De vorigen. Twee veldwachters.
EERSTE VELDWACHTER (door linksche deur, gemoedelijk). Schipper Hengst
het de waterschout verzocht... Asjeblief, ventje, we hebbe geen tijd te
verlieze.
BAREND (uitgillend). Ik ga niet mee! – Ik wil niet mee! – ’t Schip is
ròt...
TWEEDE VELDWACHTER (glimlachend-gemoedelijk). ... Dan had je niet motte
monstere, bange Barendje. – Mot ’r geweld gebruikt worde?... Kom nou,
mannetje (klopt hem goedig op den schouder).
BAREND. Raak me niet an! Raak me niet an!... (klemt zich desperaat aan
deurpost en bedstee).
TWEEDE VELDWACHTER. Motte de boeie angelegd worde, jongen?
BAREND (kermend). Help me dan moeder!... Je ziet me niet terug! Ik
verzuip! Ik verzuip in die smerige, stinkende zee!...
EERSTE VELDWACHTER (knorrig). Kom, kom! – Laat de deurpost los! (vat
zijn pols)
BAREND (zich heftiger vastklemmend). Nee!... (krijschend) Snij me
handen af!... O God, o God, o God!... (kruipt in ontzetting tegen den
wand op)
KNIERTJE (bijna schreiend). Nou!... De jongen is bàng...
EERSTE VELDWACHTER. Zèg ’m dan dat ie los laat!
KNIERTJE (huilend, Barend’s handen vattend). Toe nou, jongen – toe nou
– Gód zal je niet verlate...
BAREND (laat kermend den deurpost tot, snikt wanhopig)... Je ziet me
niemeer, nóóit meer...
EERSTE VELDWACHTER. ... Vooruit...