"Woont Pah Ran hier?" vroeg Siman terug.
"Ja, maar wat wil je?"
Siman had nu Mariams stem herkend.
"Ik ben Siman, Mariam."
Met een ruk werd de deur opengetrokken. Siman zag het droef gelaat
van zijn mooi zusje, dat hem stil welkom heette.
"Ben je alleen thuis?"
"Neen, wij allen, alleen Djamin is er niet. Ben je nu vrij?"
"Ja, ik kom van Telatiga, regelrecht. Maar wat is er? Waarom huil je?"
"Moeder ... is ... stervende."
Siman zweeg.
Het was de straf des Heeren, die hem moest treffen, hem, omdat hij
ook Djiah ... Neen, niet denken, niet zeggen. Zijn oude arme moeder
... ging ze naar vader? Zou ze waarlijk sterven? En de kinderen
dan? Maar als zij hem zag, hem, Siman ...
Snel trad hij binnen; in het kamertje lag de oude vrouw op de harde
balé, stil als was zij reeds een doode. Ipah steunde het magere,
grijze hoofd in de handen, Djirah weende aan het voeteneinde. Pah
Ran stond wat achteraf. Het was zoo stil, dat Siman de muggen om zich
heen hoorde gonzen. De palita verlichtte slechts een kleine plek in het
vertrekje. De aanwezigen keken nauwelijks op, toen Siman binnentrad. De
stemming drukte hem. Hij keek rond, als zocht hij daar Rekso, zijn
jongen. Die sliep rustig in het kamertje daarnaast. Toen ging hij naar
de balé, knielde er bij neer, lei zijn hand op die der oude uitgeputte
moeder ... Hij schrok. Die hand was koud, ijskoud ... Hij keek op,
zag Ipah aan, verschrikt. Zij begreep, legde haar oor aan den mond
der moeder,--zacht en voorzichtig lei zij het hoofd neer op het gore
kussen. Toen luisterde zij naar den hartslag, schudde het hoofd ....
"Soedah matti" [223] zeide ze fluisterend.
Djirah begon luide te weenen.
De anderen bleven stom, buiten alleen schreide zachtjes Mariam. Toen
ontwaakte Rekso; dringend schreide de kleine man en Ipah, het
huismoedertje, nam hem op, suste hem, vergeefs echter. Siman nam hem
van haar over, drukte het hoofdje tegen zijn wang, aaide en suste;
de kleine bedaarde plotseling en lachte. Zou hij zijn vader herkend
hebben? Maar Siman had weinig gedachte voor hem; hij was bedrukt en
verstrooid. Dat was dus zijn thuiskomst ...
Hij lei den kleine weer in zijn wiegje, waar Rekso bleef doordreinen
en drensen. De anderen bleven achter in het keukentje bij elkander
zitten. Siman alleen was op de balé blijven zitten, zich overgevende
aan zijn gedachten. Eerst toen de geburen kwamen, door Pah Ran
gewaarschuwd, ging hij heen, naar buiten. Zij heetten hem welkom en
dat drukte hem. Het weerzien was zoo droevig ...
Van Wetten zat met een aflevering van het tijdschrift "Het Recht
in Nederlandsch-Indië" voor zich; hij had er in zitten lezen, lui
in een langen stoel uitgestrekt. Vriendelijk brandde de groote
kantoorlamp in het gezellige vertrekje. Een geurige sigaar lag,
op het punt van uitgaan, op het aschbakje. Van Wetten zat stil na
te denken over het gelezene. Het betrof de klachten van Pah Ran en
de anderen, die, nu maanden geleden, bij hem geweest waren. Hij had
die klachten geverbaliseerd; er waren, naar hem voldoende gebleken
was, onrechtmatige handelingen gepleegd door den administrateur van
Alas Bamboe, en met verwijzing naar artikel 37 van het reglement op
de particuliere landerijen, had Van Wetten het proces-verbaal der
klachten opgezonden aan den procureur-generaal.
Er was door dezen een onderzoek gelast. En het gevolg van dit onderzoek
was, dat tegen den administrateur bij requisitoir van den officier van
justitie te Batavia rechtsingang werd verzocht. Van Wetten had zich,
en niet alleen als rechter, zeer voor de zaak geïnteresseerd. Nu bracht
hem het tijdschrift de resultaten van de ingediende klachten, en het
was hem een zeer onaangename verrassing geweest te moeten vernemen,
dat, blijkens het artikel, zoowel door den raad van justitie te
Batavia als door het hooggerechtshof was uitgemaakt, dat tegen de
in artikel 37 vermelde handelingen in de thans vigeerende strafwet
geen bepaalde straffen zijn bedreigd, zoodat dit artikel niet meer
kan worden toegepast.
"Dat wil dus zeggen," bromde Van Wetten bij zich zelf, "dat de inlander
met een beroep op de wet niet gewapend is tegen knevelarij en misbruik
van gezag. Het is mooi."
Hij wilde dat artikel 37 dan toch nog wel eens inzien. En de zaak had
zoozeer zijn aandacht, dat hij uit zijn gemakkelijke houding opstond,
uit de boekenkast een deel van de rij Staatsbladen nam en aan zijn
schrijftafel nasloeg Staatsblad 1836 no. 19, artikel 37.
De sigaar was uitgegaan.
Het stond er duidelijk, meende Van Wetten: "Landeigenaren, die andere,
meerdere of hoogere opbrengst en diensten van hunne opgezetenen
vorderen dan bij dit reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan, of
die verzuimen om op den voet, bij hetzelve bepaald, ten opzichte
van hunne opgezetenen te handelen, zullen naar exigentie van zaken
door het plaatselijk bestuur op den voet, bij artikel 60 aangewezen,
bestraft, dan wel voor den rechter, terzake van knevelarij en misbruik
van gezag, vervolgd worden."
"Wat duivel, "ter zake van knevelarij en misbruik van gezag"--dat
laat toch geen twijfel?"
Hij nam het tijdschrift weer ter hand en herlas:
"De raad van justitie te Batavia verleende den verzochten rechtsingang
niet, wijl hij oordeelde dat de feiten niet vallen onder het bereik
der strafwet."
Tegen deze beslissingen was de officier van justitie in verzet gekomen.
"Goed, maar de overwegingen," mompelde Van Wetten weer.
De raad van justitie had den rechtsingang geweigerd op de volgende
gronden:
dat die feiten opleveren het als eigenaar van een particulier land
van de opgezetenen vorderen van andere en meerdere diensten dan
bij stbl. 1836 no. 19 uitdrukkelijk zijn toegestaan; en art. 37
van dat staatsblad bepaalt, dat zij die zich daaraan schuldig maken
naar exigentie van zaken door het plaatselijk bestuur op den voet,
bij art. 60 aangewezen, bestraft, dan wel voor den rechter terzake
van knevelarij en misbruik van gezag vervolgd worden;
dat art. 37 alzoo schept delicta sui generis en voor de daarop
gestelde straffen verwijst, behalve naar genoemd art. 60, naar de
gewone strafwetgeving omtrent "knevelarij en misbruik van gezag,"
tegen ieder van welke misdrijven verschillende straffen zijn
bedreigd, bij "knevelarij" afhangende van den ambtelijken rang
van den schuldige en bij "misbruik van gezag" van het karakter
der gepleegde handelingen;
dat alzoo tegen de in meergenoemd art. 37 vermelde handelingen in
de vigeerende strafwet geen bepaalde straffen bedreigd zijn, zoodat
het artikel niet meer is toe te passen nu door het in werking
treden van den in art. 26 der algemeene bepalingen van wetgeving en
later in art. 88 van het Regeerings-Reglement afgekondigden regel,
niemand tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld mag worden,
dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien.
De officier van justitie voerde tegen deze beslissing aan:
1e. dat vermits in het vigeerend strafwetboek, tegen "knevelarij"
en "misbruik van gezag" straffen zijn bedreigd, en er geen enkel
bezwaar bestaat om die straffen toe te passen, indien in rechten
het bewijs wordt geleverd dat de landeigenaar zich heeft schuldig
gemaakt aan de feiten, in art. 37 bedoeld;
2e. dat de rechter, die weigert dit artikel toe te passen, het
voorschrift van art. 386 van het Wetboek van strafrecht voor
Europeanen overtreedt.
Het hof nu overwoog dat het O.M. zonder de alleszins juiste
hoofdstelling van den raad aan te tasten "dat toepassing van
genoemd art. 37 alleen dan mogelijk is wanneer in de vigeerende
strafwetgeving "bepaalde" straffen tegen de daarin genoemde
handelingen zijn bedreigd," verzuimt aan te geven welke straffen
dan in elk concreet geval op hem, die zich aan de bedoelde
handelingen schuldig maakt, moeten worden toegepast;
dat immers gemeld art. 37 niet aangeeft wanneer de behandeling
als "knevelarij" en wanneer zij als "misbruik van gezag" moet
worden bestraft en dat, zelfs al zou men bij de meest rationeele
uitlegging van het artikel willen aannemen, dat "knevelarij" ziet
op het onrechtmatig vorderen van "opbrengsten" en "misbruik van
gezag" op het onrechtmatig vorderen van diensten, een enkele blik
op art. 124 tot en met 131 van het Strafwetboek voor Europeanen
reeds doet zien, dat met geen mogelijkheid is uit te maken onder
welke strafbepaling de geïncrimineerde feiten dan zouden vallen;
dat al evenmin 's Raads stelling wordt omvergestooten door het
argument dat in lagere stukken van wetgeving naar strafbepalingen
in het Wetboek van strafrecht wordt verwezen, omdat de Raad
niet beweert, dat de poenale sanctie niet in een ander stuk van
wetgeving mag worden neergelegd dan waarin het strafbaar feit
is omschreven, doch alleen dat naar die strafbepaling, wil zij
niet in botsing komen met art. 88 van het regeerings-reglement,
op zoodanige wijze moet zijn verwezen, dat omtrent de op het
delict gestelde straf geen onzekerheid bestaat;
dat de beslissing evenmin een overtreding kan zijn van art. 386
van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen, omdat slechts dan
in strijd met dat art. zou worden gehandeld, wanneer de toepassing
van de in dat artikel bedoelde wettelijke verbindende verordeningen
werd geweigerd, terwijl die toepassing in verband tot de latere
wetgeving mogelijk is, immers daarmede niet in strijd komt,
hetgeen in casu op grond van het hierboven overwogene het geval is.
Ten slotte overwoog het hof dat het betoog van den
procureur-generaal, hetwelk ten doel heeft aan te toonen, dat
ook zij die geen ambtenaar zijn, zich onder vigueur van het in
1836 geldend strafrecht aan "knevelarij" konden schuldig maken,
ter zake niet afdoet, omdat het in casu niet de vraag is of de in
art. 37 genoemde handelingen inderdaad naar ons thans heerschend
strafrecht de elementen van "knevelarij," dan wel van "misbruik
van gezag" opleveren, doch alleen of de strafbepalingen, waarnaar
dat artikel verwijst, nog toepassing kunnen vinden; een vraag
welke het hof, met den raad, ontkennend beantwoordt.
"Erg mooi, prachtig, maar ketterij. Want de gepleegde knevelarij en
het gepleegde misbruik van gezag blijven ongestraft. En daar komt
het dan toch maar op aan, dunkt mij."
Van Wetten ergerde zich over deze theoretische nonsens, die geen
rechten waarborgt en onrecht sanctioneert. Hij sloeg in een teug zijn
bittertje naar binnen en beval den jongen het eten op te brengen.
"Waarachtig," zeide hij, het tijdschrift toe slaande, "het heet met
heel veel recht: "Het "Recht" in Indië." Maar hij kon het niet voor
zich houden. En na den eenvoudigen avondmaaltijd kwam hij bij den
assistent-resident oploopen.
De heer Van Dam had juist gedaan met eten en lag klimaat te schieten
in de voorgalerij.
Van Wetten viel met de deur in huis.
"Nou moet u toch eens deze juridische ketterij hooren, mijnheer
Van Dam."
En hij deed hem het heele relaas.
"Het lijkt wel erg gek," meende Van Dam.
"Gek? Dat is er heelemaal het woord niet voor; het is cynisch,
vind ik, om den durf te hebben je zoo ... zoo ... angstvallig te
houden aan de doode letter van de wet. Wâ-bliksem, zoo'n uitspraak is
gevaarlijk. Ze kunnen nu gaan knevelen naar hartelust, want ze staan
nu, zich beroepende op die prachtige uitspraak, buiten het bereik
van de strafwet. Dàt is 't. Neen, waarachtig, als ìk dat kluifje in
handen gehad had, zou het anders geloopen zijn, dat beloof ik u!"
"Ze doen tegenwoordig meer rare dingen, daar op Batavia; daar kan ik
ook van meepraten."
"Zoo, hoe dat?"
"Ik heb een circulaire ontvangen van den procureur-generaal; het
is een heele geschiedenis, en zonder inleiding zul je het niet goed
begrijpen."
