Lieve TINE, kent ge 'n familie Kappelman? Ik zit in 'n wespennest. Dit
komt van 't Baunscheidtismus, 'n nieuwe leer, die alles geneest door
prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot
is de verandering niet. Of 't genezen zal, weet ik niet, maar pyn
doet het wel.
Ik merk uit uw laatsten brief [23] dat ge weer geen geld hebt. Dit
is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voor geld? Hoe moet ik dat
doen? Ik weet waarachtig niet hoe men 't aanlegt. Als ik m'n portret
verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk
hebben, maar kan ik nu m'n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in
'n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware 't niet om woedend
te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? Want
Publiek is vuil en wreed ... maar de vuilte is 't ergst. Ik begryp heel
goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met
lood, terstond wegliepen toen Publieks voorvaderen begonnen te werpen
met andere ammunitie! [24] Hy is niet ontaard, die m'nheer Publiek,
dit moet men hem ter eere nazeggen.
Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar
als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde
Jakatraan.
Nog ben ik niet geheel verzoend met dien Multatuli, die my zoo
uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging 't hem aan? Had ikzelf
't gedaan in een oogenblik van... o lieve Tine, geld heb ik niet, maar
ik wil u heel gaarne 'n geschiedenis oververtellen van uitkleeden,
die ik vind in de noten van Mr. J. van Lennep, op zyn Eduard van
Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van
hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u
iets anders kan zenden. Daarin komt 'n vrouw voor die van uwe familie
is, geloof ik, schoon ge niet "opdrachtig" zyt van kleur. Ook zou zy
waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my--en dus
veel te tobben had gehad--in plaats van met dien Gelderschen hertog
die haar slechts verstiet.
»In zyn laatste jaren verwyderde Hertog Reinald II zich van zyne
gemalinne, die den meesten tyd te Rozendaal doorbracht, welk
huis door haar werd vergroot en merkelyk versierd, dus men haar,
hoewel verkeerd, de stichting daarvan heeft toegeschreven. Veel was
zy ook te Nymegen. Deze verwydering was lang de oorzaak van een
aandoenlyk en zonderling tooneel, dat niet lang voor 's Hertogs
dood voorviel. Eleonora was opdragtig en hoog van kleur, dus men
haar van melaatschheid beschuldigde, welke ziekte den Hertog tot een
voorwendsel verstrekte, zich van bed en tafel te scheiden. Op eenen
dag, dat Reinald met een luisterryk gezelschap te Nymegen aan tafel
zat, kwam Eleonora, geen ander gewaad aan hebbende dan een fyn zyden
hemd, en eenen mantel daar boven, aan elken hand eenen harer zonen,
Reinald en Edouard, houdende, de zaal binnentreden. Zy wierp op eens
den mantel af, en ontblootte het geheele bovenlyf; toen keerde zy
zich in het rond, en sprak, klaaglyk in tranen uitbarstende, tot den
Hertog en de omstanders [25]: »O myn lieve here nu bidde ick uch dat
yr van dem gebrechen ind van der kranckheit, die myr so wrevelich is
tzo gegeven, dat ick dae mit bevleckt sy, wilt vlyslich ansynen ind
ondersoichen; want ich byn as andere vrauen, ind hain gheyn gebrech van
der genaden godes in myne lyve. Siet hie syn ure tzwen soene starck
ind gesunt, als yr dye siet hier stain vur uren ougen. Ind der weren
mit der genade ind hulpe godes waill mere, wer idt sachen dat urent
halve gheyn hindernisse dae van gewest ware. By aventuren idt mach
noch die tzyt kommen, dat dat Geldresse volk sall beschryven unser
twyer scheydinge, so wanne sy syen werden dat sy gheynen lands heren
van unseren blode mere hauen.»--Van Berchem verhaalt, dat de Hertog en
's Lands Edelen van Eleonoraas zuiverheid overtuigd, schaamrood waren,
en vervuld werden van droefheid, maar hy voegt er by, dat de Hertog
na dat voorval niet lang leefde.»
