Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik
kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. 't Zal niet altyd zoo
blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.
Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik 'n schryver
ben, en dat ik moet schryven voor den kost! Ze verwarren my met dien
Multatuli. Schryven voor den kost! 't Doet me denken aan Don Juan, die
zóó'n pleizier vond in het praten van dien armen Mr. Dimanche, dat hy
verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.
Ik heb geen Moliere meer ... ach Tine ... onze boeken! Weet ge nog wel
dat we eens boeken hadden, en 'n huis? En dat we menschen binnenriepen
die er geen hadden? 't Is toch zonderling ... nog dikwyls vraag ik
mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? 't Is heel dom
... ik lyk kleine Max wel, met z'n gekke vragen. Ik heb moeite om
niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En
meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen van Don Juan. 't Is heel
goed dat ik geen Moliere meer heb. Dan zou ik misschien naschryven,
en dit verveelt me zoo.
Don Juan is dik en vet als betaamt. Maar Dimanche is mager.
--M'n huisgezin is in nood, o edele Don Juan! Ge weet wat ik voor u
gedaan heb ...
--Goed gesproken, lieve Dimanche, ga zitten!
--Ik dank u voor 't zitten, heer Jan ... ik wenschte dat ge deze
rekening ...
--Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u 'n snuifjen aanbieden?
--Ik dank u voor 't snuiven. Don Juan ... maar zie deze rekening,
en ...
--Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeele Dimanche! Ik
benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!
--Ik dank u voor 't schryven, heer Ridder, doch m'n gezin lydt gebrek
... en om-uwentwil zouden wy ...
--Gebrek? ... Lyden ... Gebreklyden? ... O heerlyk schoon verbond van
diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet
zelf niet wat ik wil, maar 't doet er niets toe ... de uitdrukking
is prachtig! Doe my 't genoegen, en zeg dat nog eens.
--Wy lyden gebrek, o heer ..,
--Goddelyk! Wat 'n leven ... wat 'n gloed ... wat 'n vuur! Ik verhef
u tot m'n lyfdichter. Ga voort, welsprekende Dimanche!
--Ik dank u voor 't dichten, heer Grande ... ik meende dat gy ... om
godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik
kan niet betalen ... en nu zegt men dat ik oneerlyk ben ... terwyl
gy ... bedenk heer, Ridder, Jan, Juan, Grande ... hoe moet ik u
aanspreken om verstaan te worden? Don Juan ... o god ... wy sterven,
en men zegt dat ik ...
--Sterven? ... verheven denkbeeld! Maar 't is onjuist
... vriend Dimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren
tot onnauwkeurigheid. Sterven? Gy met uw talent van
voordracht? Sterven? Gy?... met zoo'n schrift? Onmogelyk,
Dimanche! Ziehier! Ik Don Juan ... ik schenk u ... neem aan!.. . wees
niet beschaamd ... ik ben 't schuldig ... ik schenk u, ex plenitudine
potestatis ... begrypt ge dat?
--Ach neen ... maar m'n rekening ...
--Ik schenk u de onsterfelykheid! Leporello, wilje m'nheer uitlaten?
Ik weet niet of 't precies zoo staat by Moliere, ook niet of Dimanche
nog tyd heeft om te antwoorden: "ik dank u, Don Juan ... Publiek, voor
uw onsterfelykheid!" maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd
weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen,
in plaats van 't verwachte brood om niet te sterven!
En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal
waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens? Moliere
schreef aardig, maar hy had te weinig données. Hy was 'n kind van
z'n tyd en z'n tyd was eenvoudig.
Ik schryven voor den kost ... voor geld? Onze Nonni is nu pas vier
jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!
Houd u staande, lieve Tine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven
dat ik een brief zond aan den minister? Hy is 'n welwillend mensch
... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den
nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy
ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren
we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig--zóó zyn
ministers en menschen--als men beterschap belooft, wordt men meestal
geholpen.--Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze
niet zoo'n leven maakten boven m'n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.
Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m'n
schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zou de Regeering
beterschap beloven ... en deze belofte valt zwaar aan wien 't niet
meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...
Er is nu 'n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd. [34] Hy wordt
geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of
van oppositie. Maar dit moet ge nu zoo begrypen, dat de behouders
opponeeren voor 't moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou
u dit kunnen uitleggen, maar 't is beneden uw aandacht. Wacht tot ik
m'n brief aan de kiezers afmaak. Als ge 't dan goed begrypt, zyt ge
niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd
wel wat gelykt op den "laatst-aangekomene" in een kleinstad. Elke
clique roept hem toe: "ge zult immers tot ons behooren? Laat u toch
volstrekt niet in met al 't canalje van die andere societeit! 't Is
hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A's en de B's en
de C's....
Al die initialen, samengevoegd, maken 'n kompleet adresboek van
de kleinstad.
Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die
niet schynen te behooren tot 'n politieke party, en toch eenigszins
achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de "nieuwaangekomene"
groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe 't komt, dat deze verdiensten
niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar
de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen--of
maar zeer onbeduidende--betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel
kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveel genie ... had
ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft
al die Amerika's ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die
gaven zoolang schuil te houden?
Hy is geweest: Griffier der Staten van Gelderland. Is 't niet jammer
dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van 't
ONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van de BELANGRYKSTE
BETREKKING IN DEN STAAT ... is 't niet jammer, vraag ik, dat die man
is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen
van de Geldersche Staten? Dat men dien man heeft belast met het
opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe was ik te goed,
lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.
Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping--en ik heb geen
andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zie
Göthe, in voce: "bescheidenheid") en voorts de algemeene reden die
't juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt--welnu als hy op de
hoogte van z'n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief
of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig
en eerbiedig op-te-schryven, wat hy zou gelieven te zeggen. Maar
... omgekeerd, is 't 'n gruwel.
En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard
spannen voor 'n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan
met paarden en karren, dan met menschen in Insulinde? Zoo schynt het,
waarachtig!
Maar, zeggen ze, hy is niet alleen griffier geweest. Hy is
concessionaris geweest van 'n spoorweg, die er niet geweest is,
en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van
den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe niet
geweest zyn.
De slotsom is, dat hy eigenlyk niets geweest is.
Ei, Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt
laat? Dit is niet huishoudelyk.
Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,
die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb
neiging tot sympathie voor den tegenwoordigen, al bleek het nooit. [35]
Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er
aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen
die niet lezen kunnen? Na 't boek van Multatuli heb ik eigenlyk niets
te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...
Ziehier wat de Tielsche Courant schreef ... had ik geen recht op
antwoord van de natie?