Van Dam verhaalde van het bezoek van Nederman en Versnoek, maar
niet uitvoerig genoeg om Van Wetten gelegenheid te geven hem te
waarschuwen voor de onedele, baatzuchtige bedoelingen der landheeren,
die de rechterlijke ambtenaar zeker wel doorzien zou hebben.
"Maar ik ben nog altijd niet op de landen geweest. Het is nou ruim twee
weken geleden, maar telkens komt er wat tusschen. Enfin, deze week zal
ik er toch heengaan, denk ik, ook in verband met die circulaire van
den procureur-generaal. Nou, na wat ik er u van verteld heb, zult u
de strekking ervan beter begrijpen. Die landheeren hebben natuurlijk
naar Batavia geschreven en een van de vertegenwoordigers daar heeft
de belangen der eigenaren bepleit bij den procureur-generaal. En
nou lijkt het mij wel dat er gevaarlijke dingen in dat ding staan,
waar de bevolking weer de dupe van zal zijn.--Och, kijk 's, den
procureur-generaal is het natuurlijk niet kwalijk te nemen, hè,
dat hij van al die détails van het bedrijf geen kennis heeft, en ..."
"Mag ik die circulaire zien, of is ze geheim?"
"Welneen, was dat maar waar. Ik moet afschrift zenden aan de beide
landheeren--Wacht 's ... Oppas!"
"Kandjeng," haastte zich de oppasser te antwoorden.
"Ambil itoe portefeuille itam di atas medja toelis [224]!"
"Kandjeng."
De oppasser was schielijk terug. Van Dam sloeg de portefeuille
open. Boven op een stapeltje papieren lag de circulaire, die hij zijn
bezoeker toereikte. Deze las zeer aandachtig:
No. 1638.
Batavia ...
Naar aanleiding van door den heer J. P. Paulette Vlaming, lid der
firma Biederman & Van Lochem alhier, mij gevraagde inlichtingen
omtrent de bevoegdheid van den eigenaar van een particuliere
onderneming om het op het veld afgezonderde 1/5 aandeel voor
den landheer in de opbrengst van door opgezetenen van zijn land
bebouwden grond af te wegen, heb ik de eer UEd. G. mede te deelen:
dat art. 28 juncto artikel 11 van Staatsblad 1836 No. 19 niet
verbiedt dat de gemachtigde van den landheer het op het veld
afgezonderde den landheer toekomend 1/5 aandeel in de opbrengst
afweegt, teneinde bij de aflevering in de pakhuizen te kunnen
constateeren of aan de bossen padi niets veranderd is;
dat daarvoor dan ook niet de toestemming van den erfpachter
wordt vereischt;
dat deze weging niet met zich brengt het in ontvangst nemen der
padi, daar dit ook reeds gezegd zou kunnen worden van het nemen van
1 bos uit elk der op het veld uitgelegde rijen van 5 bossen padi;
dat de landheer dus noch door het nemen van de hem toekomende
bossen, noch door het afwegen dier genomen bossen geacht kan
worden te zijn geworden bewaarder van het hem toekomende 1/5
aandeel padi, totdat het den erfpachter behaagt, die padi naar
de pakhuizen te vervoeren.
De Procureur-Generaal
bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië.
VAN VLISSINGEN.
Aan den
Assistent-Resident
Telatiga.
"Ik begrijp niet goed ..." begon Van Wetten.
"Begrijpt u niet?" Van Dam was blijde zijn helder inzicht te kunnen
demonstreeren. "Wat treft u hierin? Dit, niet waar: De padi wordt
op het veld gewogen. Wanneer, wordt niet bepaald en de landheer doet
het dus,--wel, wanneer denkt u?"
"Dat is dunkt mij het zelfde."
"Zeer zeker niet. De padi wordt gewogen dadelijk na den snit."
"Ik begrijp nog niet, wat hiervan het gevolg is."
"De indroging, Van Wetten, de indroging! Als de padi in het pakhuis
geleverd wordt, droog natuurlijk, want de landheer zal niet nat willen
ontvangen, dan heet het: nee, mannetje, ik heb meer gewogen dan je
brengt. Maar hier is toch geen bedrog gepleegd; het gewichtsverlies
komt door de indroging!"
"Ah, zoo; ja juist. Maar de lui leveren toch rijst."
"Nou en wat zou dat? Ik zal u eens wat zeggen. Deze circulaire is een
geducht wapen in de hand van den landheer. Want de belasting wordt
er met een vijfde ongeveer door verzwaard. En alleen die lui, die de
vrijwillige overeenkomsten teekenen, en volgens deze bijvoorbeeld
veertig katties opbrengen per picol natte padi, ontloopen die
verzwaring. De anderen, al leveren ze rijst, moeten die rijst dan toch
stampen uit droge padi, niet waar? En nu, weet je, geloof ik al dat er
een beweging onder de lui gaande is om alleen maar padi te leveren ..."
"Nu u me dit alles zegt, treft me een andere passage in de circulaire,
deze: dat de landheeren zonder toestemming van de erfpachters kunnen
laten wegen en dan toch niet geacht worden onmiddellijk na de weging
eigenaar te zijn geworden van de padi. Die passage is fnuikend voor
de bevolking. Dat begrijpt iedereen."
"Behalve dan de procureur-generaal, naar het schijnt ..." Van Dam
schrok zelf van dezen oneerbiedigen uitval en haastte zich er aan
te voegen: "Maar, zooals ik zei, hem kan men het eigenlijk niet
kwalijk nemen."
"Zoo, en wie dan wel?"
Van Dam antwoordde hier niet op. Wat zou hij hebben kunnen
antwoorden? Den heer Van Vlissingen was indertijd door een journalist
lauwheid en onverschilligheid verweten ten opzichte van de telegrafisch
tot hem gerichte klachten van de bevolking der particuliere
landen. Die publicist wist van het bestaan van bovenmedegedeelde
circulaire niet af; hij wist dus niet van de medeplichtigheid van
den procureur-generaal aan het vexeeren van de bevolking.
Drie dagen later schreef Versnoek een kattebelletje aan Nederman,
dat per specialen bode werd overgebracht. Het luidde:
Waarde heer Nederman,
Morgen, Zaterdag, komt Van Dam hier, blijft tot Maandag. Gaat
dan door naar Alas Bamboe. Houd U geprepareerd.
Wat zegt U van de circulaire van den P. G.? Fijn, wat? 1/5 meer
op de markt!
Vale!
t. à. v.
Versnoek.
De dood zijner moeder had Siman heel diep getroffen. Het gemoed van
den mystiek-aangelegden inlander zocht bovenaardsch verband tusschen
dat sterven op den dag van zijn terugkomst en de gebeurtenissen,
die volgen zouden.
Mah Ten was in allen eenvoud begraven. Nadat het lijk uit de woning
was gedragen, was er eenige moeilijkheid ontstaan omdat Pah Ran
weg wilde. Het was een soort étiquette, dit hem drong. Hij vond het
strijdig met den adat, samen te wonen met ongehuwde meisjes, ook al
bleef Siman bij hen. Intusschen wist hij niet waarheen te gaan en
voorloopig kon hij nog niet weg ook, want Siman was den dag na den
dood zijner moeder heengegaan, zeggende dat hij Pah Asriep wilde
opzoeken in Kalapa Aloes.
Dit nu was de waarheid niet geweest. Siman was naar Herea gegaan. Wat
hem dreef, behoeft geen nadere uitlegging: hij zocht Kario.
Maar zijn reis was vergeefsch geweest, want, waar hij den mandoer ook
zocht, hij vond hem niet. In 't pakhuis was een ander, dat had hij
terloops vernomen, en vragen durfde hij niet, uit vrees zijn plannen
te verraden door de vraag alleen. 'Mboh Sima had hij willen opzoeken,
maar ook zij was niet meer te Herea.
Een groote teleurstelling trof Siman. Hij zag het doel, waarvoor
hij nog leefde, onbereikbaar. Want wie zou hem kunnen zeggen, waar
Kario was? Had hij daarvoor zijn kris zoo scherp geslepen? Hij bleef
zoeken, wilde niet opgeven. Hij vertoonde zich op de passer: Kario
was er niet. Hij ging naar de woning van den mandoer, maar hij kon
duidelijk merken dat andere bewoners daar hun intrek genomen hadden.
Toen de avond viel, was hij nog even wijs. Op de passer was een
tandak-partij tot meerderen luister van het huwelijk van de dochter
van een Chineeschen tokohouder. Een jonge dansmeid stelde er haar
bekoorlijkheden half ten toon tusschen de walmende lichtjes der
olielampen. Een dichte drom menschen stond er om heen te genieten
en lachte om de grappen van den badoet [225]. Het schelle gezang
van de tlèdèk trok Simans aandacht, als vanzelf ging hij naar de
groep. Misschien ontmoette hij er een goede bekende, wien hij vragen
kon ...
Een oogenblik had hij staan kijken in een der achterste rijen, toen
hij zich voelde aanstooten. Hij keek om.
Een nog jonge vrouw, wat verlept, maar toch mooi, keek hem met twee
vurige oogen brutaal in het gezicht. Die oogen spraken duidelijk
genoeg: dezelfde taal, die zij reeds tot zoovelen, dien avond echter
nog vergeefs, gesproken hadden. Zij deed eenige stappen achteruit
en stond toen geheel buiten den lichtkring. Toen wenkte zij Siman,
die haar nog steeds aanzag, met de hand. Siman gaf gehoor.
"Vin-je tlèdèk mooi?" fluisterde de vrouw. Siman antwoordde niet.
"Ik weet wel wie je bent: Siman van Gatok," ging zij op denzelfden
toon, snel pratend, voort. "Je bent pas weer vrij, hè? Pas? Hoelang?"
"Twee dagen!" antwoordde Siman werktuigelijk.
"Wat doe je hier, te Herea?"
"Niets, maar wie ben jij?"
"Dat doet er niet toe. Ik zal het je wel zeggen, straks. Kom maar
eerst mee. Ik heb je veel te vertellen." Zij wilde hem meetrekken,
maar Siman volgde niet.
"Ben je in de gevangenis onbeleefd geworden, Siman? Je hebt om een
vrouw Kario willen vermoorden. Ik vraag je alleen om mee te gaan."
Ze drukte zich tegen hem aan, haar warme adem streek hem langs
het gelaat en bracht een rilling in zijn bloed. Hij voelde het nog
mollige lichaam tegen zich aan ... Een woeste begeerte ontwaakte. De
gevangenistijd was lang geweest ...
"Ga mee", hijgde hij, "ga mee," en hij trok de deern mee.
Ze stapten vlug voort. De weg was niet lang. In een armoedig huisje
stapte de vrouw binnen; Siman volgde haar niet.
"Ik ken dit huis. Wie ben je toch?"
"Kom eerst binnen. Je hebt me maar eens gezien, heel kort, daarom
herken je niet."
Ze had de deur gesloten en was op de balé gaan zitten, trok Siman
naast zich neer. Toen deed ze de klambi [226] uit. Ze stond in haar
strak gespannen koetang [227], de gevulde armen bloot.
Siman greep haar aan. Zij worstelde tegen.
"Eerst geld, geef op," hijgde zij.
Hij greep naar zijn gordel, gaf haar dien. Zij zocht naar het geld,
zes dubbeltjes. Meer was er niet. Nu, ze had meest minder gehad ....
Siman zat naast de deern op de balé.
"Zeg nou, wie ben je?"
"Satima."
"Satima? Satima? Ik weet niet ..."
"Den avond, dat je Kario gekrist hebt ..."
Maar hij herinnerde zich nog niet.
"Je bent een domkop. Waarom heb je hem niet doodgestoken, dien
smeerlap ...!"
"Heb je zoo het land aan hem?"
"Hij heeft mij er uitgezet, uit het pakhuis. Ik verdien niets meer,
ik heb elken dag honger. Als er geen man bij me slaapt, heb ik niets,
geen eten, geen kleeren. O, die ellendeling, die schurk, maar ik zal
me wreken, ik weet waar hij is ..."
"Waar is hij?" riep Siman en hij greep de vrouw ruw bij den pols.
"Zeg op, waar is hij?"
"Laat los, je doet me pijn, laat los!"
"Waar is hij?"
"Ik zal het je zeggen, maar laat los, adoe [228]!"
Siman liet los. Satima wreef zich den pols.
"Wat wil je doen?"
"Dat gaat je niet aan. Is hij hier, te Herea?"
"Neen, hij is ver weg. Ik weet niet waar ..."
"Je liegt, je weet het wel."
Satima vloog overeind om weg te komen, ze was bang voor de uitdrukking
van haat in de oogen van Siman, maar hij greep haar nog net bij tijds
bij de kondeh. Hij rukte haar omlaag, zij viel, dwars over zijn knieën.
"Satima, zeg het mij. Waarom wil je 't verzwijgen?"
"Ik heb zoo vaak geen geld; ik heb alles verpand, Siman, heb
medelijden," jammerde de slet. "Geef geld, Siman ... het is je veel
waard, ik weet wat je wilt doen, Siman, ik weet het ... ik weet het
... geef mij geld ..."
"Ik heb niets meer, ik heb alles gegeven." Hij liet haar los. Ze
stond op, naakt, het haar los. Toen ging ze liggen op de balé, trok
hem naar zich toe.
