G.

[17] De eerste godsdienstwijsgeer, naar ik meen, die de groote

beteekenis der dichtende verbeelding voor de totstandkoming van

godsdienstige geloofsvoorstellingen heeft aangetoond was Rauwenhoff in

zijn _Wijsbegeerte van den godsdienst_ (blz. 611-675). Juist op dat punt

is hij zeer bestreden en misverstaan. De verklaarbare vrees, dat daarbij

het waarheidsgehalte onzer godsdienstige overtuigingen en hun recht voor

het denken in twijfel getrokken, zoo niet ontkend werd, beheerschte een

goed deel der critiek. Wanneer men echter tweeërlei in ’t oog houdt, is

dit misverstand te vermijden. Vooreerst is de fantasie waarvan hier

sprake is, nooit gelijk te stellen met willekeurige inbeelding. Zij is

een bepaalde vorm van denken, die niet naast of buiten ons weten staat,

maar waarin al onze kennis is opgenomen. In plaats van den vijand der

wetenschap, is zij meestal haar voorgangster en wegwijsster. Geen

wetenschap die niet aan haar invloed den prikkel ontleent om verder te

komen en door haar zich telkens de richting van onderzoek en denken ziet

aangewezen. Van ’t Hoff heeft dat dan ook in zijn beroemde rede over de

fantasie zelfs voor de natuurwetenschappen erkend. Ten andere bedenke

men, dat deze fantasie de bron kan zijn van waarheid niet alleen, maar

juist van de hoogste waarheden, die èn voor het louter redelijk denken

èn voor het overtuigingsleven des gemoeds bereikbaar zijn. Het hoogste

wat wij dragen in geest en gemoed, waaraan te twijfelen

zelfvertwijfeling zou wezen, hebben wij aan deze heerlijke gave te

danken.

Godsdienst en godsdiensten · 第 32 / 83 题