Bos. De Boekhouder. Mathilde.
BOS (driftig op en neer loopend). ... Wat suf jij nou? – Ben je te lui
om ’n pen op papier te zette, vandaag?... ’k Vraag je geen antwoord!
Heb-je ’t Weduwen en Weezenfonds bij de hand? – Nou!
DE BOEKHOUDER (op de brandkast toeschuifelend). ’t Bovenste loket is
nog op slot. (Bos smijt hem de sleutels toe). O, dank u (opent de kast,
schuifelt met het boek naar Bos’ bureau). Asjeblief, meneer.
BOS. ... Vijf en negentig weduwe – veertien ouwe zeelui en visschers...
DE BOEKHOUDER. Ja, ’t fonds komt al lang te kort. – Maar weer is ’n
advertentietje plaatse...
MATHILDE. – Clémens, wat ’n ongeluk! De burgemeestersvrouw vraagt of
je niet effen binnen kan kom me – ze zit gewoon te huile.
BOS. Nee! Gehuil genoeg hier. En geen tijd!
MATHILDE. Ach! Ach! – Kaps, hier is de copy voor de circulaire. –
Spoed, hoor!...
BOS. Mathilde! – Praat ’r met mevrouw is over – om ’n oproeping te doen
voor de verongelukten.
MATHILDE. Ja maar, Clémens – is dat niet te veel – twéé bedelpartijen?
BOS. Laat mijn ’t dan maar... (af).