E.

Edelvolk, beroepsdieven. (Zie nobele).

Eegit, 1. Eegit jantje (1 jaar).

Eens, achterdocht, vermoeden. De grandigers (politie) hebben eens

op je.

Eesche, huismoeder, echtgenoote.

Ei, Die werkt met een ei. (Hij heeft altijd geld, maar hoe hij er

aan komt, is een raadsel).

Emmer, scheldnaam voor hoer.

Emmes, (zie Immes) goed. Een emmese lik (een deugdelijke gevangenis).

Engelschman, Engelsche sleutel. (Zie Kienen).

Engerd, vervelende vent.

Ertje, electrische schel.

Ezeltje, lessenaar. Loopend ezeltje (beweegbare lessenaar). Staand

ezeltje (vaste lessenaar).

Ezeltje, winkellade. Hij heeft een ezeltje gepiept (een lade

gelicht). Het ezeltje springt (de lade springt los).

Ezeltje, foulard, das. Een zijden ezeltje (een zijden das).

Ezeltjesdrijver, ladenlichter.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 7 / 32 题