En schryf er boven: "een zaaier ging uit om te zaaien."

Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en

hooghoud: parceque suivre bannière ne peux!

Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!

Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de

zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in

myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop

wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent

bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen

achter de schermen.

Toen ik 'n paar bladzyden geleden, den Havelaar opsloeg, om de passage

uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid

om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd

ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...

Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god,

het is toch wáár wat ik daar schreef! 't Is toch wáár dat ik daar m'n

plicht deed in levensgevaar. 't Is toch wáár dat ik arm en onmachtig

van Lebak vertrok met vrouw en kind! 't Is toch wáár, dat ik sedert

dien tyd niet heb opgehouden bitter te lyden om 't vervullen van

m'n plicht! 't Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld,

met waardigheid en met moed ...

Dat alles is toch de waarheid, o myn God!

En 't staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin niet alles

geschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch

genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...

En dat boek was "zoo mooi" zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig,

met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!

En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even

ver alsof m'n boek niet "mooi" was geweest! Even ver als-of er niet

zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...

Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.

En ik zocht de oorzaak die 't rechtdoen in myn zaak in den weg staat,

en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond

die in uw rottende ziekte, in... leugen.

Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.

En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.

Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m'n vloekbrief

neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in

't voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die

op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden

door diefstal.

In de middeleeuwen nam men 't Volk geld en goed af. Dat heette adel

in die dagen.

Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger

adel.

Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde,

godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.

En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger

't gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer

zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!

Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat

de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen

konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.

En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert

der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel

is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.

Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn

strydperk is het licht. Zyn schild is de waarheid. Zyn kampvechter

de Geschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is het WOORD.

Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze

brochure, en in IDEËN die ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik

neêrleggen wat er omgaat in m'n ziel...

"Ei," zegt ge, "en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje

achter de schermen?"

't Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar

een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat

ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: "talent."

Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten

ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstond Ideën

uitgeven, en meêschryven over Vryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik

u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de

beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo'n talent ook voor den minst

bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u

getoond heb dat het maar 'n "weet" is, zooals 't volk zegt, nu zult ge

toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen

die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.

En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep

daarover,--ja, ik deed dit reeds lang--voor 'n gehuichelde "exceptie"

terechtsweigering.

De Javaan is zeer ondergeschikt aan z'n Hoofden. Onderworpenheid aan

den wil van z'n erfelyken heer is zyn godsdienst, 'n godsdienst van

te bindender kracht, omdat ze niet in 'n boek staat, en dus niet

afhankelyk is van verschillende uitlegging. Het kultuurstelsel is

op deze verregaande onderdanigheid gebouwd. [77] Dit stelsel is

'n kontrakt tusschen de Javaansche Hoofden en het Nederlandsche

Gouvernement, om den geringen man uittezuigen voor gezamenlyke

rekening. En hoezeer 't nu vanzelf spreekt dat er by zoodanigen

handel--ik bedoel: Schwindel, maar vindt er geen hollandsch woord

voor--dat daarby sprake is van 'n leeuwen-aandeel in den buit, zou

niet ieder misschien terstond op het denkbeeld komen dat er twee ruim

gemeten partes leonis worden afgenomen. En toch is dit zoo.

"O, dat Kultuurstelsel!" roepen de Vry-arbeiders.

Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er

tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen

nationaliteit bezit. 't Woord is er uit. Ik kan 't niet helpen, en

ik neem het niet terug. My is Aristides nader dan de achtkante boer,

al zy 't dan dat deze m'n landgenoot was. Ik stel het recht boven

buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap,

boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die

hierover anders denkt, ieder die Aristides niet voortrekt boven dien

ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor

landgenooten omdat ze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffing par

ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het

me nooit in 't hoofd is gekomen my hooger te schatten dan 'n ander,

omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent

'n grooten invloed uit op m'n opinie over 't Kultuurstelsel. Want ik

hoor spreken van "Nederlandsche standpunten" d. i. van punten waarop

ik niet sta... ik die maar 'n mensch ben. En zelfs dit geeft me geen

"standpunt" op m'n eigen hand. Want als ik 'n hond zie mishandelen door

myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen,

al had my 't beest gebeten, en al waar 't geboren in 'n andere buurt.

Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo'n

verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot

aandacht te nopen door 't spreken van uw taal. Ik zal me voor 'n

oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by

uw welvaart. Ik zal, voor 'n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle

vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden

behebt was. Ik zal 't Kultuurstelsel beschouwen van nederlandsch

standpunt ...

Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan,

nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis

van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben

aangetroffen, als wy, Nederlanders "met Gods hulp" in Indië hebben

tot-stand gebracht. Wy 'n kleine natie van drie millioen zielen,

hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen,

en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen,

waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte,

veiligheid--voor Europeanen, tenminste, en van nederlandsch standpunt

is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.