"Ik wil niet, zeg eerst waar hij is. Ik zal je later geld geven,
later, ik heb nu niets."
Zij zuchtte.
"Zal je 't me heusch geven, zal je dikwijls komen ...?"
"Ja, ja, ja, maar zeg op ... Je maakt me driftig ..."
"Op Telatiga is hij--op de besaran."
Een trek van vreugde ging over het gelaat van Siman.
"Te Sapekan--ik zal hem vinden."
Satima schoof naar hem toe.
"Neem drie dubbeltjes, Siman, ga naar den Chinees, de warong, bij
den grooten waringin--je weet wel--koop madat [229] voor mij ..."
"Hé? ... schuif jij ...?"
"Het doet de zorgen vergeten, Siman; ik heb veel soesah ..."
Siman kreeg medelijden met de ongelukkige.
"Moet je niet doen," zeide hij, "wat heb je er aan, het is slecht,
en je wordt er mager van en leelijk, en dan verdien je niets meer ..."
"Ik kan het niet laten, loop dan ... gauw, Siman, nu heb ik weer
geld ..."
"Ik wil niet, ga 't zelf halen."
"Zal je dan niet weggaan? Je kunt nu toch niet weg. Ik ben zoo bang,
buiten. Het is al laat. Maar niet weggaan, ik ben dadelijk terug."
Onder het spreken had ze zich aangekleed, de sarong boven de borsten
opgebonden, het zware, vette haar in een wrong bijeen geknoopt,
de klambi aangeschoten.
Toen snelde ze heen, door de begeerte van den opiumschuiver
voortgejaagd.
Siman bepeinsde wat haar gedrongen had hem te bidden en te smeeken
te blijven. Hij kon het niet gissen en legde zich neer op de balé,
de handen onder het hoofd, nadenkend.
Ze was spoedig terug, een klein pakje in de vuist geklemd.
"Ada [230]", fluisterde zij gejaagd, "ada."
Ze verdween in het eenige kamertje. Siman volgde haar. Ze lag op een
rustbank, stopte met beverige vingers een bolletje in de bamboezen
pijp, hield deze boven het olielampje, nam een langen teug. Zoo bleef
ze liggen, de oogen gesloten,--het was alsof ze sliep. Ze glimlachte,
er kwam iets rustigs over haar gelaat.
Siman beschouwde met afgunst dien trek van vrede. Het was toch
wel machtig, het opium. En waarom was het eigenlijk zoo slecht te
schuiven? Men deed er niemand kwaad mee. En waarom, als je zorgen
hadt, zou je die niet mogen bannen? Hij had geen vrouw meer! Zijn
jongen? ... Nou ja, maar hij kon immers rooken, nu en dan, als
de soesah hem kwelde. Natuurlijk moest je er niet aan verslaafd
raken. Maar zoo nu en dan; dat kon toch geen kwaad ... Zie nu daar die
Satima. Hoe lang lag ze daar nu al? En ze lachte maar. Het moest toch
wel heerlijk zijn, niet te denken ... Er was nog een bolletje over
... Satima had aan één genoeg gehad ... Zou hij eens probeeren ...?
Hij nam de pijp uit de hand der vrouw, deed het bolletje er in,
aarzelend. Toen nam hij blijkbaar plotseling een besluit, hield de
pijp boven de vlam, en zoog den rook op.
Een gevoel van misselijkheid beving hem dadelijk, hij wierp de pijp
weg, wilde braken. Hij werd duizelig, voelde zich allerellendigst
en ging liggen naast Satima. Al spoedig viel hij in een loodzwaren
slaap. Het opium had hem bedwelmd. Maar het waren geen aangename
visioenen, die voor hem opdoemden. Zijn fysiek protesteerde nog te
heftig tegen het gif.
Diep in den nacht ontwaakte Satima, loom en mat. Naast zich voelde
zij Siman. Die aanraking maakte haar wakker. Ha, hij was dus niet
weggegaan. Hij was er nog. Ze gleed de balé af, sloop zacht het vertrek
uit. De deur der woning stond voor nog open. Ze schrikte even, trok
haar dicht. Toen vond ze het baadje van Siman, op den grond,--ze
grabbelde in de zakken ...
"Niets," bromde ze spijtig. Ze doorzocht de twee geldzakjes in
den gordel. Er was niets meer in, ze had er alles uitgenomen. Hij
had dus niet gelogen. Dan had hij ook wel heen kunnen gaan. Zou ze
hem wekken? Och, waarvoor? ze zou hem laten liggen. Ze had nog een
bolletje--waar was het ook weer? O, ja, bij het nachtlichtje. Maar
ze vond het niet. Toen kreeg ze een ingeving, boog zich over den
slapende heen, snoof den adem op, die tusschen de halfgeopende lippen
ontweek ...
"Waarachtig, ik dacht het wel."
Ze dacht na. Siman wentelde zich onrustig op zijn leger.
"De eerste keer, hij is nog misselijk. Ik zal hem helpen--hij komt
wel terug." En ze begon hem te wrijven over de heupen, langs de dijen
in rhytmische, gelijkmatige bewegingen. De slapende werd rustiger,
een zware zucht ontsnapte hem, toen werd zijn slaap kalm en vredig,
en wellust-droomen kwamen over hem ...
Het was al laat dag, toen zij weer ontwaakte en Siman wekte. Hij
stond op, wreef zich het hoofd. Hij voelde zich nog loom, maar had
toch een vage herinnering aan oogenblikken van een zeker geluk,
door gedachtenloosheid. Toen herinnerde hij zich weer: hij had opium
geschoven.
Hij trok zijn kleederen aan. Satima kwam terug van de put, waar zij
zich gewasschen had. In een opwelling van teederheid en wellust drukte
hij de deern tegen zich aan.
"Ik kom weer, Satima, mijn hart; nu moet ik weg naar Gatok."
"Kom je gauw?"
"Ja, waar is mijn kris?"
"Hier ... wees voorzichtig ..."
"Geen nood,--ik zal niet missen. Maar je zwijgt, begrepen? Als je
praat, zal ik je dooden."
"Wees maar niet bang--ik haat hem."
Er was groote koempoelan [231] te Sikarang. De kandjeng toean
assistent-resident was gekomen. Daags te voren reeds was door alle
koewoes in het district den lieden, die geweigerd hadden de vrijwillige
overeenkomsten te teekenen en die den opzichters hadden doen weten dat
zij padi zouden leveren, aangezegd zich te verzamelen op de besaran,
om de prentahs van den kandjeng toean assistent te vernemen. En velen
waren te Sikarang gekomen, enkelen uit nieuwsgierigheid, de meesten
echter uit onrust. Want zij wilden weten, welk vexatie hun nù weder
te wachten stond.
Voor het landhuis hadden de lieden zich opgesteld, eenige
honderden. Ook de koewoes waren er en de opzichters van de
districten. Die zaten in de voorgalerij.
Toen kwam uit het landhuis de heer Nederman naar buiten; naast hem
ging de assistent-resident en achter die beiden werd de gestalte van
den boepati [232] van Telatiga zichtbaar. Angst voor de komende dingen
bezielde de honderden, die daar gehurkt nederzaten. De administrateur
stelde de employé's voor aan den assistent-resident en den boepati.
"Wat een volk, mijnheer Nederman," merkte de heer Van Dam op. "Dat
is tegen de afspraak. U weet dat ik u verklaard heb, niet de minste
pressie te willen uitoefenen op de plannen van het volk."
"Houd mij ten goede, waarde heer Van Dam. Dat het volk bijéén is, is
een heel toevallige omstandigheid. Ik ben gewoon zoo van tijd tot tijd
als ik iets te zeggen heb, het volk, alleen maar uit dit district,
bijeen te doen komen. Dat geeft wat plechtigs aan de vertooning,
ziet u, en dan blijft het wat langer bij. Het spijt mij zeer dat
zoo'n koempoelan toevallig moest plaats hebben tijdens uw aanwezigheid
hier. Maar Versnoek heeft mij uw komst eerst gisteren medegedeeld en
toen was het te laat om de koempoelan weer af te lasten. U zult mij
niet euvel duiden dat ik een oogenblikje den rol van gastheer verruil
tegen dien van administrateur, niet waar?"
"Oh, als de zaak zoo zit, dan heb ik geen bezwaar; ga gerust uw gang."
"Nou, dat heeft zoo'n haast niet. Laat ik u eerst welkom heeten,
hier te Alas Bamboe. Het is ons allen waarlijk een genoegen u in ons
midden te zien. En het is geen frase, mijnheer Van Dam, als ik u hier,
ongetwijfeld, ook namens de andere heeren, de verzekering geef dat
wij u gaarne nog vaak hier zullen begroeten."
"Daar gaat-ie!"
Een bediende had champagne voorgebracht. De glazen werden geleegd en
weer gevuld. En het gesprek werd algemeen.
Buiten zaten de inlanders nog steeds gehurkt. Opzettelijk: zij
moesten getuigen zijn van de plechtige ontvangst. Eindelijk kwam
de heer Nederman naar de stoep. Hij gaf een wenk aan de employé's,
die de geheele komedie natuurlijk heel goed begrepen. Zij kwamen bij
hem staan.
"Ziet u nou eens, mijnheer Van Dam," riep de administrateur zijn
gast toe, "of het volk van Alas Bamboe er welvarend uitziet. Ze
zitten allesbehalve sjofel in de plunje, zooals u ziet, en bepaald
hongerlijdersgezichten ziet u er toch ook niet onder."
Hij gaf een wenk aan de koewoes om naderbij te komen. Hurkend schoof de
menschendrom een pas of tien vooruit. Van Dam was uit hoffelijkheid
opgestaan en kwam achter Nederman staan om te voldoen aan zijn
uitnoodiging tot zien.
Hij begreep in zijn naïeviteit niet dat hij gebruikt werd als
onmisbare figurant in het drama; ook niet dat de toeschouwers daar,
die menschenmenigte, order hadden bekomen in feestdos te verschijnen.
Nederman deed, als gold het een gewone beleefdheid, een stap
achteruit. Hij stond nu tusschen den assistent-resident en den boepati
in. Toen begon hij het volk toe te spreken:
"Ik heb met leedwezen vernomen, dat gij allen, menschen van Sikarang,
geweigerd hebt om de vrijwillige overeenkomsten te teekenen en dat
gij volhardt in uwe weigering om de tjoeké in rijst op te brengen, en
dit verkiest te doen in padi. Ik kan en ik wil u ook niet dwingen om
te doen wat ik in uw belang zou wenschen; gij zijt geheel vrij. Gij
kunt dus padi leveren, gelijk gij verkiest. Maar de tijd is ver
achter ons, dat dit op Alas Bamboe geschiedde. Uw vaders waren niet
zoo stijfhoofdig en verblind als gij en zagen in, dat rijstlevering
voordeeliger was voor hen. En zoo zullen de gebruiken, die gij in
acht hebt te nemen bij padilevering, u niet meer bekend zijn. Daarom
heb ik u bij elkander doen komen omdat ik u deze gebruiken in
herinnering wil brengen, opdat gij, in uw eigen belang, geen soesah
zult ondervinden. Ten eerste dan zal de padi bij het snijden gewogen
worden, en ook wordt de tjoeké-padi gewogen in de pakhuizen, opdat ik
zal kunnen nagaan of gij wel levert wat gij schuldig zijt aan het land.
"Dan moet gij er voor zorg dragen dat op den dag zelf, dat
de padi wordt gesneden, het 1/5 gedeelte in de pakhuizen wordt
afgeleverd. Zooniet, dan zal ik verplicht zijn u te bestraffen. Wijl
nu eenige desa's verre gelegen zijn van de pakhuizen en ook met het
oog op den weg over zee van andere desa's, zullen de pakhuizen voor
die desa's tot één uur des nachts open blijven.--En anders heb ik
u niets te zeggen. Denkt na over hetgeen ik u hier medegedeeld heb,
en bedenkt wel hoe gij uw eigen belang het best zult dienen."
Op een wenk van den spreker dreven de dorpshoofden de inlanders uitéén.
Nog lang werd deze koempoelan in de desa's besproken. De
administrateur, zoo zeide men, had het bestuur vòòr zich. Als men nu,
na deze officieele proclamatie, nog weigerde te voldoen aan den wensch
van den landheer, zou men veel soesah hebben. En er waren er niet
velen meer, die het waagden bij hun weigering te volharden. Nederman
had prachtig munt geslagen uit de aanwezigheid der bestuursambtenaren
te Alas Bamboe. Hij was vergenoegd en toonde zich voor den verderen
duur van het verblijf van den heer Van Dam, een fideel en royaal
gastheer. De heer Van Dam bracht een zeer aangenamen indruk van zijn
uitstapje naar Telatiga mede terug.
Het liep mis met den oogst. Dat was duidelijk te bespeuren. En
overigens, wie dit niet vermocht in te zien, zou, als hij dààrvoor oog
had, aan tal van teekenen hebben kunnen bemerken, dat de bevolking niet
gerust was op de toekomst. De regens hadden den landman in den steek
gelaten en met de droogte hadden de insecten in het gewas gewoekerd,
geholpen door muizen en engerlingen. Er was stagnatie geweest in den
groei, hama dedet noemt de inlander dit.
