaken niet gelieven te openbaren,
toch zou het z'n nut hebben gehad, den lezer te waarschuwen dat
de volgens den heer Kops bereikte resultaten, niet in aller oogen
doorgaan voor verbeteringen.
Ik, byv. beweer dat de toestand in Indië sedert 1848, en vooral na
de infame wyze waarop myne pogingen werden gedwarsboomd, schromelyk
verachterd is.
Hierover nu met den heer Kops in tournooi te treden, zou me verder
leiden dan my in dit "Naschrift" gelegen komt. En 't behoeft ook
niet. Met één woord meen ik zoowel den optimistischen heer Kops met
z'n "werkje" als de liberaliseerende Kolonie-Ministertjes die sedert
vyf-en-twintig jaren ons land bederven, uit het veld te kunnen slaan:
Op Java heerscht telkens, en byna gedurig hongersnood.
Noch beginselaars in de staathuishoudkunde, noch beryders van
liberalistische stokpaardjes, zullen tegen dit argument iets degelyks
kunnen inbrengen. Gelukkig voor die heeren, dat de idiote meerderheid
ook met het niet-degelyke tevreden is. Dáárvan echter zal het eind
den last dragen. Men had moeten leeren lezen. Als studie-exemplaar
beveel ik de Indische couranten aan.
Om van myne zyde geen aanleiding te geven tot misverstand, sluit ik
met de verklaring--ze moest overbodig wezen!--eerstens: dat ik zeer
liberaal ben, en ten-tweede: dat ik de staathuishoudkunde op hoogen
prys stel. Ik ben gewoon my met yver op die wetenschap--het gezond
verstand wordt toegepast op algemeene welvaart--toe te leggen, en
bepaal me, byv. niet tot het sprokkelen van buitenlandsche wysheden
die in dat Buitenland zelf reeds byna weer vergeten zyn.
Het ware te wenschen dat zy die zich liberalen noemen, en de vertalers
van handboekjes over de staathuishoudkunde, zich toe-legden op
de juistheid van uitdrukking. Ook met den zin der woorden behoort
men... economisch omtegaan. By 'n slordigheid van terminologie, al die
waardoor onze politieke tinnegieters en collecteurs van europeesche
gemeenplaatsen zich kenmerken, is staathuishoudkunde 'n hors-d'oeuvre,
en liberalismus--ja, alle Kennis, Wetenschap en juistheid van oordeel,
dus ook: WELVAART!--'n onmogelykheid.
Wiesbaden,
1 September 1873. MULTATULI.