„Maar beste Edward, op deze manier neem jij de schuld op je en jij hebt
den handschoen toch niet gestolen.”
„Wat hindert dat, wanneer ik je beschermeling redden en voor een
strenge straf zal bewaren, moet ik dat wel doen.”
„Jij bent inderdaad een voortreffelijk mensch, Edward. Altijd gereed om
de armen en onderdrukten te helpen.”
Lord Lister had den brief dicht gevouwen en overhandigde hem nu aan
Charly, die hem bij het pakket voegde.
Daarop antwoordde hij:
„Je weet, Charly, dat ik het mij tot een levenstaak heb gesteld, al
diegenen te helpen, die stiefkinderen zijn van het geluk, tegen
dezulken, die zich ten koste van de armoede hebben verrijkt. Er heeft
zich gisteren een prachtige gelegenheid daartoe voorgedaan.
„Zeer zeker is het deze keer wel een arm mensch, doch tevens een man
uit de beste kringen, dien ik moet helpen.”
Raffles vertelde nu aan zijn vriend hetgeen er was voorgevallen in de
kleedkamer van de zangeres en wat er daarna was geschied.
Toen Lord Lister met den jongen Lord Clowdon den vorigen avond het
theater had verlaten, had hij eerst getracht diens opgewondenheid te
kalmeeren.
Aanvankelijk gelukte hem dit niet, want de zenuwen van den jongen man
waren te zeer geschokt. John Raffles stelde daarom voor een wandeling
in de koele nachtlucht te maken.
Lord Clowdon was geheel willoos en deed gaarne, wat zijn geleider hem
voorstelde. Zoo reden beide heeren in een huurrijtuig naar het Hyde
Park.
Hoewel Lord Clowdon eerst een gloeienden naijver gevoelde jegens den
jongen man, die hem als graaf Armani was voorgesteld, wist deze toch
spoedig het vertrouwen van den jongen Lord te winnen.
De Lord openbaarde hem zijn hartsgeheimen, zoodat Raffles diens geheele
levensgeschiedenis te weten kwam.
Lord Clowdon had bijna zijn geheele, tamelijk aanzienlijk vermogen
opgeofferd aan de grillige luimen van de sirene en zag zich nu volkomen
geruïneerd.
Bracht dit feit alleen hem reeds tot wanhoop, de wetenschap, dat die
vrouw hem, nu hij bijna geheel ten gronde was gericht, verlaten, en van
zich afstooten wilde, maakte hem geheel radeloos.
Zoo was hij dus bijna moordenaar en zelfmoordenaar geworden.
Op zijn kalme, overtuigende, geen tegenspraak duldende wijze zette
Raffles den jongen Lord het dwaze van zijn handelwijze uiteen. Hij
maakte hem duidelijk, dat die vrouw slechts een kokette was, zonder
hart of dieper gevoel.
De ernstige woorden misten hunne uitwerking niet en spoedig was de
jonge Lord een beetje gekalmeerd.
Thans kon Raffles een stapje verder gaan. Hij vertelde den jongen man
dat hij reeds door Levison omtrent zijn lot was ingelicht en dat hij de
kennismaking met de diva alleen gezocht had, om hem, zoo mogelijk, uit
hare netten te bevrijden.
Raffles had overtuigend gesproken, en Lord Clowdon voelde, dat diens
woorden onbaatzuchtig waren.
Innig dankbaar drukte hij sprakeloos de hand van den nieuwen vriend.
Toen de groote onbekende den jongen Lord bovendien de verzekering gaf,
dat hij alles in het werk zou stellen om hem tenminste een deel van
zijn vermogen terug te bezorgen, had deze hem met ongeloovigen blik
aangekeken.
„Mijn beste graaf, ik ben ervan overtuigd, dat ware vriendschap veel
vermag. Hoe gij dat echter wilt aanleggen is mij een raadsel.”
„Laat mij maar begaan, waarde Lord. Ik geef u mijn eerewoord, dat gij
binnen twee dagen weer in het bezit zult zijn van een groot deel van uw
vermogen. Op welke manier, moet gij voorloopig aan mij overlaten.
„Wilt gij mij uw vertrouwen schenken en mij belooven dat gij den
onzaligen hartstocht voor die vrouw uit uw hart zult verbannen?”
John Raffles stak den jongen Lord zijn rechterhand toe.
Deze greep toe en sprak met vastberaden stem:
„Dat wil ik!”
Zoo gingen de beide heeren van elkander, en Lord Clowdon keerde naar
huis terug in het opwekkende bewustzijn, een onbaatzuchtig vriend te
hebben gevonden.
Toen Lord Lister zijn verhaal had geëindigd, vroeg Charly hem:
„Hoe denk je den Lord dan weer aan zijn vermogen te helpen?”
„Dat zal ook voor jou voorloopig een geheim blijven, mijn waarde
Charly.
„In elk geval moet Lord Clowdon geholpen worden, en die vrouw moet
terdege gestraft worden.