En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar,

maar toch door aanwending van 't hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels,

door dezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat

stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van 't

zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets

anders voort dat méér beduidend zal zyn dan koffi, zoolang 't geheel

grooter is dan een der deelen. Het brengt voort: HET GEZAG.

Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in 's

hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien

eenvoud uw GEZAG in Indië te danken, en daardoor ... de koffi.

Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk 't my mogelyk is. Maar

begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren van

groote volkeren door 'n klein volk, op verren afstand, met 'n heel

klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou

ik ook wel kunnen, en denk aan 't ei van Columbus ...

Het hoofddenkbeeld van 't Kultuurstelsel en van ons GEZAG in Indië,

is dit;

De Gouverneur-Generaal houdt 'n teugel in-handen, die van afstand

tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr

op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die--weêr op hun

beurt gesplitst--zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde

weêrverdeeling ten laatste elk individu bereiken, in-toom houden,

dwingen ... dat is: REGEEREN.

Deze teugel--ik spreek altyd als nederlandsch koetsier--is 'n ware

Katholieke kerk van volmaaktheid. Sit ut est, aut non sit. En even

als die kerk niet kon worden uitgevonden, maar: het werk der eeuwen is

[78] d.i. het werk van de logica der feiten die 'r voorvielen in die

eeuwen, zoo is ook de wyze waarop wy Nederlanders Indië regeeren,

niet uitgevonden door den generaal van den Bosch, noch door wien

ook, maar geheel alleen 'n gevolg der noodzakelykheid. Wilt ge

heerschen in Indië, heerscht dan zóó. Wilt ge veranderen ... wilt ge

hier-en-daar 'n zyteugel in andere hand geven, dan in de hand die den

hoofd-teugel houdt ... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden

van de moederlyn waarvan ze uitgingen ... of--erger nog--wilt gy de

onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken ... rechts ... links

... naar-boven ... naar-beneden ... heen-en-weer ... scheef en schots

... zóó, dat de paarden dol worden ... heersch dan NIET! Geef dan uw

GEZAG op ... en uw koffi.

Nog eens: sit ut est, aut non sit.

Neen dit stelsel is niet uitgevonden. Als 't uitgevonden was, zou 't

niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang

van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van

de zaak. Als by de algebra--die heerlyke logica in kort begrip--hebbe

men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.

Wat is die opgave? "Ik wil koffi." Goed:

"Javaan, ik wil koffi!"

"Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten,

malen. En daarna, doe 'r water op, ... naar ik hoor, want ik drink

geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten."

Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan,

die zelf geen koffi dronk. Nu doet hy 't. Maar toch is 't antwoord

dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:

"Javaan, ik wil koffi."

De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z'n sirie op den

rooden lip 'n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt

daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt,

is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem

de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.

En wie 't kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag:

Javaan, ik wil koffi ... is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf

erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen:

"Hollander, ik wil kaas."

Hoe 't zy, de Javaan antwoordt niet, en geeft geen koffi.

Daar komt 'n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat

dragen. De een, 'n beteldoos. De tweede, 'n zonnescherm. De derde,

'n lans. De vierde ... 't doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen

iets dragende, achter den man die niets draagt.

En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die

z'n sirie omwentelde--en zichzelf--richt zich op. Neen, oprichten is

't woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt,

en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat

z'n hoofd neêrzakken op die handen ...

"Wat is dat?" vraagt ge verwonderd.

De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en

links gewapende mannen op--neen, gewapend hoeft niet--die u--alweêr op

'n wenk van den nietsdragenden man--aangrypen, binden, mishandelen en

't land uitgooien.

Daarop gaat ge naar huis! 't Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag

aan de Kamer van Dordrecht of, aan de Kamer van Enkhuizen ...

Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude

"edele" Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!

Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar 't 'n Kamer is,

spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze

daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot

de zaak. Eindelyk zegt 'n lid:

"Maar, Sieur [79] als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte,

eens den man had aangesproken, die ging, en niets droeg? Doe dat

eens, groet hem vriendelyk van ons allen, en zeg: "weledele heer,

zou je de goedheid willen hebben den man, die daar ligt, te zeggen

dat-i-koffi plant ... je mag meedrinken ...""

"Dat 's 'n idee!" roept de heele kamer van Dordrecht of Enkhuizen.

Nu sla ik honderd jaar over, of meer.

Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor

wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als

... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel,

maar niet comme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee

heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.

Wie nu meent dat de Javaan--op dezen oogenblik--tot opstaan,

neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is op andere

wyze dan ik meêdeelde in m'n zeer verkorte geschiedenis van de "edele"

Compagnie, bedriegt zich.

Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als

men hem niet ...

Zwyg, bid ik u ... laat ons Nederlanders blyven, en dus 't woord

niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan

zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of liever eenigen tyd nadat

hy zal verlost wezen van--ik zelf weet niet hoe ik 't zeggen moet in

't nederlandsch--nadat hy zal bevryd zyn van--ja, zoo is 't!--nadat hy

verlost zal wezen van 't ondergààn der nederlandsche deugden. Beter,

nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.

Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot

van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit

onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als

'n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren, niet

opstaan, niet planten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.

Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende

Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor 'n oogenblik

tot de automedons maakte van 't groote voertuig dat Insulinde heet. Ik

had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe--en hoe

alleen--'t gezag kan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen,

waarop de vruchten van dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld

noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.

Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak,

met al die by- onder- en neventeugels? 't Is een cat o' nine tails,

vind ik, maar met oneindig meer dan negen staarten. Welnu, verander

al die lynen in buizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal

onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen,

breng 'n zuiger, 'n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en

daarna ...

Pomp, pomp, pomp, zeg ik u. Pomp voor den duivel ... en voor Nederland.

Dit is 't Kultuurstelsel. Men moet 'n Hottentot wezen, of 'n mensch,

om 't niet mooi te vinden. Maar van nederlandsch standpunt blyf ik

beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid. Sit ut est,

aut non sit.

Sit ut est. Het blyve zóó als 't is. Ja, zóó moet het blyven tot de

Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.

Zóó moet dat stelsel blyven. Zóó als 't beschreven staat. Zóó als

de bedoeling was, en tevens zoo als de zeer duidelyk uitgedrukte

bedoeling was van den wetgever, van de Indische Staatsbladen.

Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet:

de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie

Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden. Die moeten niet

blyven. Dáártegen trok ik te velde in m'n Havelaar, en niet tegen

't stelsel zelf.

Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het

is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het ons koffi geeft,

maar omdat het ons GEZAG geeft, en als 't gezag verloren is, valt er

niets meer te stelselen.

De wetgever--ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd

op m'n nederlandsch standpunt--de wetgever heeft niet bedoeld

het gezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks,

iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken

van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal

twee vier is, en dat de Javaan z'n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel

uitgev ... neen, waarachtig niet. Hy heeft onder woorden gebracht,

met name genoemd, en gereglementeerd: wat-i vond. En hy heeft

begrepen, voorzien en gevreesd, dat de drang der omstandigheden--de

noodzakelykheid--hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op

de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische,

voortdurend produktieve werking van dat stelsel.

Dit moet hy voorzien hebben. 't Kán niet anders. Het is te bewyzen,

a priori en a posteriori.

A priori: een buis op de borst, en 'n stoompomp op de hoofdbuis ...

Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam

dit voor zoo'n borst wezen moet.

A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende

bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf

gaarne, als 't dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan

men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvind pour le besoin de

la cause van 't oogenblik.

Neen, 'k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in den Havelaar,

lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het

heele boek overvloeit van bewyzen: dat de bepalingen zoo slecht

niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd? Dat er zooveel

eeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den

geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykste vyf en

twintigste artikel van 't Regeerings-reglement, dat ik drukken laat

op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt,

de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende,

goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...

O, in menigte. Maar ...

Ze worden niet gehandhaafd.

Dit ziet gy in den Havelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen

zien, wanneer 't u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak

is geen stryd tegen de wet, maar 'n stryd tegen 't verkrachten van

de wet.

Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame

wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden

met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk

woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders--d. i. de personen

die hem moeten helpen: de indische ambtenaren--tot kalmte, tot

inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen

overdryving. En overal zegt-i: "Sjt, de lyder wil spreken, we

willen hooren wat-i te zeggen heeft." ("De Gouverneur-Generaal zorgt

dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven, vryelyk

zyn klachten intebrengen. Regeerings-reglement, en alle Indische

reglementen. Is dit duidelyk?")

Maar die omstanders, die onderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy

hebben uitgevonden--pour tout de bon: uitgevonden ditmaal--een

"geest van 't gouvernement" die den wetgever onbekend was. Een sleur,

die 't gezagstelsel tot 'n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild

mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als 't

anders wezen zou. Een "geest van 't gouvernement" die 't schipperen

voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als

politiek. Het "niet-bemoeielyken" van deze of gene Excellentie,

als diplomatische courtoisie. Een geest, die--dit beken ik--'t beste

middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van

'n makkelyk verdiend--neen, van een onverdiend--pensioen ... dat de

natie gewillig betaalt!

De wetgever--d. i. de in Indië bestaande toestanden, uitgedrukt in de

bepalingen--heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die

orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan

gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. 't Zy

zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats

gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar

de geringe belooning van den Javaan moest hem dan ook inderdaad worden

uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook

bedoelde de wetgever niet, dat men "klagers" in de rivier zou werpen,

om ze te laten afdryven als een "groetgeschenk van de haaien in

't binnenland aan de haaien in zee."

Dit alles bedoelde de wetgever niet. Zyn meening--en vooral z'n

belang--was niet dat de patiënt bezwyken zou.

Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelyk kwaad van

'n eenvoudig maar praktisch gezag en kultuur-stelsel--dat ik trachtte

te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis--zoo dragelyk

te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren

't volkomen bewys a posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer

goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke

lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk

voorschrift dat beveelt den Javaan te hooren waar hy klaagt, bewyst

dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om

ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op

gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of

staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich

dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.

Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is

't niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op 'n toon van gezag

hoort roepen: "Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!" "Spaar

hem!" Goed--d. i. ik benoem u tot... enz.--maar belooft eerst by

God Almachtig dat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt--ambtsëed;

dat men 't niet te erg zal maken...

"Niet te erg!"

Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in 'n kamer naast u, dan

springt gy op... vergeef me, van een nederlandsch standpunt bezien,

richt gy uw blik langzaam naar 't beschot! en ge roept... vergeef me

nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:

"Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig "niet te

erg!" te mishandelen...

Niet te erg!

G ............ ik geloof 't graag! Daar wordt iemand gemarteld in

die kamer, als men het te erg deed, was 't gauw gedaan met de koffi.

Alle Staatsbladen nu schryven voor: niet te erg.

Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische,

rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal

niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik

spreek dus van 't Stelsel zoo-als dit is gereglementeerd in de

Staatsbladen, en niet over de afwyking van dat stelsel.

Het "niet te erg"--niet erger dan volstrekt noodig is--bepaalt zich

niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever

heeft begrepen dat er meer noodig was. Ieder kan ambtenaar worden

in Indië, maar niet ieder kan ambtenaar worden by 't binnenlandsch

bestuur. De keuze van de beambten die meer onmiddellyk in aanraking

komen met den Javaan, wordt geleid door beschouwingen die--ja, 't is

de waarheid!--die fyner zyn, meer omvatten, dieper doordringen, dan

er zou noodig wezen voor 'n vader die te beslissen had op 'n aanzoek

om de hand van z'n dochter. Daartoe wordt beschaving vereischt,

fatsoen, goede manieren, zedelykheid, zachtmoedigheid, verstand,

oordeel... kortom--en, om niet te spreken van de noodige kennis,

wetenschap en bekwaamheid [80]--het corps beambten by 't binnenlandsch

bestuur in Indië moet zyn--en is dit ook naar myn overtuiging in veel

opzichten--een corps d'elite.

In de vergelykingen--die ik niet loslaat, want straks zal ik ze

nog-eens noodig hebben--wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne

onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan,

omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens

zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van

den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet

te ruw is op 't gevoel.

Want de wetgever meende, en hy had gelyk:

Dat het gezagstelsel 'n noodzakelyk kwaad is.

Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang 't noodig zal wezen, moest

getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!"

Alle regelen--ho, alle eerste regelen!--van styl, enz. schryven voor,

dat men 'n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds

veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken,

wanneer wy ...

Daar vliegt op-eens 'n bende toehoorders m'n kamer in, die my op

deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te

leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. 't Is

waar: ik had beloofd: eenige beschouwingen die zouden aantoonen "dat

het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren

tot vrywilligen arbeid." O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan

school! O die finale afwezigheid van methode...

Daar, leest! zei 'k tot de derdedeelbegeerige menigte.

Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel

van den Havelaar, waar ik zoo boos op u werd.

Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by

't lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die

'k niet intrek om uw verstoordheid.

En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met 'n eenparigheid van gevoelen,

die zeldzaam is by kerkgangers;

"Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel,

en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel

zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen

berusting, als 't ons niet ware te doen geweest om uw derde deel?"

Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de

woede eener menigte die 't derde deel van 'n preêk vraagt.

Zoo-als altyd, heeft m'n vrouw my uit den nood geholpen.

--Wel zei ze, daar is het!

--Wat?

--Uw derde deel!

--Waar?

--Dáár! Zie...

En ze las:

"De Gouverneur-Generaal houdt 'n teugel in-handen..."

--Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.

Maar ze beweren dat dit het kultuurstelsel aangaat.

--Dan hebben ze slordig gelezen. 't Gaat het stelsel van gezag

aan. Maar hoor verder.

En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat

over, en las:

"Wilt ge veranderen, wilt ge hier-en-daar 'n zyteugel in andere

hand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge

bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze

uitgingen... of--erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel

dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden...

heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden..."

--O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:

Geachte Hoorders! Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem

dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...

--Neen, zei m'n vrouw. Uit is 't nog niet. Ik heb de buizen nog. En

ze las:

"Verander al de lynen van de cat o' twelve million tails in

buizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis..."

--Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:

"Geachte Hoorders. Tweede deel van m'n derde deel. Geef elken

aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis,

tot de kleine nevenbuisjes..."

Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op

de bron...

Vergun hem z'n eigen buizen, z'n eigen primitieve, ditmaal

ongezwachtelde buizen...

