Daarover lag een blaadje papier. Met stijgende verbazing las hij de
volgende woorden:
„Mijnheer! Daar gij den verwachten handschoen slechts kondt
bemachtigen door de afkeurenswaardige daad van een verleider, die
van den geldnood van een armen duivel in zijn eigen belang gebruik
maakte, ben ik zoo vrij geweest het onrecht, dat gij onbewust hebt
gepleegd, weer goed te maken.