"Wij zijn geen gewone menschen, Egmond".
Goethe.
Woedend ging het roodgemutste graauw te keer in de zalen van het
parlementsgebouw; maar de jongeling, klein, tenger, met holle,
bleeke trekken en ravenzwarte haren, in de uniform eens luitenants
van het leger der Conventie, staart lijdelijk dit somber tooneel aan;
lijdelijk, zeiden wij, doch niet zonder dat zijne tanden op elkander
knarsen, lijdelijk, logen wij eigenlijk, immers niet zonder dat zijne
vuisten zich ronden, zijn oogen flonkeren: een kanonschot, mompelt
hij, en ik hadde dit gespuis weggevaagd, één kanonschot slechts,
ik zwere het, of mijn naam is geen Napoleon Bonaparte--dus fluistert
hij, haalt de schouders op en vertrekt, peinzende, als een rijtuig in
volle vaart den hoek omslaande, hem welhaast overreden had. Een knaap,
in lompen gehuld, ons niet onbekend, schiet toe en slaagt er in hem te
redden; een historisch oogenblik: hadden beiden het slechts bevroed,
hadde één hunner het slechts kunnen gissen, welke onafzienbare stoet
van gebeurtenissen hadden zich voor zijne oogen ontrold, die nimmer
hadden plaats gevonden, indien de knaap te spa gekomen ware! --
18 Brumaire hadde nimmer geslagen, de naam van Napoleon hadde nimmer
de wereld doen trillen van schrik en ontzag; Ulm, Marengo, Austerlitz
en Jena, maar ook Leipzig, maar ook Elba, maar evenzeer Waterloo, maar
zelfs St. Helena, welk ijdele klanken in de ooren des onverschilligen
nageslachts; waar ware uw roem, gij Blücher, gij Wellington, gij Prins
van Oranje, waar de uwe, Metternich? Uwe toekomstige Keizerstroon
wankelde in die hachelijke stonde, gij spilzieke Josephine, en gij,
bovenal, hartelooze Maria Louisa! En gij, gij rampspoedig arendsjong,
waar waart gij?...
Het was, als deed een profetisch voorgevoel Napoleon gevoelen welk
een pleit in die ettelijke seconden, door een schijnbaar bloot toeval,
werd beslist. Hij tastte in zijne beurs en ontnam daaraan het laatste
frankstuk! "Daar gaat gij, mijn noenmaal!" prevelde hij somber,
edoch vervolgde overluid:
"Gij reddet mij, knaap! Ziehier."
"Dank voor uw geld, burger," klonk het fier.
"Ha, die knaap bevalt mij," mompelde Napoleon. "Hoe heet gij, knaap?"
"Hendrik Jan, burger."
"Hendrik Jan, hier is mijne snuifdoos. Mocht ge ooit in gevaar komen,
en Napoleon Bonaparte kan u van dienst zijn, presenteer hem dan een
snuifje uit deze doos. Goed onthouden hoor: Napoleon Bonaparte."
"Eén vraag nog, burger Boonampart...."
"Bonaparte, knaap!"
"Bonaparte alzoo. Is ze betaald?"