VAN FANCY AAN TINE.

Sj ... sj ... sj ... t!

Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. 't

Is maar 'n man, hy die altyd roept: ze is maar 'n meisje! Ik zou niet

zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem 'n

geschiedenis voortejokken, mooier dan van SAARTJE BURGERHART ... die

de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ... SAARTJE was ik,

dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen,

omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men

de elektriciteit nog niet "in 'n lystje gezet." Ge ziet ik neem

m'n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen

laatsten--verraderlyken!--brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!

Toen ik by de juffrouwen WOLF en DEKEN in de Beemster logeerde, waren

de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér domme Max. Maar láát hem

zoo! 't Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy

me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat

z'n brieven worden begrepen ook door de meisjes die niet in de wolken

wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge

't nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening,

geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...

Neen! Dit zou ik NIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak,

edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke

moeder ... heldin!

Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de

laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door 't vóórhouden eener

schildery van uw rein leven, dat het u zy als 'n spiegel van gelukkiger

toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tot hem, U zeg ik,

dat gy onsterfelyk zyt!

En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in 't

geheim, uit edele gierigheid op smart--menschen die zóó liefhebben,

moeten lyden, deed ik hem zeggen--o, toch zal ik beletten, dat uw

kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal

ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt,

wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven,

maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!

Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen

geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den

dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.

Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het de

ziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond

saemtrekken tot den glimlach, dien hy noodig heeft om niet te bezwyken,

hy die wil dat ge de pyn niet voelt, die ge zegt niet te gevoelen.

Houd moed, myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo als uw kinderen

dat zyn, wanneer ze staren op u! Ben ik u minder dan gy hun? Weten

ze niet dat gy waakt? En weet GY niet dat ik waak ... ik, Fancy?

Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?

Wees met de kleinen gegroet ...

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 29 / 125 题