En reeds was men overgegaan tot het planten van gadoe, 'n ruwe plant,
nauw eetbaar product leverend, maar die zelfs uit het woestijnzand
voedsel in zijn wortels zou kunnen trekken.
Toen eerst--te laat--waren de regens gekomen. Overmaat van ramp. Het
water kon toen niet dienstig meer zijn, ja erger: het schaadde. Er
kwam veel water; hier en daar werd de aanplant bedorven. En na de
wolkbreuken kwamen de walang sangits. Neen waarlijk, de oogst dreigde
zeer, zeer schraal te worden.
En, onbedriegelijk verschijnsel van komenden nood, de buffeldiefstallen
namen dagelijks toe.
De landen Alas Bamboe en Telatiga zijn berucht om de
buffeldiefstallen. Er is gebrek aan ploegvee in de geheele afdeeling
Telatiga, maar het wordt eerst recht voelbaar op de beide particuliere
landen. En gevolg van dit afwezig zijn van ploegvee is patjolbewerking
der sawahs voor een zeer groot deel.
Alles grijpt in elkander: gevolg van patjolbewerking is dat de
sawahs minder deugdelijk en intensief bearbeid worden bij grooter
tijdverlies. En de afdeeling is groot. Negentig duizend bouws zijn
er in cultuur gebracht; op die geheele uitgestrektheid wordt rijst
verbouwd.
De Koloniale Verslagen geven elk jaar een achteruitgang van den
veestapel aan, een achteruitgang van 34.5 procent in elf jaren
tijds! Het totaal buffelbezit der bevolking is van 41.000 stuks op
27.000 teruggeloopen. Deze achteruitgang is te wijten aan diefstal,
zelf een gevolg van voedselgebrek. De raderen grijpen onverbiddelijk in
elkaar. Verdrietig is het te constateeren, dat niet door veeziekten,
hoe treurig ook, noch door levendigen uitvoer, die winst geeft,
de veestapel aldus onrustbarend vermindert. Diefstal is de oorzaak,
onvoldoende bescherming van het bezit der bevolking, onvoldoende,
slecht georganiseerde, niet tegen haar taak opgewassen politie,
afwezigheid van wettelijke bepalingen, die den landheeren moesten
kunnen dwingen tot bescherming van have en goed de opgezetenen.
Verdrietig is het ook te weten, dat het bestuur zich den stand
van zaken wel bewust is: 't tegenovergestelde zou hoop geven
op eventueele verbetering. Die bewustheid manifesteerde zich,
maar met betreurenswaardige impotentie, nu eenige jaren geleden,
in het uitvaardigen van een bepaling, waarbij bevolen werd dat de
buffels van een desa in eenzelfde kraal moesten worden bewaakt tegen
dieven. De diefstal verminderde toen, dat is waar, maar het middel
bleek een lapmiddel en welhaast even noodlottig als de kwaal. Want de
desaman kon zijn dieren niet bij zich houden, hun verzorging kon hij
niet geheel op zich nemen; hij zag hoe de jongere en zwakkere dieren
leden door de sterkere; de paring vermocht hij niet meer te regelen,
en de geboorte van buffels kwam minder tot haar recht. De desaman
verkocht toen zijn vee...
En men kon of wilde niet inzien dat het mangelde aan de politie,
oordeelde dat de inlander, in zijn domheid, het oogenblikkelijk
geldelijk voordeel van den verkoop verkoos boven het productief bezit
van den buffel. Maar stelselmatig roerde men het punt niet aan dat
er te weinig weideplaatsen waren voor de buffels, van den tijd der
sawahbewerking tot den snijtijd. De buffeleigenaar was dan genoodzaakt
gras te snijden, wat tijd en arbeid kostte. En de sterfte onder de
slecht gevoede dieren nam toe: De desaman verkocht dus zijn vee,
niet uit hoop op dadelijk geldbezit, maar wijl hij vreesde spoedig
ook dat niet meer te zullen krijgen.
En zie, geldt dit al de voor de gansche uitgestrekte afdeeling,
schriller wordt het beeld, wanneer de particuliere landen op zich
zelf beschouwd worden. Op Telatiga nam de veestapel in negen jaren
af met 46 procent, in de volgende jaren was de achteruitgang nog
grooter. Op Alas Bamboe is nog geen twee derde gedeelte overgebleven
van den veestapel van vóór de veepest.
De buffeldiefstallen namen dus weer toe op Alas Bamboe en met deze de
houtdiefstallen. Ook dit is een veeg teeken. Het voorspelt eveneens
het aanbreken van slechte tijden. En het verschijnsel komt vaak voor.
Er zijn vele djatibosschen op de landen en in slechte--ja vaak ook in
normale tijden--is diefstal van hout regel. Over deze houtdiefstallen
is veel geschreven, en de ware oorzaak is vaak verbloemd. Men vreest
in slechte tijden zoo voor verbittering van het gebreklijdend volk dat
geen houtdieven met geweld worden aangehouden. Men laat ze vrij gaan,
en het misbruik is bijna tot adat vergroeid. Op klaarlichten dag,
in gansche karavanen, trekken de boschdieven met hun buit voorbij de
woningen der geëmployeerden: balken en stammen, het hout voor woningen,
stijlen en palen, gaan zoo in openlijk transport over den grooten weg
naar de afdeelingshoofdstad. Ook dit is een middel om in het leven
te blijven.
Een derde middel is emigratie. De Javaan is vruchtbaar. Java's
bevolking verdubbelt zich in dertig jaren tijds. Hoe komt het dan dat
daar op die landen het zielental vaak stationair blijft, ja, dat er
jaren zijn dat teruggang van het zielental is na te wijzen? Men huldigt
er geen Malthus-leer; en ook is het niet allèèn aan kindersterfte te
wijten, dat op volkstoename van beteekenis niet te wijzen is.
Het volk verloopt. De armsten beginnen bij oogstmislukking den exodus,
naar Tji-lamatang in de naburige residentie, waar veel vruchtbare
grond is en waar de belastingdruk, relatief gesproken, zeer licht is.
Wie nu, die Javaansche toestanden kent, zal gelooven dat geen dringende
oorzaken den Javaan nopen zijn woonplaats te verlaten, de desa, waar
hijzelf, zijn vader, en diens vader leefde, waar hij huwde, waar zijn
kinderen geboren werden? Ook aan gering verloop moet reeds groote
beteekenis worden toegekend. Het wijst onloochenbaar op verarming
van de bevolking. En zie, ik heb een lange lijst vòòr me, in drie
rubrieken verdeeld: het jaartal, het zielental, het aantal picols
tjoeké van het volgende jaar; een statistiek van beide landen. En
het is met wiskunstige zekerheid aan te toonen, ver terug, tot in het
begin der vorige eeuw, 1818, 1820, dat op verminderde tjoekéopbrengst
achteruitgang in bevolking volgt. Hoe minder opbrengst, hoe grooter
verloop, hoe nijpender nood. Er zijn jaren geweest dat de bevolking
verminderde met 5, 6, 8 en 10 procent. Er is een reeks van drie jaren
geweest, 1845--1848, gedurende welke de bevolking verminderde met
26 procent. En uit die statistiek kan ik de periodiek wederkeerende
hongerjaren aanwijzen, zoo dadelijk, zonder aarzelen of vrees voor
vergissing.
De tijd liet zich slecht aanzien op Alas Bamboe. Het was ook voor de
Europeanen geen geheim meer, dat een buitengewoon slecht jaar voor
de deur stond, slechter nog dan het jaar te voren, toen eenig gebrek,
slechter ook dan het jaar daarvoor, toen groot gebrek heerschte.
En weer was het De Leeuw, die zich, als oudste geëmployeerde, genoopt
voelde zijn chef den toestand bloot te leggen, opdat zoo noodig
maatregelen genomen konden worden in het belang van de bevolking.
Hij begreep dat het beter was schriftelijk verslag te doen. Dat bleef
bewaard, er kon naar verwezen worden zoo noodig.
Hier is het de plaats er naar te verwijzen; het zijn slechts grepen,
want het geheele rapport besloeg vele vellen schrift.
"Er staat misoogst te wachten, hoofdzakelijk door watergebrek,
het vroegtijdig ophouden van de regens en den slechten staat
der Soemboel-batoeleiding, zoodat de sawahs in Zuid-Sikarang,
welke door deze leiding bevloeid worden, onvoldoende of geen
water kregen. Op de fouten van bedoeld waterwerk wees ik U den
15en Februari van het vorige jaar reeds. Het loopende jaar, dat
in den beginne zich goed liet aanzien, belooft thans evenmin een
oogst van eenige beteekenis. Een hevige walangplaag heeft vooral
Zuid-Sikarang en Herea geteisterd. De westerdistricten leden
vooral van de droogte. Na de laatste achtereenvolgende misoogsten
in een streek, waar de bevolking geheel van den rijstbouw leeft,
waar geen ander middel van bestaan is, vermeen ik U niet meer
behoeven te wijzen op den hachelijken toestand voor een groot
deel der bevolking. Hetgeen zij bezat, is verbruikt of zal weldra
verbruikt zijn voor de sawahs van den volgenden oogst.
De hoeveelheid verstrekte voorschotten is te gering per
landbouwer om ook maar eenigszins te helpen tot den aanstaanden
oogsttijd. Weder-verstrekken van voorschotten acht ik niet goed,
keur ik zelfs af, omdat de bevolking dan nog meer in schuld
komt... M.i. moeten de vele slechte waterwerken in vrijen arbeid
worden hersteld. Zoo is voor de bevolking gelegenheid wat te
verdienen. Zij komt niet méér in schuld en de waterwerken komen
er door in beteren staat. Momenteel heerscht in Sikarang en
Herea reeds schaarschte, om geen ander woord te gebruiken. Velen
verlieten reeds in October en November van het vorige jaar het
land. Officieel is dit niet gerapporteerd en met cijfers is het
ook moeilijk te bewijzen. Teekenend voor den toestand is het
feit dat in den laatsten tijd de buffelverkoop weer zeer groot
is. (Vide maandrapporten der districten.) Als het volk zijn
ploegvee verkoopt, is de toestand hachelijk. Ik hoop dat hulp
voor de bevolking niet zal uitblijven.
De bevolking van Alas Bamboe gaat nog steeds hard achteruit. Telde
zij vijf jaren geleden bijna 77.000 zielen, twee jaren daarna
was zij tot 74.750 zielen verminderd; met de intrede van dit jaar
telde zij nauw meer dan 71.000 zielen."
Nederman was zeer geprikkeld door dit ongevraagde rapport van De Leeuw.
"Vervelende vent", bromde hij, "ware ongeluksprofeet. En als hij zich
nu maar vergiste, maar neen--de kerel heeft altijd gelijk. Ik zal hem
's laten komen. Dan moet hij maar uitpakken over wat hij denkt dat
gedaan kan worden."
Hij schreef een kattebelletje aan zijn employé en gelastte dit naar
Oeroettan te brengen. Een desaman werd er mede belast: in heerendienst
natuurlijk.
Siman was zeven dagen weggeweest. Te Gatok wist men niet waarheen. Hij
was van Herea thuisgekomen, had zijn zuster om geld gevraagd,
nagenoeg het laatste dat er was, en was weer vertrokken. Men had hem
niets durven vragen. Siman was buitengewoon prikkelbaar, kon om een
kleinigheid opstuiven; voor het werk behoefde men voorloopig niet
op hem te rekenen. Veel arbeid was er trouwens niet. Men diende af
te wachten het magere beschot van den overslechten aanplant. Pah Ran
had wat gadoe in den grond gebracht en men begon zich weer te oefenen
in hongerlijden, of juister, men begon zich te oefenen nog meer tijd
dan tot dusver tusschen twee opvolgende maaltijden te laten verloopen.
Siman was naar Sapekan gegaan, op Telatiga. Maar zijn reis was
vergeefsch geweest. Kario was niet meer te Sapekan en men wist
hem ook niet op te geven waarheen de gewezen mandoer vertrokken
was. Teleurgesteld, moedeloos, zonder geld meer, was Siman te Gatok
teruggekomen. Nu moest hij het toeval maar overlaten zijn weg dien
van Kario te doen kruisen. Hij wilde de hoop niet opgeven den gehaten
vijand nog eens te ontmoeten. Het was het eenige wat hem op de been
hield. Maar te Gatok hield hij het niet uit. Hij verlangde naar Satima,
maar of het haar lichaam alleen was, dat hem bekoorde?...
Siman had na dien eersten keer nog eens en weer eens opium
geschoven. Hij begon er naar te verlangen. Maar voor zijn huisgenooten
schaamde hij zich nog. En bij Satima kon hij aan dubbele begeerte
voldoen. Hij ging naar Herea, waar hij leefde met Satima, en schuiven
kon. Maar zich vergiftigen is een duur genot. En hoe aan geld,
telkens weer aan meer geld te komen? Nog was niet alle gevoel in hem
gedood: hij bood zich aan als timmerman en hetgeen hij als gevangene
had moeten leeren, kwam hem nu te pas. Hij verdiende zeventien cent
per dagtaak. Satima verkocht zich, waar ze kon, om opium te kunnen
koopen; meer dan eens reeds had ze zich aangeboden aan den Chineeschen
opiumverkooper zelf ... voor opium. Maar steeds was grooter dosis
noodig om het genot te brengen en meer verdienen konden zij niet.