Van niet te erg is geen sprake meer ...

... vergun hem die buizen, de buizen van de WELEDELE HEEREN

DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen

Javanen...

Laat hem boren dóór die borst, tot hy 't hart raakt...

En dan... ja, dan...

Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor de vry

arbeiders... ziedaar uw derde deel!

O, gy wien 't inderdaad in deze zaak om waarheid te doen is, veroordeel

de wyze niet waarop ik die waarheid trachtte te uiten. Bedenk hoe ik

begon met de verklaring dat de kwestie over VRYEN ARBEID geen kwestie

is. Bedenk dat er 'n eigenaardige betoogtrant vereischt wordt tot het

bewyzen van zaken, die alleen daarom bewys noodig hebben, omdat ze

gedurig--en met opzet!--worden gesteld in valsch licht. Men betoogt

niet het bestaan der zon... men toont de zon. En waar dit niet baat,

blyft ook den meest ernstigen beschouwer niets over dan de geesel

van sarcasme.

Maar dikwyls ligt er droefheid in spot, en de vlym der satire wondt

niet naar-buiten, voor ze 't eigen hart griefde waarin die satire

geboren werd. Jazelfs, waar dat hart goed is, moet er véél geleden

zyn, en làng gedragen, voor dit laatste, maar scherpste, wapen zich

keert naar uitwendigen vyand.

Zulke smart heb ik bedoeld, toen ik sprak van den "menschenvriend, die

vurig belangstelt in het welzyn zyner medemenschen. Die beurtelings

hoopt en vreest, by 't gade-slaan van elke verandering. Die zich

opwindt voor een schoon denkbeeld, en van verontwaardiging gloeit,

als hy 't ziet wegdringen en vertrappen door wie--voor 'n oogenblik

slechts, naar we hopen--sterker zyn dan schoone denkbeelden."

Op die smart doelde ik by 't aanhalen van "den wysgeer die van uit

z'n cel aan 't Volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken

moet dat z'n stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary

of gewinzoekende kwakzalvers." Toen ik sprak van "SOKRATES, zoo

bitter bedroefd by 't drinken van den giftbeker, niet omdat hy dien

ledigen moest, maar wyl hy zich 'n bederver der jeugd hoorde noemen,

en 'n verachter der goden."

Die droefheid heb ik bedoeld by 't noemen van "den Christus die zoo

treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt dat het niet gewild

heeft!"

"Zulke kreten van smart--vóór giftbeker of kruishout, heb ik

gezegd--vloeien niet uit 'n ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn,

dáár is ondervonden!"

En lezer, hebt gy 't recht aanmerking te maken op den toon van iemand

die tot u sprak op allerlei wys... en altyd te-vergeefs? Reeds in den

Havelaar zeide ik, dat m'n boek zoo bont was wyl 't 'n staalkaart

wezen moest, opdat ik, die sedert jaren gezocht had naar den toon

die verstaan wordt en begrepen, weten zou in 't eind, hoe ik moest

spreken om ingang te verschaffen aan de waarheid."

Hebt gy 't recht te klagen over wanklank, gy die zelf de snaren

van m'n gemoed hebt ontstemd? Gy die de muziek myner ziel hebt

beantwoord met nog snydender wanklank dan natuurlyk sarcasme, met

'n oneerlyk mengsel van gejuich en lauwheid, van niet verdienden

smaad en verraderlyken lof?

Maar, ook vóór dien tyd... ik vraag u--en meermalen nog zal ik

dit vragen--welke fouten van voordracht zyn er in den brief aan

den afgetreden Gouverneur-Generaal, dien ik u te lezen gaf? Welk

voorwendsel levert u dát schryven tot niet-begrypen, tot niet weten,

tot weigering van rechtspraak? Wat antwoordt gy, als men na 't lezen

van dien brief vraagt: "zou 't dan toch wáár zyn, dat andere zaken

behoorden onderzocht te worden, dan de Vry-arbeiderskwestie waarmede

men zoo lang reeds ons bezig-houdt? Zou 't wáár zyn dat er 'n booze

geest van bederf rondwaart, die z'n ziektegevenden adem heenblaast

over onze huishouding in Indië? Zou 't wáár zyn wat er staat in dien

brief, die nooit weersproken is, en nog minder wederlegd? En wanneer

dat alles waarheid is...

Ja, dat is de waarheid. En óók waarheid is de gevolgtrekking die

hieruit onmisbaar voortvloeit:

er is verrotting in den staat, en de naam van die verrotting is LEUGEN.

Of meent ge dat er geen verband is tusschen de Havelaarszaak en

de kwestiën van den dag! Dit verband is nauw, innig. Maar 't is

geen verband van eenheid of gelyksoortigheid... 't is verband door

tegenstelling.