Hierin had die hertog groot gelyk. Doodgaan was 't beste wat hy doen
kon, na 't verstooten van 'n vrouw die den moed had tot zoo verhevene
onkieschheid! Ja, ik begryp hoe er oogenblikken komen, waarin men allen
schroom ter-zyde zet, den mantel wegwerpt, het voorkleed wegscheurt,
en de borst ontblootende, uitroept: ziet-hier, gy allen, ziet en
schaamt u ... ziet hier, of ik melaatsch ben!
Ja, ik begryp die vrouw!
Zou MULTATULI gedacht hebben aan haar, toen-i my uitkleedde in dat
boek? Ach dan vergat hy dat Eleonora te doen had met "luisterryk
gezelschap"--met edel-lieden voorzeker!--en ik?
O Publiek, op den ouderdom van uwen stamboom heb ik geen
aanmerkingen! Ik erken dat gy lynrecht afstamt van de drie vrienden
die den armen Job sarden met hun onbeproefde deugd. Maar wat uwen
adel aangaat ...
Beste Tine, tracht u nog wat staande te houden. Ik heb gehoord dat er
'n nieuwe Gouverneur-Generaal benoemd is voor de Oost. 't Is toch te
erg dat gy niet zoudt eten, en de kinderen! Daarom ... zie wat ik van
daag schryf aan den Minister van Kolonien. Kan ik meer voor u doen,
dan me te willen verhuren als ambtenaar? En ... ge zult zien ... dat
zou me nog worden aangerekend als 'n gunst!
Excellentie!
"Ik verneem dat de benoeming van Gouverneur-Generaal van Indie geschied
is. Ik heb hierop gewacht om uwe Excellentie ...
Lieve Tine, wat is dat vervelend! Ge ziet wat ik uitsta voor u en
de kinderen!
. . , om uwe Excellentie, in verband met vroegere gesprekken te vragen,
of er thans geen gelegenheid bestaan zoude, op eene het Gouvernement en
my waardige wyze, gebruik te maken van myn denkbeelden in verband ...
Dat ik weer zeg: "in verband" is om den Minister in den waan te
brengen dat ik 'n officieelen styl schryf.
... in verband met de aanspraken die ik meen verworven te hebben door
veel lyden en in overeenstemming met de belangen van den Lande?
Van den Lande klinkt goed. Ik ben van plan dit woord intevoeren als
nominatief zelfs. "Den Lande" schuift ... ja, er is wat slepends in,
als-of er iets afgleed van 'n helling, niet waar?
... van den Lande?
Het zou myn streven zyn, den nieuwen Gouverneur-Generaal zooveel
mogelyk te vrywaren voor den belemmerenden slendergang van den Raad
van Indië, voor de afmattende kommiezery van de algemeene Secretarie,
en voor de ambtelyke leugens der residenten.
Kan ik meer zeggen? Zie, al kochten ze honderd Beo's die floten:
"daar is meer ryst dan er ryst is!" dan zou ik toch zoo vry wezen
die onmogelyke ryst natemeten!
"Om daarin te slagen evenwel, zoude ik by den nieuwen Landvoogd
moeten verzekerd zyn van eenige sympathie. Eensdeels wyl zònder dat
myn pogingen ydel zouden wezen. Ten andere omdat ik, onbeschermd,
weldra zou bezwyken onder de rankune der Indische ambtenary ...
Den Minister moet het zoo schynen. Hy weet niet dat ik niet bezwyken
kàn. Dit is myn zaak, onze zaak, Tine! En al wist hy 't, ik zou
't toch niet mooi van hem vinden, daarop te rekenen.
... ambtenary.
Excellentie, ik heb geweigerd myn pen te leenen aan de voorstanders van
den vryen arbeid, schoon die weigering my de ondersteuning ontroofde
van de personen die uit den vrywilligen arbeid hun fortuin wisten
te persen.
Aan den anderen kant heb ik geprotesteerd tegen de, buiten myn weten
gestelde, kandidatuur voor de Tweede Kamer, in November of December
1859, omdat ik bemerkte dat de Amsterdamsche behouders ...
Heel behoudend was 't niet, dit zult ge zien!