Op een nacht was Siman niet thuis gekomen. En ook den volgenden nacht
kwam hij niet bij Satima. Den derden nacht verscheen hij weer, gejaagd,
angstig. Maar hij had veel geld bij zich, bijna twintig gulden. En het
duurde niet heel lang of Satima wist dat hij de dief was geweest van
den karbouw van pah Arsad, waarover voor eenige dagen zooveel te doen
was geweest in de desa. Na dien tijd ging het gemakkelijker. Siman
werkte niet meer. Er was bovendien niet altijd werk, en werd hem al
door Van Affelen een of andere karwei opgedragen, dan deed hij het
werk met tegenzin: het bracht zoo weinig op. Men maakte meer met het
kappen van djatiboomen en het verkoopen daarvan op Telatiga. 's Nachts
had deze klandestiene handel in hout plaats. Siman ging er niet mee
naar de hoofdplaats: de afstand weerhield hem. Hij bracht het hout
even over de oostgrens van Alas Bamboe. Hij wist er een Chinees wonen,
die alle hout opkocht. Wel kreeg hij niet zooveel als hij te Telatiga
ontvangen zou hebben, maar hij kreeg het eerder. Dat was hoofdzaak. Als
hij geld had, kon hij weer geestelijken en zinnelijken wellust genieten
bij het opium en bij Satima.
Van Kario vernam hij niets meer. Ook had hij de energie verloren om te
zoeken. Er waren nu zelfs vaak oogenblikken, dat hij niet aan Kario
dacht. Zijn wraaklust zelfs begon te sluimeren onder den invloed van
de papaver.
Om hem heen werd de toestand steeds slimmer. Het armere volk begon
te trekken, naar het westen, voor een appel en een ei het nog
niet gesneden product te velde latende aan gelukkiger en rijker
desagenooten; buffeldiefstallen waren aan de orde van den nacht.
Toen brak de oogsttijd aan, een ìn-treurige tijd.
--"Nou, vooruit nu, ongeluksprofeet! Neem er je tijd nu voor om me
lang en breed te vertellen, wat je van de toekomst denkt, en wat je dan
noodig oordeelt om de vooruitzichten te verbeteren.--Je weet heel goed
dat ik apprecieer je kennis van de toestanden, je kijk op de dingen,
je tact om met de lui om te gaan. En ik wil je ook volstrekt niet
verbergen, dat je voortdurende waarschuwingen mij verontrusten. Ik
geloof niet dat je noodeloos zoudt alarmeeren, zie je, en..."
"Daar hebt u gelijk in, mijnheer Nederman."
Het was een zoele avond. De Leeuw, door Nederman ontboden, zat met
den administrateur in diens kantoor. Het was voor den employé niets
bijzonders, dat zijn chef hem raadpleegde. Reeds in den tijd, toen
Nederman oudste geëmployeerde was op Alas Bamboe, placht hij vaak het
advies te vragen van zijn jongeren collega, die zoo bewonderenswaardig
met de bevolking wist om te gaan. Toen Nederman tot administrateur was
benoemd, was er in den omgang wel minder vertrouwelijkheid gekomen,
maar het was toch heel vaak gebeurd dat, evenals dezen avond,
chef en ondergeschikte over zaken en toestanden op de onderneming
spraken. Nederman vertrouwde geheel op De Leeuw. Deze mocht ruw en
onbehouwen zijn, de opvoeding die hij genoten had, kon dan een zeer
elementaire zijn, De Leeuw paarde aan een goed hart een groote mate
van gezond verstand en een uitmuntend geheugen. Hij was een eerlijk,
nauwgezet geëmployeerde, op wien men zich verlaten kon, en Nederman
deed dit ook. Hij was eerlijk genoeg om voor zich zelf te bekennen dat
De Leeuw meer van de zaken afwist dan hij; in booze luimen ergerde hem
dit zeer, maar hij was gewoonlijk wel nuchter genoeg om te beseffen
dat hij er slechts bij verliezen kon, zich van den plichtvervullenden
jongen man te scheiden.
"Nu dan--wat denk jij van den oogst?"
"Niets."
"Hé?"
"Niets, mijnheer Nederman, niets. Als ik eigenaar was van Alas Bamboe,
dan zou ik op enkele uitzonderingen na, geen tjoeké willen ontvangen."
"Maar dat is immers dwaasheid, man! Het land is er toch in de eerste
plaats voor de eigenaren, dunkt mij."
"De lui zullen geen korrel kunnen missen."
"Kom, kom, dat zie je te donker in, veel te donker. Ik geloof ook wel
niet, dat we van het jaar op een mooien export behoeven te rekenen,
maar..."
"Wat ik u brom, over drie maanden heerscht er hier hongersnood,
nijpender dan die wij beiden van acht jaar geleden nog kennen."
"Wel neen, dat geloof ik niet."
"Ik ben elken dag op de sawahs, mijnheer Nederman. Het gewas staat
er om bij te huilen. Er komt ruw gemiddeld geen tien picol nat per
bouw af. Nou, daar blijft voor de bevolking zelf zoo goed als niets
van over, dat weet u. Twee maanden verder en alles is opgegeten. En
wat dan?"
"De palawidja."
"Als die dan al rijp is! En dan, ik ken de palawidja-oogsten van
Alas Bamboe. Dat geeft per hoofd geen week eten. Buiten denkt men
wel dat die palawidja een inkomst van beteekenis is voor de lui,
maar wij weten dat palawidja hier en daar op kleine schaal, en elders
heelemaal niet verbouwd wordt. Wij houden er geen aanteekening van,
omdat er niets van geheven wordt. En het loopt denzelfden kant uit,
mijnheer Nederman, als het vorig jaar, en het jaar daarvoor, alleen
nu een beetje erger. Dan krijgen wij weer onze "zware tijden,"
dat de bevolking zich voeden moet met klapperbast, boombladeren en
pisangstammen om het gevoel van honger weg te nemen, zooals meer dan
eens gerapporteerd is geworden."
"Maar meen je nou werkelijk, dat het verkeerd gaat?"
"Beslist, mijnheer Nederman! Met goeden wil en opofferingen is nog
veel leed te verzachten, maar te redden is dunkt mij de positie niet
meer. Trouwens, dat ligt niet in onze macht."
"Dus jij meent dat de bevolking reden had, om voortaan alleen
tjoeké-padi op te brengen?"
"Natuurlijk had zij daarin gelijk, mijnheer Nederman. Alleen geloof
ik dat u een andere oorzaak aanneemt dan ik. U gelooft waarschijnlijk
dat de slechte vooruitzichten de menschen er toe gebracht hebben ..."
"Ja zeker, enne de ... hoe zal ik het zeggen ..."
"Juist, mijnheer, dat is de reden, de onwettige, veel te zware
heffing. Komaan, wij weten allemaal wel dat er meer, veel meer gevraagd
wordt dan een vijfde. En vroeg of laat, met of zonder misoogst en
hongersnood, moest de bevolking tot het besef komen dat ze bedrogen
werd ..."
"Jongens, De Leeuw, je moet met die dingen niet te koop loopen,
man. Dat zou heel gevaarlijk zijn voor je carrière."
"Ah bah, carrière? Daar denk ik op zulke oogenblikken natuurlijk niet
aan.--Maar ziet u, daarom heb ik uitgerekend, dat we met goed fatsoen
niet meer mogen vragen dan 28 kattie per picol natte padi."
"Ja, de berekening is goed. Daar ontbreekt niets aan. Maar de
toepassing is eenvoudig onmogelijk."
"Dat is wel jammer, want ik weet heel zeker dat het zou inslaan bij
het volk. Gevoel voor billijkheid heeft het in hooge mate. En wat
wilt u dan doen om ze tegemoet te komen in den nood?"
"Ja, dat ìs het juist: Wat moeten we doen?"
Het gesprek stokte.
"Je hebt gesproken over het herstellen van irrigatiewerken in betaalden
dienst. Welke irrigatiewerken bedoel je?"
"Nou, kijkt u eens. Men zou er eindelijk toe kunnen overgaan om den
dam bij Koeripan te leggen."
"Daar noem je zoo iets. Je weet dat het voorstel geketst is; om de
kosten. De begrooting sloot met ruim een ton."
"Nou dan het plan-Haver, berekend voor de irrigatie van in totaal
9.000 bouws in de districten buiten Goenoeng Lawang."
"Ruim twee ton."
"Nou ja, die dingen kosten natuurlijk geld, maar ze werpen dan toch
rente af ook. Hoeveel zou het ook weer zijn? 6 1/3 procent, geloof
ik. Toch wel een aardige rente voor productieve werken, dunkt mij. Maar
natuurlijk is dit plan ook al verworpen. Ook zonder irrigatie zijn de
inkomsten ruim. Ja, hè? als wij eens Amerikanen waren! Hoe heette het
ook weer in den brief van de Bank? "Meer en meer wordt bij eigenaren
het besef levendig, dat welvaart en toename van bevolking nummer
één zijn ... punt van voortdurende zorg ... desnoods alle jaren
wat opofferen ..." Ja, ja het is mooi: meer en meer, voortdurend,
desnoods. Le style c'est l'homme. Met recht."
"Ja, ik geloof niet dat we met die irrigatiewerken ver komen. Er
zijn nog andere werken, maar allemaal hebben ze al even weinig kans
op uitvoering."
"In spijt van de winsten: in 1899 190 mille, toen 210 mille; ja er
zijn jaren geweest van twee en een halve ton, van ruim drie ton zelfs;
dat was in 1897."
"Ja, ja, ja,--maar staat tegenover dat er in 1901 maar 16, in 1902
maar 60 mille zijn gemaakt."
"Wel een bewijs van de ellende, die er geheerscht heeft. En dit
jaar wordt het nog slimmer.--Ja hé, als we dan nagaan twintig en
dertig jaren geleden, met de rijstprijzen van f 300 tot f 315 de
kojang. We halen tegenwoordig nauwelijks f 200. En contrôle was er
toen heelemaal niet."
"Dat wil zeggen--de vrijwillige overeenkomsten moeten dan toch door
den assistent-resident geregistreerd worden ..."
"Dat moest, zeker, maar het gebeurde niet. Sedert 1836 zijn er vijf
en zestig jaren voorbij gegaan voordat het gebeurde. Vroeger werden
die overeenkomsten gesloten met de desabesturen. 'n Mooie boel. Stel
u voor dat ik over den verkoop van uw barang [233] met Zevenaer aan
het bedisselen ging."
"Maar we dwalen af, De Leeuw; we dwalen altijd af als jij er bij
bent. Je bent veel te rood, De Leeuw, geloof me; in je eigen belang
zou ik je raden meer om je eigen beurs dan om die van anderen te
denken--het is erg beroerd, dat 't in de wereld zoo geschapen is,
zeker, toegegeven ... maar, hè, après tout, is het hemd dan toch nader
dan de rok. Enfin, ik heb je laten komen om met je te beraadslagen
wat er te doen is om eerstens de lui te helpen. Want geholpen moet
er worden, dat ben ik met je eens; en ook moeten wij er zorg voor
dragen dat de verbittering niet overslaat ..."
"Zeker, daar is kans op. Geen wonder trouwens, menschen in dien
toestand ..."
"Natuurlijk, natuurlijk. En al was het dan alleen het volksverloop. Dat
is ook een kwaad ding, 't gevolg is schrijverij met de eigenaren. Die
denken, geloof ik, dat wij de menschen aan het land kunnen
vastbinden. In de laatste drie jaren gaat het bevolkingscijfer toch
al achteruit: 74000 zielen met 23000 bouws; gemiddeld sawahbezit dus
van nog geen derde bouw. Op Telatiga is het nog minder."
"Nou, mijnheer Nederman, ik heb een heel program. Herstellen van
de irrigatiewerken is dus geschrapt. Dan kunnen wij beginnen met
voorschotten op den volgenden oogst te geven. Het geeft niet veel,
dat heb ik al gezegd, maar 't is iets, dan reliefworks; dat is om
ze te helpen, waarbij u dan ook kunt beginnen met minder te heffen
in tjoeké."
Nederman krabde zich achter het oor.
"Dat is een netelige kwestie. Als je daarmee voor de heeren komt,
is het donderen. Als wij wat minder heerendiensten vorderden ...?"
"Dat helpt in de eerste plaats ons. Een uitmuntend denkbeeld, mijnheer
Nederman. Maar durft u dat dan wel aan?"
"Ja, ik zal het moeten motiveeren. Hongersnood alleen, zal niet
gaan. Dat wil er bij de lui niet in ... maar wat dan?"