De Javaan wordt mishandeld. De Havelaarszaak heeft aan die waarheid

'n lichaam gegeven, en een naam die tot de Geschiedenis behooren

zal. Maar de "kwestiën van den dag" worden thans nog, als vóór den

Havelaar, gebruikt om de hoofdzaak te bedekken, te verbergen, te

smoren... dat is: om het volk van Nederland te bedriegen.

Daarom moest ik, vóór 't behandelen der zaak die ik uitdrukte op

den titel, beginnen met de aantooning hoe men opzettelyk vermeed de

hoofdzaken te noemen, en tevens van de onwaardigheid dergenen die,

tot spreken geroepen, zich voortdurend schuldig maken aan misdadig

zwygen. Ik moest met ruwe hand--hoe kon het anders?--maskers van

deftigheid afrukken, en hier-en-daar 'n opperkleed scheuren, dat

in wyde magistrale plooien nietigheid bedekte--of dikwyls erger

nog--MISDRYF.

Want leugen te geven, of leugen te steunen door zwygen, waar men

geroepen is te spreken voor de waarheid, is misdryf.

Welk vertrouwen kan men schenken aan Ministers, Kamerleden,

Dagbladschryvers, aan allen die zich moeien met de publieke zaak,

wanneer ze by-voortduring met kunstmatige angstvalligheid vermyden die

zaak te behandelen van den kant, waar ze het meest gevaar loopt? Welke

oprechtheid, welke zuiverheid van bedoeling kan men veronderstellen in

publieke mannen, die hun yver, hunne kunde, hun talent besteden aan

't behandelen van de onderdeelen der volksbelangen--en dikwyls zelfs

aan deze niet--terwyl ze met opzettelyk verzuim niet gewagen van de

vreeselyke katastroof die het Volk te-gemoet gaat ...

Indië zal voor Nederland verloren gaan, met of zonder Kultuurstelsel,

met of zonder Vry-arbeid. Mèt dien vryen arbeid spoediger nog, maar

verloren gaan zal 't zéker, als Nederland niet zorgt dat den Javaan

recht wordt gedaan.

Dit is de kwestie, de ware kwestie van den dag! Dit is dus de kwestie,

Nederlanders, waarover niet wordt gesproken in uw dagbladen, niet in

de redevoeringen uwer Kamerleden, niet in de programmen uwer Ministers.

Ik weet wel dat de partymannen beweren dat hun systeem--och arm!--de

hoofdzaak insluit. Ik weet hoe by-voorbeeld de voorstanders van

Vryen-arbeid voorgeven--en sommigen misschien inderdaad gelooven--dat

de arme Javaan zoo byzonder zou gebaat worden door 't triomfeeren van

hun stelsel. Maar deze dwaling berust op 'n woordspeling die al zeer

gemakkelyk valt optelossen.

Het Stelsel van gouvernements-kultuur schryft arbeid voor. Men

noemt de daaruit voortvloeiende werkzaamheden van den Javaan:

gouvernements-arbeid, gedwongen arbeid, dwang-arbeid. En die benamingen

zyn juist.

Toen het denkbeeld ontstond dat de Javaan ook zou kunnen worden

te-werkgesteld op andere wyze, moest er voor die andere wyze een

naam bedacht worden, die haar onderscheidde van de gewone. Er was

een tegenstelling noodig. Tegen-over gouvernements-arbeid vond men

natuurlyk het woord: particuliere arbeid. En ook deze uitdrukking is

juist. Maar het werk van den Javaan voor 't gouvernement droeg nog

andere namen. Ook dáártegenover moesten passende uitdrukkingen gevonden

worden, en alzoo is onze taal en de kring onzer denkbeelden verrykt met

de woorden: vry-arbeid en vrywillige arbeid, woorden die gemak geven

in 't gebruik, maar tevens aanleiding tot groot misverstand. Aan dit

misverstand, Nederlanders, hebt gy te wyten dat het mogelyk geweest

is dien Vry-arbeid te maken tot de DUITENPLATERY van den dag.

Want: van vryheid, van vrywilligheid is geen spraak by den arbeid

dien de Javaan verricht voor 'n particulier. "Die Javaan staat niet

op, plant niet, oogst niet, dan op den wenk van den man die niets

draagt." Waar die wenk gegeven wordt, moet zulk 'n Hoofd daartoe

genoopt zyn door oorzaken, die, als ze uitgingen van het GOUVERNEMENT,

duidelyk beschreven staan in de Indische Staatsbladen, de uitgewerkte

compendia van de "boodschap der "edele" kamer te Dordrecht... of te

Enkhuizen" en van het menschlievende, of althans voorzichtige "NIET

TE ERG." Maar wanneer de oorzaken die het Javaansche Hoofd tot den

onmisbaren wenk bewegen, uitgaan van 'n PARTICULIER, dan staan ze

nergens beschreven, en behouden hare werking tot op de de uiterste

zeer vèr liggende grenzen:

van de onderdanigheid des Javaans aan z'n Hoofd,

der behoefte van dat Hoofd aan weelde en van

Europeesche hebzucht, die... aan sommige lezers wel bekend zal zyn.

