G.

[2] De godsdienstwijsbegeerte heeft in de periode die vlak achter ons

ligt, zich te veel overgegeven aan de illusie, dat de geschiedenis van

den godsdienst met haar nieuw en rijk onderzoekingsgebied de bronnen zou

ontsluiten voor de wijsgeerige kennis omtrent wezen en oorsprong der

religie. Vandaar dat in Duitschland een denker als Pfleiderer zijn

Religionsphilosophie in den 3en druk historisch omwerkte, en ten onzent

Tiele in zijn _Inleiding tot de godsdienstwetenschap_ meende op vasten

bodem te staan en veel verder te komen dan bijv. Rauwenhoff in zijn

Wijsbegeerte van den godsdienst. Men ging een „phaenomenologie” van den

godsdienst opstellen, veralgemeende eenige, vaak willekeurig gegrepen

verschijnselen en meende daarmede voor de psychologie te kunnen

volstaan. Mij is het altijd voorgekomen, dat de historische berg op deze

wijze een wijsgeerige muis baarde, vlg. mijn _De Theologie en hare

Wijsbegeerte_ blz. 72-78, _De Theologie der Universiteit en hare

wijsgeerige vakken_, blz. 23-24. Men kan dit erkennen zonder te kort te

doen aan de waarde der godsdienstgeschiedenis op zichzelve en voor alle

andere theologische wetenschappen, ook de wijsgeerige. Psychologen als

Ziegler zien thans veel juister in hoe wij tot het inzicht in het wezen

en den oorsprong der religie als zielkundig verschijnsel moeten komen.

James' _Varieties of religious experience_, ook in het Hollandsch

vertaald, sloeg reeds een beteren weg in, maar kwam slechts halverwege.

Een der beste nieuwere studies is R. Otto, _Das Heilige_, waarvan ik

schreef in mijn _Het heilige_ in het Nieuw Theologisch Tijdschrift 1917.

Godsdienst en godsdiensten · 第 17 / 83 题