Edelvolk, beroepsdieven. (Zie nobele).
Eegit, 1. Eegit jantje (1 jaar).
Eens, achterdocht, vermoeden. De grandigers (politie) hebben eens
op je.
Eesche, huismoeder, echtgenoote.
Ei, Die werkt met een ei. (Hij heeft altijd geld, maar hoe hij er
aan komt, is een raadsel).
Emmer, scheldnaam voor hoer.
Emmes, (zie Immes) goed. Een emmese lik (een deugdelijke gevangenis).
Engelschman, Engelsche sleutel. (Zie Kienen).
Engerd, vervelende vent.
Ertje, electrische schel.
Ezeltje, lessenaar. Loopend ezeltje (beweegbare lessenaar). Staand
ezeltje (vaste lessenaar).
Ezeltje, winkellade. Hij heeft een ezeltje gepiept (een lade
gelicht). Het ezeltje springt (de lade springt los).
Ezeltje, foulard, das. Een zijden ezeltje (een zijden das).
Ezeltjesdrijver, ladenlichter.