"Mag ik die kwestie motiveeren? Ik ben wel eens aan het nasnuffelen
geweest. Nou en ik heb daar zoo mijn eigen idee van, ziet u. Om het
ronduit te zeggen: al die diensten zijn onwettig."
"Hè?"
"Ja, ik weet heel zeker dat deze landen verkocht zijn vrij van
heerendienst en dus ..."
"Hm! De stelling lijkt me niet onaanvechtbaar. Maar dat is goed. Maak
jij de memorie dan maar op en stuur hem mij."
"Best. En dus kan ik beginnen met voorschotten ...?"
"Goed, maar met mate, met mate. Met een paar duizend pop doe je al
een heele hoop."
De Leeuw zeide niet dat hij van een andere meening was, en dat "een
paar duizend pop" voor eenige maanden, te verstrekken aan 71000 zielen,
een alleszins onvoldoende tegemoetkoming is. Hij meende al wat gewonnen
te hebben.
Den volgenden dag reeds liet De Leeuw in de desa's van zijn district
bekend maken dat hij tegen mindere dan de gebruikelijke rente--toch
tegen rente dus, want in rentelooze voorschotten had Nederman niet
durven happen--voorschot wilde geven, aan wie dat wenschte.
In den tijd van vijf maanden werd achtereenvolgens op het geheele
land, bij steeds klimmenden nood, ruim f 30,000 in voorschot aan de
bevolking verstrekt. Een schijntje ...
De oogst was binnengehaald, een complete misoogst. De tjoeké was
afgeleverd in de pakhuizen, onverminderd ... ja zelfs had men op beide
landen, gebruik makende van de circulaire van den procureur-generaal
de padi van hen, die weigerden rijst op te brengen, doen wegen op het
veld, gelijk beraamd was. Het waren er betrekkelijk weinigen geweest,
die padi leverden, maar de nadeelen daarvan voor het land waren
toch reeds voelbaar geweest. De pakhuisruimte dreigde te klein te
worden. Was het vorig jaar reeds een hoeveelheid padi binnengekomen,
meest in Herea, die dagelijksche onkosten aan stamploonen voor de
stampsters noodig maakten, thans moest een ongelijk veel grootere
hoeveelheid in de pakhuizen tot rijst worden verstampt. Dagelijks
gingen vrouwen het geld verdienen--vijf centen per dag voor het zware
werk--in de pakhuizen op het land.
En overigens was bij de tjoeké-heffing geen rekening gehouden met
de indroging der padi, noch met de rijstcoëfficient, het gewicht
der stelen bij den snit, het stamploon, noch met weersinvloeden,
ziekten en plagen in het gewas, die zwakke korrel veroorzaken, groot
breukprocent of geringe witheid; noch ook met de breukverhouding bij
zeer voorzichtige bewerking, of met den prijs der grofkorrelige rijst,
noch ook met dien van de fijnere rijst. Neen, met dat alles was geen
rekening gehouden, de tjoeké was onverminderd geheven, onverminderd ...
En de Honger deed zijn intrede op Alas Bamboe en Telatiga. De
houtdiefstallen werden menigvuldiger, en gansche karavanen trokken
naar de afdeelingshoofdplaats om aan de opkoopende Chineezen voor
weinig geld het gestolene af te zetten. En zij, die niet konden
kappen de zware stammen, noch ook na kapping deze zouden kunnen
bewerken, braken de stijlen uit de woningen, als ze er waren, om die
te verkoopen: den eenen balk na den ander. De huisjes verloren stut;
men steunde dak en wanden met bamboes. De woningen konden niet meer,
of niet goed meer, een veilige schuilplaats zijn voor de bewoners: wat
gaf het? Te stelen was er niet. Bij de rijkeren werd het vee gestolen;
hier en daar waren roofpartijen niet uitgebleven: Chineesche warongs
meest, die men plunderde.
Een zwerm van Chineesche agenten kwam in de desa's en bood geld--weinig
geld--voor den oogst van 't volgend jaar. Zij berekenden zware renten,
't is waar, maar het risico moest geneutraliseerd worden. Er konden
velen sterven in den komenden tijd, velen zouden het land ruimen,
wellicht stond ook voor het volgend jaar misoogst op het program;
dat waren factoren, waarmede rekening gehouden moest worden, en de
agenten der Chineesche opkoopers dreven de renten op, steeds hooger ...
De nood klom. Veediefstallen kwamen nacht aan nacht voor. Hier en daar
werden de dieren niet eens meer verkocht. Men slachtte hen om dadelijk
voedsel te hebben. Het land verstrekte meer voorschotten. En ook
waren reliefworks in het leven geroepen, op zoo geringe, pietluttige
schaal echter, dat zij weinig effect sorteerden. De bevolking begon
weer met het zoo vaak beproefde middel om den honger te stillen,
het middel, dat even vaak weer faalde. Men vulde de maag met de
fijne tot stopverfachtig deeg inkokende menier, de allerfijnste,
smerige brei leverend, opraapsel eigenlijk. En men kookte de menier
op met boombladen om het gevoel van honger weg te nemen, als had het
lichaam daar wat aan.
En nog steeg de nood. Ook de menier was verbruikt; pisangstammen, jonge
klappertoppen, boschknollen, nauw eetbaar, schadelijk de meesten,
kwamen ervoor in de plaats. De onrijpe palawidja, wat er dan nog
stond, werd uit den grond gehaald om te dienen als voedsel. Meer
voorschotten werden verstrekt, meerdere ondersteuningswerken in het
leven geroepen. Roof en diefstal werd gepleegd op helderen dag. Reeds
stierven er lieden door gebrek aan leeftocht ...
Immer steeg de nood. Het volksverloop begon. Als de huizen verkocht
waren, alle hout en al wat er meer te verkoopen viel, wat niet veel
was, trok men weg, het erf latend voor wat het was gemeenlijk, want
in dezen tijd waren de koopers schaarsch. Vele duizenden waren het,
die wegtrokken, de meesten naar het westen, weg van Alas Bamboe. En
die van Telatiga trokken naar de gouvernementslanden, gefolterd door
de heete stralen van de koperen zon, die droog het lijden aanzag.
Velen reeds stierven als het lichaam ten slotte uitgeput was door
nutteloos verteren van boombast, schors en bladeren, zwarte klei,
lempoeng [234], en jeukknollen. Men bedelde, men stal en roofde. Op
de hoofdplaats Telatiga hielpen Europeesche en Chineesche ingezetenen
zooveel zij konden: het was zoo bitter weinig.
Nog altijd breidde de ellende zich uit. Ouders verlieten hun kroost;
de zuigelingen stierven schreiend aan de ingedroogde borsten. Moeders
verkochten haar kinderen.
Siman had in dagen niet gegeten. En het opium, dat hij gestolen had te
Gatok van Tio Ang Sioe, Nedermans zoon, had niet voortdurend den honger
kunnen verdrijven. Hij woonde niet meer samen met Satima; elk moest
maar voor zichzelf zorgen. Op een nacht was hij weggegaan, toen Satima
in looden opiumslaap lag. Hij had haar koperen pending meegenomen,
een sarong en een toessoek-kondé van een paar dubbeltjes. Meer waarde
was er niet. Dat alles had hij voor vijftien centen verkocht te
Tjakoeng. Het geld was op en Siman had in dagen niet gegeten.--Dien
nacht stal hij een karbouw. Het was lichte maan en hij werd gesnapt
door een spion van den koewoe. Het gestolen dier moest in den steek
gelaten worden en met de uiterste inspanning slechts gelukte het hem,
zijn vervolgers te ontloopen.
Al maar voort rende hij, in een wanhopigen angst opnieuw te worden
gevat en opgesloten in de gevangenis. In den morgen eerst kwam hij tot
rust. Hij had de desa's gemeden; geen kieken, geen vrucht had hij weten
machtig te worden; zijn maag knorde van den honger; hij was uitgeput
van vermoeienis. Toen legde hij zich neer aan den kant van een slootje
om te slapen; maar de slaap bleef weg. De honger gaf geen kamp. Lang
reeds lag hij daar, overdenkend zijn ellende. Hoe vele dagen reeds was
hij niet te Gatok geweest. Hoe de toestand daar wel zou zijn? Maar lang
denken kon hij niet: zijn maag liet hem niet met rust. Hij kauwde op
een takje bajem [235], dat hij afgebroken had, en werktuigelijk slikte
hij het door; het smaakte afschuwelijk, zoo rauw. Als hij het maar
koken kon. Toen op eens zag hij aan den anderen kant van het slootje
een derkwak. Hij hunkerde er naar, den ranken watervogel te hebben om
hem te verslinden, om den honger te stillen ... hij nam een steen op,
en wilde naar het dier gooien. Maar hij hield den worp in. De vogel
had een klein vischje in den bek gevangen en verdween daarmede in
het riet van den oever. Siman hoorde het kirrend geluid van jonge
vogels. Hij kroop de sloot in, heel voorzichtig. Met luid geschreeuw
vloog opeens de derkwak op. Maar Siman liet zich niet storen: hij
zocht het nest met de jongen. Hij vond het ook. Drie kleine, nog
naakte vogels sjilpten van onbestemden angst. De Soendanees draaide
ze den hals om. Krijschend vloog de moeder om.
Nog half rauw verslond de hongerige den buit. Hij had zich niet
den tijd gegund te wachten totdat het kleine grasvuurtje de kleine,
tanige, onsmakelijke vogels voldoende had geroosterd.
Hoe weinig ook, het voedsel deed hem goed. Hij kon nu slapen. En hij
sliep ook, een korte poos.
Toen hij ontwaakte, was de zon op. In de verte zag de zwerver een
desa. Het kon slechts Kalapa Aloes zijn, berekende Siman. Hij kende
de omgeving. Hij was hier eens geweest. En plotseling dacht hij aan
Pah Asriep. Die woonde te Kalapa Aloes. Siman sprong op. Langzaam ging
hij naar de desa toe, over de galangans der rijstvelden. Hij kende den
weg in de desa en even later stond hij voor de deur van Pah Asrieps
woning. De oude deed open en herkende zijn jongen vriend dadelijk.
"Wat is er, Siman? Je ziet er bezorgd uit."
"Geef mij eerst eten, Pah; ik heb al in vijf dagen geen behoorlijk
voedsel gehad."
"Ik heb nog wel wat, kom mee."
Er was rijst met sambal. Meer niet. Siman at, groote brokken tegelijk
slikkend, ze telkens met een slok water doorspoelend. De oude keek
hem aandachtig aan. Toen zijn jonge gast voldaan was, zei hij:
"Je hebt veel soesah. Ik weet van veel, van Kario, van Djiah. Wat is
het nu?"
"Er is niets meer, Pah, geen oogst, geen voedsel. Ik weet niet wat
er te Gatok gebeurt--het is een harde tijd ..."
"Ja, ik heb reeds veel geholpen, maar de honger van honderd wordt door
één niet bezworen. Als de hongersnood nog lang duurt, ben ik een arm
man, even arm als de anderen.--'t Doet er niet toe; ik ben al oud,
heb kind noch kraai. Als ik dood ben, heb ik aan al mijn goederen
niets. En jij, wat doe jij?"
"Ik heb willen werken, timmeren kan ik. Maar nu heeft niemand mij
noodig. En mijn hand beeft in den laatsten tijd ..."
"Zoo jong reeds? Opium?"
"Ja, Pah."
De ander zweeg op deze zacht gegeven bekentenis. Hij keek Siman
meewarig aan, schudde het hoofd.
"Je hebt Kario niet meer ontmoet?"
"Neen, Pah. Maar, geloof me, ik heb hem gezocht--tot zelfs op
Telatiga."
"Je zult hem nog eens ontmoeten, Siman. Schuif geen opium meer. Opium
is slecht voor ons volk. Het maakt ons tot verachtelijke slaven
van den blanke. De moeder van je zoon is nog altijd niet gewroken,
Siman. En wraak is niet weggelegd voor den slaaf."
Siman boog zwijgend het hoofd.
"Je moet werken."
"Wat?"
"Aan de ondersteunings-werken te Sikarang, bijv."
"Ik ben te zwak. Nou gaat het niet meer."
"Het moet; zoek dan wat anders."
"Er is niets. Ik denk dat ik wegga. Ik kan visscher worden."
"Hoe ben je hier gekomen?"
"Je hadt het mij gezegd: kom, als je groote soesah hebt. Ik hèb groote
soesah, Pah."
"Kom je daarom alleen?"
"Ik werd vervolgd."
"Gestolen?"
"Ja, Pah."
Weer stokte het gesprek.
"Stelen is slecht, Siman. Al hebben zij, die je besteelt, meer dan
jij. Waak tegen diefstal, dat is beter. Dan ben je nuttig en je kunt
je voeden met het loon voor het waken."
"Moet ik spion worden, Pah? Dat meen je niet."
"Geen spion. Geef den armen menschen, die nemen van anderen, van wat
je zelf hebt. Dat is een goed werk; de koran gebiedt het."
Pah Asriep was altijd leerstellig en rechtzinnig geweest. En daarom
zeker de slechtste niet.
"Maar hoe kan ik dan zelf leven, Pah?"
