IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.

»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een

oud-Oost-Indisch ambtenaar,--naar hij beweert, miskend, vervolgd en

tot aftreding gedwongen door zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar

of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in

onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt

verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der

godsdienst, van het geweten en de eer smoren,--dat zij de Javanen,

wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral

ook uit eigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de

knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig

laten vertrappen en uitzuigen in onzen naam, en gelijk het heet, tot

ons voordeel--dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland

van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,--en dat zij den

zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar

zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken,

verdacht maken, vervolgen, ontslaan.

Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de

schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen

werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders,

dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den

naam van "roofstaat" verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt,

waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te

bespoedigen zou zijn!

Maar is die beschuldiging gegrond?

Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch

aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den

»Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een

lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat een toon aan, die overreedt

niet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde

bijna niet kan doen twijfelen; hij deelt feiten mede, gelijk alleen

een ooggetuige, en een waarheidzoekend ooggetuige, ze mededeelen kan;

hij verklaart alles te kunnen bewijzen, hij duidt de schuldigen als

met den vinger aan [36] en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid

te overtuigen.

Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan

moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen." Een

zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het

nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar

bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt

tot vrees en tot werkeloosheid.

Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons,

vier lange maanden in de onzekerheid?

Oud-Gouverneurs-Generaal, Oud-Residenten, Oud-Assistent-Residenten,

gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen

af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli

werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht

op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt

voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem

voldoening te vragen [37] en gy, die hij, niet in 't voorbijgaan, maar

zonder ophouden, opzettelyk trof, gy, die hij kwetste op de plaats,

waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met

zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten

beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een

handschoen toegeworpen, openlijk voor 't oog der gansche natie, bij

het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het

strijdperk! Vier maanden [38] zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in

orde te brengen.--Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare

meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende

geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt,

stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons

gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven in onzen naam!

Tweede Kamer der Staten-Generaal! de handhaving van de eer der

natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in 't bezit zijn van de

waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan

den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen

is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën

met voeten getreden wordt!

Volk van Nederland. Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet

onverschillig in deze zaak. Het zijn uwe broeders, die niet tot uw

voordeel, maar tot uwe schande, zouden worden vertrapt en uitgezogen in

uwen naam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch,

of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat

er een einde kome aan die onzekerheid, waarin gij wordt gelaten. Het

is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank

te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept: «Gij zijt

ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal

onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te

laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt

voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten

blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning,

die het licht lief heeft, en de duisternis haat.

Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde: «Sire,

laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch

aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is

gebleven,--zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in

zijne eer [39] den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem

de misbruiken weg.»

Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af,

met gelijk wij te vragen om licht, dat ons in plaats van de vraag:

«Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten:

«Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met

Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»

In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze

volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping

te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik,

dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van

de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig

vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der

leden der Tweede Kamer, in dat boek zwaar beschuldigd, over dat boek

het woord gevoerd. [40]

De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en

Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen

feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN

EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED

ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde

zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche

bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister

van Koloniën te vergeefs aangewend middel om die ongerustheid en

die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij

straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in

dat werk sommige personen--en wel bij name een oud-landvoogd--zwaar

worden beschuldigd. [41]

Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer

van Twist, het woord opnam? Dat hij zich thans van de aanklagt

zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene

discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen

verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke

verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal--eene verklaring,

die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwel moet worden

afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit

't geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen

verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»

Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de

beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is het hunne zaak: wij

zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch

de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid

en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden

geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in 't

openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort,

dat ieder Nederlander, die de ongerustheid kan wegnemen, verplicht is

om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door

de verklaring: «dat uit 't geen de schrijver van dat boek gelieft te

zeggen, voor hem geene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?»

Wij betwijfelen het.

Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat

stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij,

«dat 't geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van

partijdigheid niet zou kunnen ontgaan.»

Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het

verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn

pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig

reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij

daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?

Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus

volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het

stilzwijgen, dat hunne eer en het geluk van Nederland in de waagschaal

stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en

(zoo zij ten minste--wat wij nog altijd hopen--onschuldig zijn) alles

bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen

van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig

houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde

toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening

(waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude,

volgens den ouden regel: ZWIJGEN IS TOESTEMMEN! [42] Laat hen dat

resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den

eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19de eeuw heeft nu eenmaal geen

behagen in de duisternis; zij begint met om licht te vragen; wordt

het geweigerd, dan eischt zij het en weet het te verschaffen.

Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel

van dezen spreker was, gelijk hij zeide, niet om de aangeklaagden

te verdedigen ('t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van

dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit

blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat er soms in Oost-Indië regt

wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook,

verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat er SOMS regt

geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te

stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de 18de

eeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen

geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord

van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli's klacht

gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwende

onregtvaardigheden kunnen gebeuren, ('t zij dan stelselmatig of

niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur

noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in

Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche

Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd

is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volk zonder onregt

kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil

hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.

Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze

woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo

schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven, op vele

onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat

ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen

indruk heeft gemaakt." Dit is eene Seitenhieb op «Max Havelaar» dien

wij betreuren, want de schrijver--al dwaalt hij welligt ook in zijne

voorstellingen--behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die

aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor

eene in hunne oogen goede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en

den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons,

en op allen die met ons uit den «Max Havelaar» stof tot ongerustheid

hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òf dom òf

slecht zijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.

Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den

scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van

onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft

ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of

zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn

vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wij zijn dom, onkundig,

lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons

uw licht te onthouden?...

Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd

verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder

uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk

te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam

kan worden!» [43]

Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning

schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. En

Multatuli zond hem z'n boek over de veilingen! Zou de Koning 't

gelezen hebben? Zeker!

Dan immers had hy gezegd: IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS! Ja, dan

zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond: DAT ALLES WAAR IS!

Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden, Tine! Tracht nog wat uit te

houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af,

als ze vragen ... o god!

Ik ben moe.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 57 / 125 题