„Ik zal nog vanmorgen vroeg naar de schoone slang rijden, om naar haar
toestand te informeeren. Zij moet denken, dat zij mij geheel heeft
ingepalmd,” zei Raffles glimlachend.
Daarop ging hij voort, terwijl hij een sigaret aanstak en gemakkelijk
in zijn stoel achterover leunde.
„Ik zal ook beproeven, haar over te halen, het avontuur van gisteren
niet tot reclame aan te wenden. Dit soort dames pleegt uit alles munt
te slaan.
„Ik zou niet graag willen, dat de naam van den Lord, al is hij dan ook
slechts aan ingewijden bekend, door het slijk werd gehaald.”
Op dit oogenblik trad de kellner de kamer binnen en berichtte, dat
meneer Levison de heeren wenschte te spreken.
„Laat maar binnen komen,” zei Lister en wendde zich daarop tot Charly
met de woorden:
„Nu zullen we spoedig weten, hoe het met het schoone zoogdier gaat,
want deze smachtende minnaar is bepaald al bij zijn liefje geweest!”
De deur ging open en onhoorbaar als steeds trad de handelaar in
antiquiteiten de kamer binnen.
„Goeden morgen, mijne heeren. Goed gerust, goed geslapen?”
Hij drukte de beide vrienden stevig de hand, legde zijn grijzen hoed op
tafel en liet zich ongegeneerd in een stoel vallen.
Terwijl hij een zijden zakdoek uit den zak trok en zich het zweet van
zijn gelaat veegde zei hij met een gewichtig gezicht:
„Gij hebt het gemakkelijk, heeren. Gij zit hier rustig in de kamer en
ik moet door de heele stad rennen.”
„Wat hadt gij dan al voor gewichtigs te doen?”
„Nu, ik was bij mijn „schatje”, zij is heel goed en laat u groeten.
„Doch daarover later; eerst zaken.
„Meneer de graaf, gij hebt mij verteld, dat gij van oudheden houdt. Gij
weet, dat ik voor een zakenvriend voor veel geld een antiek voorwerp
heb gekocht.”
Lord Lister kon niet nalaten even te glimlachen. Hij wist precies, wat
het voor een voorwerp was, dat hij gekocht had, en wist ook het bedrag,
dat deze gauwdief aan den armen bewaker had betaald, om hem tot die
misdaad over te halen.
Charly kleurde, toen Levison over het antieke voorwerp begon te
spreken.
Tijdens het verhaal van zijn vriend was hij bezig geweest den
handschoen in een kistje te verpakken en voor de verzending per post
gereed te maken.
Op het oogenblik, dat de kellner het bezoek van Levison aankondigde,
dacht hij niet aan den inhoud van het bewuste pakje en liet het op
tafel liggen.
En nu zat Levison er en had zijn hoed vlak naast de gereedgemaakte
zending gelegd, zoodat het onmogelijk was, haar van tafel weg te nemen,
zonder de aandacht van dien man op te wekken.
„Ik heb aan mijn zakenvriend, meneer Dickson, verteld, dat meneer de
graaf een vriend van mij en kenner van oudheden is.
„Nu geeft deze morgenavond een kleine soiree. Daar komen kennissen en
vrienden, en ook mooie jongedames,” voegde hij er knipoogend aan toe.
„En nu heeft meneer Dickson mij opgedragen, eerst eens te vragen, of
meneer de graaf ons de hooge eer zou willen bewijzen, het feestje met
zijne tegenwoordigheid op te luisteren.
„Wanneer gij „ja” zegt, meneer de graaf, zal hij het genoegen hebben u
nog persoonlijk te komen inviteeren. Gij kunt gerust komen, meneer de
graaf. Het is een net gezelschap, ik behoor er ook toe.”
„Goed, beste Levison,” zei Raffles lachend, „wanneer ik officieel word
uitgenoodigd.”
„Ik dank u zeer voor de hooge eer, meneer de graaf. Zal uw vriend ook
meekomen?”
Op een wenk van Edward boog Charly toestemmend.
„Dan zal ik voortmaken om meneer Dickson de aangename tijding te
brengen. Zooals ik u zeg, heeren, gij zult u amuseeren. Kom vooral op
tijd. Voor het souper wordt het zeldzame voorwerp, dat ik gekocht heb,
onthuld.
„Het is namelijk een gril van Dickson steeds van die kleine
onthullingsfeesten aan te richten.
„Wat ik overigens nog zeggen wou. Mijn „schatje” voelt zich gezond en
wel. Het schrammetje is al bijna genezen. Natuurlijk zal zij vanavond
niet optreden; uit een practisch oogpunt. Het is een flink meisje. Ik
verzeker u, dat zij haar beroep verstaat!
„Hebt u de nieuwste courant al gelezen?”
Levison haalde een exemplaar van de „Times” uit zijn zak en reikte haar
aan Raffles over.
Boven een lang bericht stond met groote letters: „Moordaanslag op Anna
Fleuron.”
Lord Listers trekken waren onder het lezen ernstig geworden.
Het was dus al te laat; hij kon niet meer verhinderen, dat zijn nieuwe
jonge vriend door de openbare meening werd veroordeeld.
