G.

[12] _Karl von Hase_: Annalen meines Lebens 1891 S. 13.

In extenso luidt de plaats aldus: „Sinds korten tijd heb ik bij mijzelf

nagegaan hoe het toch met mijn vroomheid gesteld was. Dat ik mijn leven

niet zou kunnen wijden aan eenige zaak die mij niet zeer lief was, dat

spreekt voor mij van zelf. Wanneer ik nu de christelijke vroomheid in

haar eigenaardig historisch karakter opvat als het uitsluitend zoeken

van het Eeuwige en Oneindige, een bovenaardsch verlangen waarvoor het

aardsche leven slechts een pelgrimstocht is naar den hemel, dan begrijp

ik zulk een stemming zeer wel en weet haar ook te eerbiedigen, gelijk

alles waarbij _eén_ ding zoo krachtig mogelijk wordt begeerd en boven

alles bemind; maar in mijzelf is toch ook een stuk heidendom, dat de

wereld liefheeft, opgaat in haar schoonheid en haar smart, en dat niet

gelijk de vromen gewoonlijk doen, half met een kwaad geweten, maar

zonder berouw, ten volle bewust en bezonnen, omdat ik het

tegenovergestelde voor een eenzijdigheid houd, hoe verheven zij dan ook

vaak geweest moge zijn. Was ik eertijds in Athene geboren, stellig had

ik mij aangesloten bij een Themistocles en een Alcibiades; in den tijd

der apostelen zou ik, hoop ik, ook niet gevreesd hebben om het

martelaarschap op mij te nemen; maar in onzen tijd meen ik kan slechts

een vereeniging van den oud-Griekschen met den Christelijken zin tot

levensschoonheid en harmonie voeren.”

Godsdienst en godsdiensten · 第 27 / 83 题