... dat de Amsterdamsche behouders van my en myn zaak 'n machine
de guerre wilden maken tegen het toenmalig ministerie, in hun
verstoordheid over de, later gevallen, spoorwegwet ...
Ja, toen werden de behouders weer behoudend, en daarom kostte dat
boek over de koffi vier gulden, dat 'n zeer onbehoudende uitgaaf is,
voor wie 't koopt.
... spoorwegwet.
Ik geloof aanspraak te mogen maken op eenige onderscheiding,
Excellentie! Myn geheel leven ligt daar, om te antwoorden op de vraag,
of die aanspraak ongegrond is? Ik sta geen systeem voor ...
Ze kunnen my niet gebruiken, Tine ... dat zult ge zien. "Geen systeem
dus ...
... ik stryd tegen misbruiken in alle systemen ...
Dat wil zeggen dat ieder tegen my is, die belang heeft by de
misbruiken.
Ik ben zeker dat ik nooit antwoord kryg.
Dit is myn geheele politiek, en ik geef Uwe Excellentie eerbiedig
dringende in overweging, my in-staat te stellen die politiek, gesteund
door een vasten wil, en eenige bekwaamheden die de Natie my wel wil
toekennen, op wettelyke wyze ten nutte van den Lande aan-te-wenden.
Ik heb de eer met ware hoogachting te zyn, enz.
Amsterdam, 25 Juni 1861.
Ziet ge, Tine, zóó heb ik geschreven. Zeg nu eens dat ik geen praktisch
mensch ben, en dat ik niet m'n best doe voor u en de kleinen!
Ambtenaar van 't Neerlands-Indisch Gouvernement! O God, ik
ambtenaar! Ik ril als ik denk aan de zeventien jaren die ik
ambtenaarde!
Maar wat is dat toch voor 'n familie Kappelman? Ik begryp er niets
van. 't Zal 'n mystifikatie wezen. Ik zou u 'n heel pak brieven
kunnen zenden, die ik van de familie ontving, maar ik laat het, om
de port. 't Schynt dat iemand in myn naam 't hof maakt aan allerlei
meisjes, en ze de hoofden op hol helpt. Ge weet dat ik nooit zoo-iets
doe. Men scheldt me vreeslyk uit, en dreigt my met Gods toorn, op de
wys van Hebreën zóóveel! Is dit niet heel onaangenaam! Ik denk dat het
'n complot is van de Jezuïten, die met de élektriciteit, de schuld
dragen van alles wat men niet begrypt. In een der brieven staat,
dat men myn korrespondentie heeft ontdekt met 'n meisje, of met
meisjes ... gekheid! Ik korrespondeer met niemand dan met u ... en
den minister, zooals ge gezien hebt. Ik vermoei me vruchteloos met
zoeken naar den draad van die intrigue. 't Zal waarschynlyk ten-doel
hebben my te diskrediteeren, en Publiek 'n voorwendsel te bezorgen om
my te minachten, als 'n onpraktisch mensch. Lieve hemel, den heelen
dag zit ik te tobben over de vraag hoe ik u en de kinderen in 't
leven zal houden ... hoe ik u 'n woning zal bezorgen die wat minder
ongezond is ... hoe ik 't moet aanleggen om 't huis te komen, zonder
't aantezien dat gy gebrek lydt ... en daar gaan ze nu vertellen dat
ik brieven schryf aan meisjes! Ik zal er 'n politiezaak van maken,
als 't niet ophoudt.
Ik heb 'n Staatsblad geleend en daarin studeer ik vlytig.
Ook heb ik eens nagezien, hoelang ik daar-ginds zou moeten meeloopen
om pensioen te krygen. Dat zou prettig wezen, Tine! Verbeeld u eens dat
er zekerheid was, onzen kinderen áltyd het noodige te kunnen geven! Ik
heb er onlangs den minister over gesproken, maar 't kan niet, omdat
ik uit walging m'n eervol ontslag heb genomen, en niet infaam ben
weggejaagd. We moeten dus geduld hebben, Tine! Nu, dit hebt ge!
Ik ben nog in verbystering over al die Kappelmannen. Begrypt gy er
iets van?