HOOFDSTUK I

"Maar wie telt mijner tranental?"

Borger.

In één der volkrijkste wijken van Parijs, den Faubourg Saint Antoine,

bewogen zich op eenen guren Novembermorgen in den jare 1793 twee

eenzame voetgangers, wier uiterlijk voorkomen op eene drokkere ure

voorzeker de algemeene aandacht op zich zoude hebben gevestigd.

"Voort! Voort!"

De best, welke deze rauwe woorden meer tierde dan sprak, meer krijschte

dan zeide, mocht ongeveer honderd zomers tellen, edoch meer dan de

jaren hadden de nijd, de booze luim, de gram bovenal deze gestalte

gebogen, dit gelaat doorploegd; zij duwde eenen in lompen gehulden

knaap vóór zich uit, maar hoe onzacht!--porde hem met een ijzeren

haak, het werktuig der voddenrapers, tusschen de schouderbladen,

trok hem--alsof dit alles nog niet genoeg ware om den onwilligste--en

deze knaap scheen niet zoozeer onwillig als moede, niet zoozeer lui

als afgemat--tot spoed aan te manen, trok hem onbarmhartig aan zijn

éénigst cieraad, de lokken!

Eenen nauwlettenden opmerker zoude in de gelaatstrekken en houding

van den mishandelden knaap intusschen zekere fierheid niet ontgaan

zijn; er was in dat welvend voorhoofd, de onder het vuil zoo kleine

en blanke handen ietwes, dat welsprekend van eene hooge afstamming

gewaagde; zoo althans dacht blijkbaar de korporaal der republiek er

over, dien wij het ongelijke paar zien ontmoeten.

"Goeden dag, Hendrik Jan," gromt de snorrebaard niet onvriendelijk; hij

groet de oude stuurscher, welke intusschen daarvan nietwes bespeurt,

vervuld als zij is van begeerte naar de schatten, welke de afval der

straat voor haar bergt, verdiept als zij is--eilacy!--in het plukken

aan de lokken haars rampspoedigen pleegzoons!

"Goeden dag, Meester Jacob," gelukt het dezen nog te antwoorden,

als een hernieuwde por tusschen de schouderen, als een versche ruk

aan de lokken hem op eene vondste der heks--eenen koolstronk--eene

doode muis--eenen tabakspruim--wat raakt het ons?--opmerkzaam maakt.

Met gebalde vuisten oogt de korporaal het tweetal na; dan maakt hij

rechtsomkeert en gaat zijns weegs.

Parodieën · 第 7 / 38 题