"Je kunt je verhuren bij elken koewoe om nachtelijken dienst te
doen. Deze tijden zijn zeer onveilig en de bezitters zullen graag
wat betalen voor waakdiensten. Je hoeft de verdoolden, die stelen
uit gebrek, uit honger, niet op te brengen voor den koewoe. Je
moet slechts zorgen dat er niet gestolen wordt. Daarmede verdien je
het levensonderhoud voldoende ... Ik zeg dit omdat ik te doen heb
met je. Niet stelen, niet schuiven. Werken, totdat betere tijden
komen. Arbeid is nooit schandelijk."
De oude kon gelijk hebben, dacht Siman; hij peinsde er over na;
waarom zou hij den raad niet volgen? De arbeid was niet zwaar, hij
zou geen honger meer lijden ...
Van Affelen was in de desa Gatok op inspectie. Hij moest op de hoogte
blijven van den toestand en vooral Zuid-Herea was door den nood
geteisterd. De sterfte onder de bevolking was groot; meest onder de
kinderen, wier zwakke lichaampjes het hongeren minder verdroegen.
Hij kwam langs de woning van Pah Ran aan het einde van het dorpje. De
deur stond open. De oude Ran zag den employé. Aarzelend volgde hij
hem. Van Affelen bleef staan:
"Wat is er, Pah?"
Pah Ran hurkte, maakte de sembah [236].
"Wij hebben niets meer te eten, kandjeng doro, help ons! Al dagen
hebben wij niets meer gegeten, dan gadoe ... Mijn kleinkind ligt op
sterven ... help ons, kandjeng ... help ..."
Van Affelen was getroffen door den toon van smart. Hij zeide niets,
keerde op zijn schreden terug, ging de woning binnen. Ipah liep rond,
op en neer, den kleinen Rekso sussend. Het ventje snikte zachtjes,
nauw hoorbaar, krachteloos. 't Uitgeteerde lichaampje schokte van
koorts. Wanhopig zag Ipah 't aan. Op de balé zat Mariam, stom,
bewegingloos, een beeld van ellende.
Van Affelen werd aangedaan door dat tooneel voor zijn oogen. Hij
grabbelde in den zak; haalde wat klein zilvergeld te voorschijn,
dat hij Pah Ran gaf:
"Hier, gauw, koop eten."
Pah Ran dankte zelfs niet. Zoo snel zijn beenen het toelieten, rende
hij den weg op en even later was hij terug met rijst en wat boeboer
[237] voor Rekso. Hij zelf gaf het zachte kostje zijn kleinkind in
den mond. Maar de kleine was te zwak om te slobberen. Heel weinig
slechts kwam hem door het keelgat. Hij wentelde zich om en om,
kreunend van koorts en honger. Met onuitputtelijk geduld was Pah Ran
met hem bezig. Ipah en Mariam hadden zich verwijderd met de rijst
in het pisangblad. Spoedig was de jongere zuster terug, beduidde Pah
Ran naar den keuken te gaan, opdat ook hij zich te goed kon doen aan
de rijst. Zij nam hem de taak om Rekso te voeren uit de handen. Maar
ook zij slaagde niet. Toch eindelijk viel de kleine in een onrustige
sluimering. Mariam legde hem neer op zijn matrasje op den vloer.
Van Affelen kon zijn oogen niet van het meisje afwenden. Al had het
leed zijn stempel op haar gelaat gedrukt, de geheele verschijning van
het meisje, het fijne gezichtje met de vurige oogen, de halfgeopende
volle mond, de nog ronde vormen van die toch slanke gestalte--het
was een bekoorlijk beeld. Djiëm was juist weg ...
"Word mijn njai", fluisterde hij haar opeens in het oor, terwijl hij
zich tot haar bukte, waar zij nog bezig was met den kleinen zieke. "Dan
heb je nooit meer gebrek, alles volop, en je familie ook."
Mariam boog beschaamd het hoofdje. Geen verontwaardiging welde in
haar op; meer droefheid. Zij zweeg. Van Affelen, wat met z'n figuur
verlegen, ging heen.
Dienzelfden avond stierf de kleine Rekso van honger ...
Een week later ongeveer kwam Siman te Gatok. Slechts Ipah vond hij
thuis. Als dreef hem een voorgevoel viel hij dadelijk uit: "Waar
is Rekso?".
"Dood."
Siman wankelde achteruit, viel tegen den wand. Hij wreef zich met
de hand over de oogen, zweeg. Lang keek hij Ipah aan, wie het bang
te moede werd onder dien blik. Toen ging hij waggelend heen, zonder
een woord te zeggen.
Gebroken, geheel gedemoraliseerd door zijn bedrijf van de laatste
weken, strompelde hij weg, jammerlijk overblijfsel van vroegeren
jeugdigen overmoed, gezondheid en kracht. Ipah staarde hem na. Hij ging
den desaweg af. Een heele poos nog volgde Ipah hem met den blik. Toen
verloor zij haar broeder uit het oog. Zij weende niet. Haar oogen
hadden te veel geweend de laatste dagen, na den dood van hun aller
kleinen lieveling.
Siman liep steeds door, naar Herea. Hij was nu geheel down; hij dacht
aan niets anders dan zijn dooden jongen. Paal na paal legde hij af,
ten laatste niet meer denkend. Het warrelde hem in het hoofd; het
schemerde voor zijn oogen: zijn eenig kind, zijn Rekso, dood! En
hij had den kleinen jongen in het geheel niet meer gezien ... Dood
... zijn jongen ...
In zulk een toestand van martelend, tot waanzin voerend lijden bereikte
hij Herea. Hij was er in lang niet geweest. Zijn spionnendiensten te
Sikarang eischten bijna al zijn tijd. Siman was nu heel laag gezonken:
hij was een spion van den koewoe van Sikarang, een verrader van zijn
eigen volk. Het was er wel van gekomen. Pah Asrieps raad was goed
geweest voor een, die sterk was van geest als de oude zelf. Maar voor
iemand, die hongerde en verslaafd was aan opium, was de verleiding
der extra-belooningen voor het aanbrengen van vee- en houtdieven, van
anderen, die het voorschot niet gebruikt hadden om te doen wat zij
er mede doen moesten, n.l. nieuwe padi in den grond te brengen--was
die verleiding te groot geweest. Hij was steeds lager gezonken,
was nu een gemeene sluwe spion, gehaat door de anderen, die hem niet
openlijk aandurfden, wijl hij een gunsteling was van Madja, den koewoe.
En toch ook nu nog leed hij honger. Geld had hij niet meer. Het opium
kostte hem telkens meer en meer. Eerst daaraan, dan aan voedsel werd
zijn vrij ruim Judasloon besteed. Maar nu was het geld verbruikt;
opium bezat hij niet meer. Dubbel leed.
Zoo kwam hij bij Satima. De slet hield op haar manier van den jongen,
en nadat ze genoeg op hem gescholden had om het ontvreemden van haar
pending en sarong, was de vrede hersteld. Satima had bovendien een
bijzondere reden om Siman nu niet te boudeeren: zij had hem noodig
om haar wraak te koelen op ... Kario. En de gelegenheid was zelden
gunstiger geweest dan juist nu. Satima had hem gezien, Kario, hier
te Herea, niet later dan gisteren. Als Siman nu wilde, de kans was
zoo mooi .... Kario was teruggekomen, omdat hij op Telatiga geen werk
kon vinden en honger leed, hier had hij vermogende familie ...
Maar Siman, hoewel een oogenblik geprikkeld door den dorst naar wraak,
verviel weer in zijn indolentie.
"Ik heb ook honger ..."
"Je hebt net al wat ik nog had opgevreten."
"Het was nauwelijks genoeg."
"Vreetzak! Ben jij een man?--Bah! Denk om je eed ..."
"Eed, wat voor eed...?"
"Je hebt gezworen dat je hem zoudt dooden ..."
"Vroeger, nou ja, nu heb ik honger,--vandaag of morgen ga ik zelf
dood. Waarvoor zou ik hem opzoeken; als ik hem nou ineens zie, dat
is nog wat anders ..."
"Je bent een lafaard geworden, een spion ..."
"Scheld maar, hoor, scheld maar."
"Van mij heb je gevreten, al dien tijd--je pens is er rond van geweest;
opium schuif je. Dat kun je, maar als het er op aan komt, hè, dan ben
je een beroerling, een ... een ..." Satima stikte in haar woorden. Maar
het had geen uitwerking op Siman. Het leed had hem verstompt, niet
verbitterd, ten slotte. De zucht naar opium, naar geld, om geen honger
meer te hebben, nooit meer, was nu sterker dan het wraak-gevoel ....
"Jij bent nooit in een gevangenis geweest, Satima."
"Het zou me niets kunnen schelen. Als ik een man was, dan zou ik hem
dooden ..."
"Doe het maar!"
"Als jij niet durft, dan doe ik het."
Siman zweeg.
"Ik zal hem opzoeken, hem van nacht hier brengen ... net als dien
eenen avond, toen jij kwam ...."
"Dat lukt je nou niet meer; je vel is gerimpeld van het opium, je
vleesch is hard."
"Smeerlap, jij wil dat vleesch nog wel, hè?"
"Nou, probeer 't met hem."
"Bah, wat ben jij een ellendeling!--'t Kan je niks schelen hè, dat
hij met me slaapt ..."
"Wel nee, hij zou de eerste niet zijn ..."
"Net zoo min als bij Djiah!"
Toornig keek Siman haar aan. Eindelijk, dacht Satima, eindelijk heb ik
hem. Maar ze vergiste zich. Siman deed niets, verzonk in gedachten. En
even later, het was al donker, verliet hij de woning.
Hij slenterde de desa door, doelloos. Kon hij nu maar opium krijgen,
om de martelende gedachten te verdrijven, die Satima weer bij hem
opgewekt had! De oude wonden deden hem weer pijn. Hij liep te mijmeren:
Rekso zou zijn moedertje wel mededeelen, dat de verstoorder van hun
geluk, de schender van haar eer, de veroorzaker van haar dood, nog
steeds in leven was ...
Opeens ving Siman eenige woorden op, toen hij langs een troepje jonge
lieden ging. Het was Prawira, die gesproken had: "Ja, ik heb daarnet
vijfhonderd gulden gebracht aan den ziender, ... te weten dat de lui
crepeeren van honger ..."
Siman was haastig doorgeloopen. Hij schaamde zich voor Prawira, nu
hij een spion was, een vijand van het volk. Maar de woorden klonken
hem na in de ooren: vijfhonderd gulden, vijfhonderd. Welk een som! Als
hij die had ... als hij ze weghalen kon ... die stukken zilver ... Was
het zilver? ... Papier, misschien ... Dat was nog gemakkelijker ...
Hij slenterde door; de gedachte liet hem niet met rust: vijfhonderd
gulden ...
In de verte zag hij het licht der opzichterswoning. Hij ging er heen,
kijken; hurkte naast de pagger [238], aan den weg. Van Affelen lag op
een luierstoel in het kleine voorgalerijtje te lezen. Een bittertje
stond naast hem. Hij rookte.
Het begon te regenen, met fijne straaltjes. Siman voelde het
niet dadelijk, zoo verdiept was hij in de beschouwing van Van
Affelen. In de nevenkamer had hij door het raam een ledikant gezien: de
slaapkamer. Dus daar zou hij het geld wel geborgen hebben: vijfhonderd
gulden ...
Het was de krankzinnige zucht van den aan opium verslaafde, die hem
opdreef langs het erf met haastigen tred. Achter de bijgebouwen poosde
hij, zich schuttend voor den zachten regen onder het afdak. Van hier
uit verkende hij den omtrek. Het was stil; eenige krekels piepten. In
het door de bamboe-omwanding schijnend licht van het vuur in de keuken
zag hij een vrouw bezig. Hij gluurde door een reet: de keukenmeid
schepte eten op eenige schalen, die de huisjongen had gebracht. Zij
praatten samen, de spen [239] en de keukenmeid ... Siman zag de
dampende aardappelen, het malsche vleesch ... hij voelde dubbel zijn
honger ...
Zich nauw rekenschap gevend van wat hij deed, sloop Siman naar de
achtergalerij. De spen kwam uit de keuken--een hevige schrik beving den
indringer. Door een deur op zij drong hij snel de slaapkamer in, onder
het bed ... Het duurde lang voor zijn bonzend hart tot rust kwam. Hij
kromp van schrik ineen toen Van Affelen in de kamer kwam. Hij zag den
blanke plaats nemen aan de tafel. De maaltijd duurde niet lang. De
jongen ruimde het servies af, blies de lamp uit. Van Affelen ging weer
vòòr zitten lezen; de regen, die een oogenblik hard had doorgezet,
siepelde na.--Al die kleine bijzonderheden nam Siman met martelende
nauwkeurigheid waar. Zou hij niet heengaan, langs den weg, dien
hij gekomen was? ... Hij durfde zich niet verroeren ... Van Affelen
kwam weer in de achtergalerij, vloekte omdat hij in het donker tegen
een stoel stiet; toen hoorde Siman den sleutel van de achterdeur in
het slot knarsen.--Nu kon hij niet meer weg ... Hij wachtte een uur
en langer. Van Affelen zat nog steeds te lezen, lui liggend in den
langen rottan-stoel.