Het produkt van deze drie enorme faktoren noemt men met leugenachtigen

schoolklank: VRYWILLIGE ARBEID.

By gouvernements-kultuur is contrôle mogelyk. Waar die contrôle

ontbreekt--zoo-als meestal het geval is--door begeerte om te

schipperen... door misdadige gemakzucht... door vrees voor 't

bemoeielyken van 'n tragen Landvoogd die niet wil beroofd worden

van z'n onkunde, dat vurig bemind voorwendsel om zich bezigtehouden

met niets doen... daar is dit alles wel treurig en noodlottig,

maar... de contrôle zou toch kunnen worden uitgeoefend, àls er eens

'n Gouverneur-Generaal benoemd werd, die besef had van zyn plicht,

en tevens de gaaf om dat besef optewekken en levendig te houden by

anderen. Dan immers zou er kunnen gezorgd worden: "dat de Javaan het

zyne ontving, al is 't dan ook wat weinig."

Maar als men dien Javaan overlevert aan PARTIKULIEREN IN COMPLICITEIT

MET DE HOOFDEN, vooral met de lagere Hoofden... dan is geen Contrôle

mogelyk, ook al vond men 'n Gouverneur-Generaal die z'n plicht deed.

Ik beweer dit alles uit volle overtuiging; maar erken dat dit niet

voldoende is. Om alzoo die overtuiging meetedeelen aan anderen,

begin ik met de vraag of 't die anderen om waarheid te doen is? By de

meesten is dit naar m'n treurige ondervinding het geval niet, en waar

ik voel stryd te voeren tegen een door eigenbelang voorgeschreven

parti-pris, geef ik redeneeringen in den smaak myner parabel over

den heiligen Dionysius, of der vergelyking van het droogstoppelig

perspomp-systeem. Wie geld wil bekomen dóór den arbeid des Javaans,

in stee van waarheid over den arbeid des Javaans, zal m'n geschryf

zeer leelyk vinden, en dit kan ik niet helpen.

Maar wèl heb ik gewonen, ernstigen betoogtrant ten-beste voor

aanhangers van het vry-arbeidersstelsel die, ter-goeder-trouw verleid

door den klank vry, meenen een edele zaak voortestaan. Ik ontsla me dus

geheel-en-al van de tegenstanders wier oordeel over de zaak geput is

uit hun eigen geld-opbrengende ondervinding. Men zou 'n held moeten

wezen, grooter dan er eenmaal in de eeuw voorkomt, om 'n stelsel

aftekeuren waaraan men zonder veel moeite een belangryk vermogen te

danken had, of waaruit men hoopt zulke voordelen te behalen.

Dus spreek ik tot en over de voorstanders ter-goeder-trouw...

Welnu ... ze zyn BEDROGEN.

En hier wellicht zal men inzien waarom ik by 't schryven dezer

brochure, zoo lang, zoo vaak, en zoo krachtig naar ik meen, ben

opgestaan tegen leugen. De leugen heerscht overal, en ook hier heeft

ze sommigen op 'n dwaalspoor gebracht.

Hoe is deze leugen geboren, hoe is ze gevoed en opgegroeid? Ze

is geboren:

1.) Uit het belang der particulieren, om den door omkooping verkregen

dwang geheim te houden.

2.) Uit gelyk belang van de Hoofden, vooral van de lageren waarmeê

de particulier meer in aanraking komt.

3.) Uit de onderworpenheid van den Javaan, die niet klaagt voor-i

daartoe wordt gemoveerd door de zeldzame zekerheid dat z'n klacht

niet zal worden bestraft als misdryf. (Zie den Havelaar, die nooit

weêrsproken is.)

Hoe is ze gevoed en opgegroeid?

1.) Door plichtverzuim der Residenten:

a. plichtverzuim, sans phrase.

b. plichtverzuim om hoftemaken aan 'n Gouverneur-Generaal die

vryarbeiderig is: pour se donner un genre.

c. plichtverzuim uit nòg grover eigenbelang ... om te deelen in

de winst.

2.) Door plichtverzuim van 'n Gouverneur-Generaal die al deze

dingen niet begreep, omdat-i met kommiesachtige bekrompenheid en met

verwaarloozing zyner hooge roeping, zich vergenoegde met papieren

waarheid, dat is: met ONWAARHEID.

Weder alzoo is onwaarheid, weder is leugen de hoeksteen van 't

roofgebouw. 't Is alweer uit LEUGEN dat de noodlottige dwaling

ontsproot, die hier 't Volk prys-geeft aan gemaakte agitatiën, ginder

aan wanhoop, en overal den naam der Nederlandsche natie aan schande.

