Z.

[11] Voor de meeste lezers zal deze korte verklaring van Ziegler’s

instemming met Schleiermacher’s leer van het volstrekte

afhankelijkheidsgevoel als grondslag voor de religie voldoende zijn.

Voor wie dieper in de hoofdvraag der godsdienstpsychologie door wil

dringen, voeg ik hier een paar opmerkingen aan toe.

Men kan Schleiermacher’s beschouwing vinden in zijn Chr. Glaube § 4. 4.

Bij nauwkeurige vergelijking ontdekt men spoedig dat Ziegler veel meer

dan Schl. bij dat afhankelijkheidsgevoel aan gevoel van eindigheid

tegenover het oneindige denkt. Mij komt het voor dat dit laatste wel

een bestanddeel is van ontwikkeld religieus gemoedsleven, maar geenszins

het eerste en oorspronkelijk religieuze in den mensch. Daarbij bedenke

men dat noch afhankelijkheids- noch eindigheidsgevoel op zichzelf reeds

religieus zijn. Zij worden dat eerst bij den religieuzen mensch. Nu

wordt een niet-godsdienstig gevoel niet godsdienstig alleen door toename

in sterkte en diepte, dus ook niet wanneer het van betrekkelijk

volstrekt (slechthinnig) wordt. Gevoel van absolute nietigheid,

eindigheid en afhankelijkheid kan ook nog irreligieus zijn. Juist op

datgene wat alle analoge, nog niet-godsdienstige gemoedsaandoeningen

omstemt, opheft tot andersoortige, schoon verwante aandoeningen, dus op

het specifieke religieuze komt het aan. De jongste godsdienstpsychologie

komt dan ook tot het inzicht, dat al het religieuze voortkomt uit en

behoort tot een eigen gebied van ons gevoelsleven, als men wil, een

bijzonderen religieuzen zielsaanleg van den mensch. De fijnere ontleding

daarvan, het dieper onderzoek van zijn invloed op heel ons geestesleven,

is een taak waaraan wij pas zijn begonnen.

Godsdienst en godsdiensten · 第 26 / 83 题