Dadelijk kwam hij tot de conclusie, dat Lord Clowdon Londen moest
verlaten. De middelen daartoe moesten hem, hoe dan ook, zoo spoedig
mogelijk worden verschaft.
„Nu, wat zegt gij ervan? Is dat geen practisch meisje? Uit het
schrammetje slaat zij een reclame die 10,000 pond sterling waard is.”
„Ja, inderdaad, zeer practisch,” bevestigde Lister ironisch en gaf
daarna de courant aan Levison terug.
Deze stak haar weer in den zak, en, op zijn horloge kijkend, zei hij:
„Ik moet voortmaken en nog gauw naar de post om een telegram te
verzenden.
„Meneer Dickson zal dus het genoegen hebben, u nog persoonlijk uit te
noodigen.”
Snel pakte Levison zijn hoed, doch maakte daarbij eene onhandige
beweging, waardoor het pakket, dat den kostbaren schat bevatte, van de
tafel werd geworpen.
Het viel juist voor zijn voeten neer.
Charly schrok zoodanig, dat hij bij zijn poging om het voorwerp op te
rapen en het adres voor Levison te verbergen een stoel omver gooide.
Raffles stond met gekruiste armen bij zijn schrijftafel. Hij had den
toestand direct overzien en kon een fijn glimlachje niet onderdrukken.
Levison mompelde een verontschuldiging en had het pakje opgeraapt. Zijn
blik viel op het adres:
Aan
den Heer Burgemeester
te St. Rire b. Rouaan (Noord-Frankrijk).
Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter. Met open mond staarde hij
Raffles aan en haperend kwam het van zijn lippen.
„St. Rire?”
Met een vroolijk lachje keek Raffles naar den man, op wiens gelaat
verbazing, schuldbesef en vrees te lezen stonden.
„Ja, juist, St. Rire. Dat is een klein dorpje in Normandië. Kent gij
het?”
„Neen, volstrekt niet,” stotterde Levison verlegen.
„Zoo, dat dacht ik anders. Op onze reis door Frankrijk waren wij
ongeveer vier weken geleden ook in dat dorpje dichtbij Rouaan.”
Een zucht van verlichting kwam van Levisons lippen, toen hij hoorde,
dat de heeren voor vier weken daar waren geweest.
Hij bedacht, dat zij dan onmogelijk iets konden weten van den diefstal,
die drie dagen geleden was gepleegd.
„Wij hebben toen kennis gemaakt met den burgemeester. Ik verzeker u,
een alleraardigst mensch, die veel doet voor den vooruitgang van zijn
gemeente. Hij stelt bijzonder veel belang in de geschiedenis van
Italië. Ik beloofde hem, dat ik hem eenige boeken over dat onderwerp
zou zenden.
„Nu had ik dat schandelijk vergeten, toen mij gisteren toevallig bij
een antiquair een boek over de geschiedenis van Italië in handen kwam.
Ik moet natuurlijk mijn woord houden en dien heer het beloofde zenden.
„Maar ik heb niet eens den naam van den burgemeester onthouden en moet
het daarom eenvoudig „aan den burgemeester” adresseeren. Ik hoop, dat
het zoo terecht komt.”
Levisons gelaat had weer de gewone uitdrukking teruggekregen.
Door deze verklaring zag hij in, dat zijn angst volkomen overbodig was
geweest.
Alsof hij plotseling op een gedachte kwam, sprak Raffles:
„Beste Levison, zeidet gij zooeven niet, dat gij op het
hulptelegraafkantoor moet zijn?”
Deze knikte toestemmend.
„Dan zoudt gij mij een grooten dienst kunnen bewijzen. Ik zou dit pakje
graag zoo gauw mogelijk willen verzenden. Op de bedienden van het hotel
valt niet altijd te rekenen. Zoudt gij niet zoo vriendelijk willen
zijn, het voor mij te bezorgen? Gij zoudt er mij een groot genoegen mee
doen.”
„Heer graaf, het is een groote eer voor mij, als ik u een genoegen kan
doen.”
„Dan reeds bij voorbaat mijn dank.”
John Raffles gaf hem een hand en Levison schudde deze herhaaldelijk.
Met veel buigingen nam hij daarna afscheid, het pakje zorgvuldig onder
den arm dragend.
Toen de deur zich achter Levison had gesloten, lachte de Groote
Onbekende luidkeels.
Charly echter sprak op wanhopigen toon:
„Maar, Edward, wat heb je nu gedaan? Mijn hart stond bijna stil, toen
Levison het pakje in zijn hand hield en nu geef jij het hem mee!”
„Wees niet bezorgd, mijn beste jongen. Ik verzeker je, dat het pakje
niet beter bezorgd zou kunnen worden, zelfs al brachten wij het zelf
naar het postkantoor. Dat die gauwdief nu gedwongen is om zijn eigen
roof te verzenden, is in elk geval al een rechtvaardige straf.”
Lachend leunde Raffles in zijn stoel achterover en stak een nieuwe
sigaret aan.