En wie er twyfelt ... wie meent dat de arbeid van den Javaan voor

particulieren, wèl vrywillig geschiedt... wie nooit, als ik, met

eigen ooren hoorde, hoe zulk 'n particulier het Javaansch Hoofd

inneemt, omkoopt, bederft met zoet walgelyk gevlei, met aandeel in den

buit... wie 't nooit zag, als ik, met eigen oogen, hoe de particulier

zich veroorlooft den werkman die zoo zielverkoopig hem "geleverd"

werd, aantezetten, voorttezweepen, te mishandelen... wie zonder dit te

hooren of te zien, niet in-staat is deze waarheden a priori afteleiden

uit de drie gegevens die ik zulke enorme factoren noemde... wien

't ontbreekt aan menschkunde in 't eind... dien zal ik zeggen.

Als meermalen wend ik my tot u, Mr. Albertus Jacobus van Twist,

oud-Gouverneur-Generaal, vertegenwoordiger des Volks!

Ik wend my tot u, zoo-als ik by opstand of beroering den belhamel

vóórriep, om niet door algemeenheid der toespraak te doen leiden tot

verzwakking van indruk.

Ik wend my tot u, Mr. van Twist! Ik verneem dat gy in die onzalige,

vervelende, geheel beneden hare roeping staande Tweede Kamer,

eenige provincieleden sleeptouwt, die uw koelheid nemen voor ernst,

uw droogheid voor wysbegeerte, uw styfheid voor standvastigheid,

uw zondeloosachtigheid voor deugd.

Tot u wend ik my, Mr. van Twist, om u te zeggen dat ik voor 'n groot

deel getuige ben geweest van het smeden der leugens waarmede men

u heeft bedrogen. Ik heb den glimlach over uw domheid op de lippen

gezien van henzelf die zoo gretig van die domheid gebruik maakten. Ik

heb u bestudeerd toen gy in den val liept, en ik was nog te naïf om te

weten--zoo als ik later ontwaarde--dat ge niet beter verdiendet. Dat

men u leugens gaf, hoorde 'k en zag ik. Maar ik meende nog dat gy

waarheid begeerdet. [81]

Vele werken die men u voorstelde als tot-stand gebracht door

vrywilligen arbeid, zyn uitgevoerd met den meest onmenschelyken dwang.

Zoodra ik het goedvind, zal ik zeggen welke werken, wáár en hoe. En

ik zal 't bewyzen. Reken daarop.

Misschien zal ik daarby, met niet meer dan drie of vier woorden,

aantoonen hoe de geheele tegenwoordige kwestie met den heer

Bekking--van beide kanten--nooit by den waren naam genoemd is.

Ook in die zaak speelt leugen de hoofdrol.

En gy, Mr. van Twist, die aan het hoofd schynt te staan van de

Vry-arbeidersparty, dat is: van de clique der vry-arbeiders, gy die

vrywilligen arbeid predikt voor den Javaan, en niet vrywillig den

arbeid volbracht, dien ik u aanwees als voorgeschreven door eerlykheid,

plicht en eed ... ik veroordeel by dezen uzelf tot dwangarbeid. Ik

sla u het juk van mynen geest om den nek, en span u in het tuig

van den ploeg waarmee ik de harde korst opscheur van domheid en

vooroordeel. Ik zweep u voort met den geesel myner verontwaardiging ...

En ik zal voortgaan dit te doen, tot uw naam, en het gemis aan

denkbeelden dat gy vertegenwoordigt, den Volke zal wezen tot 'n

braakmiddel.

"Die brochure is excentriek ..."

Zoo noemt 'n pestwalm de stoommachine die een modderpoel leêgmaalt,

en hem komt storen in z'n verdelgingswerk.

Pestwalm? Ja. Want er is verrotting in den staat!

Op... op, gy weinigen, die nog niet geheel zyt verleugend!

Op, jongelieden die nog uw hart voelt kloppen voor het goede! Op

... op, gy die nog niet hebt verleerd te gloeien van verontwaardiging

by 't aanzien van het booze!

Op, vrouwen, die moeders zyt van 'n volgend geslacht dat schaamte

zal voelen over 't vorige!

Op, meisjes, die bestemd zyt moeders te worden!

Gy, jongelingen, gy vrouwen, gy meisjes ... ge zyt MENSCHEN.

Men zegt u dat ge 't niet zyt. Men behandelt u als-of ge 't niet

waart. Men dwingt u het niet te zyn ...

Maar ik zeg u: Ge zyt menschen. Op u rust menschenplicht!

Die plicht schryft voor: Streven naar waarheid.

En overal heerscht LEUGEN.

Op dan! Ten-stryde tegen den leugen! Op, ten-stryde! Op, ter

overwinning! Op, tot het byeenroepen, tot het ordenen, tot het wapenen

van de Derde party.

Ja ... en nu aan m'n Ideën.

Amsterdam, 25 Jan. 1862.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 116 / 125 题