Plotseling keek hij op. Onhoorbaar was een ineengedoken gedaante tot
bij de stoep genaderd, waar zij neerhurkte buiten den lichtkring. Van
Affelen legde het boek op de tafel, richtte zich op, keek scherper:
het was een vrouw.
"Siapa? [240]" vroeg hij zacht. Een avontuur?
De hurkende gedaante antwoordde niet.
Van Affelen stond op, naderde de vrouw. Ze was doornat en huiverde van
koude. Haar gelaat, omlaag gebogen, werd overschaduwd door een doek,
dien zij over het hoofd geslagen had.
"Siapa kowee? [241]" fluisterde Van Affelen, zich bukkend, met nauw
bedwongen opgewondenheid.
"Mariam", klonk het gefluisterd terug.
Van Affelen herinnerde zich den naam niet.
"Dari mana, maoe apa [242]?"
"Dari Gatok [243] ..."
Gatok! Een intense vreugde doortrilde den blanke. Vol verwachting
herhaalde hij zijn vraag:
"Wat wil je?"
Mariam zweeg. Het wàs Mariam. Gevlucht van huis, toen Pah Ran
verdwenen was, weggegaan in stilte; niemand wist waarheen. Hij had
de drie meisjes achtergelaten, prijsgegeven aan ellende, gebrek
en honger. Alles was verteerd. Toen had Pah Roesmi zich ontfermd
over Ipah, die zijn bruid had kunnen zijn, als de tijden beter waren
geweest. Maar Pah Roesmi was zelf niet rijk en het was hem onmogelijk
om alle drie de meisjes te onderhouden. Djirah had een onderkomen
gevonden bij een rijken gebuur, wiens vrouw ziekelijk was. En Mariam
was weggevlucht van Gatok, dat haar te benauwd werd. Een groote angst
voor hongerlijden had haar voortgedreven. Waarheen, bedacht ze eerst
onderweg. Van Affelen zou haar wel helpen en wel bewust was ze zich,
tegen welken prijs ... Maar beter huishoudster bij een blanke, en
een weelderig bestaan, dan ellendig omkomen van den honger, zonder
schande ...
"Wat wil je hier?"
Van Affelen had haar aangeraakt, het hoofd omhoog getild. Droeve,
maar nog vurige oogen blonken hem tegen. Hij moest zich bedwingen ...
"Ik heb honger ... ik ben bang ... help mij ..."
"Kom binnen," hijgde de jonge man.
Maar Mariam aarzelde, keek naar de lamp.
Van Affelen begreep haar beschroomdheid, draaide de lamp heel laag;
zij dreigde uit te gaan. Toen nam hij haar bij de hand, trok haar
de kamer in, sloot de deur. Mariam was in een hoek neergehurkt,
het gezicht in de handen verborgen.
Van Affelen richtte haar op, wilde haar ontdoen van het natte
goed. Mariam verzette zich met de laatste kracht van maagdelijke
kuischheid.
"Eerst geld, ... je hebt het beloofd ... eerst geld, ik moet eten
... ik heb honger ... ik kom terug ..." Ze hijgde benauwd.
Van Affelen moest wel toegeven. Met koortsachtige haast opende hij
de geldkist, op het gemetselde muurtje vastgeschroefd, nam een bankje
uit een trommeltje, een groen papiertje van tien gulden. Mariam greep
het aan, hield het krampachtig in de vuist en wilde heengaan. Van
Affelen hield haar tegen, sloeg de armen om haar heen, kuste haar op
het klamme gezichtje ...
"Neen ... neen; ik kom terug ... ik wil eerst eten ..."
Maar Van Affelen wilde haar niet laten gaan; ze zou niet terugkomen,
vreesde hij.
"Je kunt hier eten,--kom mee ..."
En hij nam haar bij de hand, bleef haar vasthouden, als vreesde hij
dat ze plotseling zou verdwijnen. Hij opende de dispenskast: "Daar,
eet zooveel je wilt."
Hij zette de borden op de tafel, vleesch, rijst.
Mariam at, de hand in den rijstbak stekend, leunende tegen den
wand. Van Affelen had het nachtlampje op de tafel gezet, beschouwde in
het zwakke licht het meisje; hij kon zich nauwelijks meer bedwingen;
van ongeduld brandend, vatte hij haar aan, kuste haar, nog eens,
nog eens ... ze at door, gulzig smakkend ... Maar hij trok haar mee,
scheurde haar half de kleeren van het lijf, in wilden hartstocht ...
Zij worstelde tegen, heel zwak; ze had 't immers gewild?
"Mag ik ... bij je blijven ... als huishoudster? ik ben zoo bang."
Van Affelen beloofde alles ...
Siman was gedwongen getuige geweest van het geheele tooneel. Toen hij
zijn zuster de kamer zag binnenkomen, was plotseling de lust in hem
opgekomen, zich te vertoonen, Mariam te redden van haar lot. Maar
hij reageerde niet meer op impulsen. Zijn geestkracht was lang
reeds weg. De doorgestane ellende had alle gevoel van waardigheid,
van ridderlijkheid in hem gedood. De dorst naar het geld, door de
betrekkelijke veiligheid weer ontwaakt, en door het opengebleven
geldkistje--dat hem den weg zou ontsluiten naar het opium, slaaf die
hij was van dit verfoeilijk genotmiddel--was sterker prikkel voor
zijn bijna verdierlijkt gemoed, dan de schande, getuige te zijn van
de schending zijner zuster. Zoo diep gezonken was hij, dat hij met
ongeduld wachtte op het oogenblik dat Van Affelen en Mariam, uitgeput,
in elkanders armen zouden inslapen. Het geldkastje stond nog steeds
open ...
Maar uren gingen heen, voordat het rustig werd in het vertrek. Het was
lang na middernacht. Nog wachtte Siman een lange poos, voor hij zijn
schuilplaats verliet. Hij kroop naar de deur, draaide geruischloos den
sleutel om. Dan ging hij terug naar de geldkist. Ook het trommeltje
stond nog open; er lag papier en wat zilver in. Met haastige,
bevende handen ledigde de dief het. Op de teenen verwijderde hij
zich, zorgvuldig de deur achter zich dichtdrukkend. Onder het gaan
trapte hij op Mariams natte kleederen. In het bed lag zijn zuster,
naast van Affelen, zijn maîtresse ...
Weer vluchtte Siman weg van Herea. Steeds verder voerde hem zijn
vlucht. Hij moest een grooten afstand hebben tusschen zich en Herea. Al
maar naar het zuid-westen ging hij. Even voor het aanbreken van den
dag eerst zette hij zich neer op een galangan, een donkere stip op het
kale, grauwe land om zich heen. Hier telde hij den buit na: ruim vier
honderd en zeventig gulden. Het was hem een genot al dat geld bijéén
te zien. Nooit was hij zoo rijk geweest. Wat zou hij er mee doen? ...
Eerst opium, dan eten, veel en goed eten. Die gedachte dreef hem
voort. Met het eerste morgenkrieken was hij in de desa Tjakoeng. Aan
een stalletje, waar een oude vrouw voor eenige centen kleine pakjes
dampende rijst verkocht, zette hij zich neer. Hij at er zich zat. Toch
was de rijst weinig meer dan menier. Ze zag grauw van vuil. Siman
lette er niet op, spoelde het voedsel door met troebel water, hem
uit een gore gendie geschonken.
Maar nu stond hij voor een moeilijkheid. Opium wenschte hij. En
de vrouw vertelde hem dat hier in Tjakoeng geen opium te krijgen
was. In Gatok wel, bij Tio Ang Sioe. Maar dat vond Siman toch àl
te gevaarlijk. Tio Ang Sioe had hij eens bestolen, nog onlangs,
en vermoedelijk wist deze wel wie de dief was. Dan liever terug naar
Herea. Dom toch ook van hem, weg te loopen. Wie zou nu vermoeden op hèm
hebben? Hij had rustig in de desa moeten blijven, bij Satima. Zeker,
dat was het beste. Hij kon er zijn geld in niets-doen verteren. Welaan
ja, het was verreweg het beste! Ze zouden een gouden tijd hebben, hij
en Satima. Ze was toch nog een verduiveld knappe deern, en als hij haar
maar eerst in de kleeren had gezet, zou ze nog heel wat lijken. Later
konden ze naar Tjilamatang gaan. Hier was het toch altijd misère.
Welgemoed ging hij weer op weg. Hij voelde zich een heel ander mensch,
krachtig en opgewekt. Ja waarlijk, een deel van zijn geestkracht
kwam terug. Nu, met een gevulde maag en een buidel vol geld is het
ook zoo moeilijk niet de wereld van een zonniger zijde te bekijken!
Tegen den avond bereikte hij Herea. De desa was in rep en roer. Overal
werd de inbraak in de woning van den opzichter besproken. Siman toonde
zich zeer belangstellend en vernam dat de desa-politie, ook Van Affelen
zelf, aan het zoeken was, naar een spoor om eenige ketrangans [244]
te krijgen. Dien morgen eerst was de diefstal ontdekt. Van Affelen was
laat ontwaakt, maar had dadelijk het verlies gemerkt, omdat hij gelden
moest verstrekken aan den koewoe, die hem reeds buiten wachtte. Een
spoor van den dief was evenwel nergens gevonden.
Siman kwam bij Satima met een rijke hoeveelheid opium. Hij gaf haar
geld om goed eten te koopen. Satima keek verwonderd, maar vroeg niets.
Onderweg ontmoette zij weder--Kario.
De gewezen mandoer sprak haar aan, vroeg haar, waar zij nu
woonde. Satima snauwde hem af, schold hem uit. Onder het huiswaarts
keeren bedacht ze weer hoe Siman er toe te krijgen dien ellendeling
uit den weg te ruimen. Die vrouw was onverzoenlijk.
"Ik heb weer dien smeerlap van een Kario ontmoet."
Het waren haar eerste woorden tot Siman, toen zij thuiskwam. Siman
sprong op:
"Waar?" vroeg hij, driftig.
Satima keek hem verwonderd aan. Hoe was Siman nu in eens weer een en
al belangstelling? Ze begreep het verband niet dat er bestaat tusschen
een bevredigd fysiek en een sterken geest. Siman had geld, eten en
opium in overvloed: een deel van zijn geestkracht was weergekeerd.
Satima vertelde.
Siman zeide niet veel en trok er op uit. Waarlijk vond hij al dra den
gezochte. De aanblik van dat gehate gezicht wekte weder zijn wraaklust
op, in al zijn felheid. Hij omklemde het gevest van zijn kris. Maar
daar, op de passer, ging het niet. Dat zou roekeloos zijn. Hij wilde
niet weer missen ditmaal. Hoe hem dus weg te krijgen ...?
Siman dacht na. Satima moest helpen.
Hij ging snel terug naar huis.
"Satima, ik heb hem, maar je moet helpen. Troon hem mee, buiten op de
sawah bij het bruggetje.--Zeg, dat je daar woont ... ik zal er zijn."
Satima had er weinig lust in. Ze wilde niet betrokken worden in een
perkara. Maar Siman was al weg. En dus deed ze, wat haar gevraagd was.
Kario was reeds huiswaarts gekeerd. Maar Satima liep hem achterop.
"Sst! Kario!"
Hij bleef staan. De slet drukte zich tegen hem aan.
"Je bent een domme man; daareven sprak je me aan, en mijn man was
vlak bij me;--hij is zoo jaloersch, weet je--maar ga nu mee ..."
Kario liep in den val.
"Waarheen?"
"Niet naar huis. Mijn man is thuis; ga maar mee, 'mboh Inten woont
buiten, over de brug.--Wat ben je lang weggeweest, vent, ik heb erg
naar je verlangd ..."
"Zoo waarlijk?"
Kario voelde zich gevleid. Verliefd keuvelend voerde Satima hem,
met popelend hart, verder. Ze waren de desa reeds uit. De nacht was
donker. Satima speurde rond, ze zag Siman niet. Als hij zich bedacht
had ...
Nu waren ze op het bruggetje. Geen Siman ...
Toch was hij er. Achter een groot steenblok lag hij goed
verscholen. Nauw waren beiden over het bruggetje of met een sprong
viel hij Kario van achteren aan.
De man uitte een rauwen kreet. Simans kris was hem door den hals
diep in de longen gedrongen. Hij zakte inéén, zonder meer geluid te
geven. Satima, verschrikt, vloog terug naar de desa.
Siman bukte zich over zijn slachtoffer, dat nog zwak ademde. Zou
er nog leven in zijn, zou de man weer aan den dood ontkomen, om
tegen hem te getuigen voor den rechter ...? Siman zocht kalm de plek
uit van het hart. En langzaam dreef de moordenaar het staal in het
lillende vleesch.
Djiah was gewroken.
Kario's hulpkreet was evenwel gehoord door de desapatrouille en Siman
had den tijd tot vluchten verzuimd. Hij zag drie donkere gestalten
naderen, sprong op en zette het op een loopen, de sawahs over. Onder
luid geschreeuw snelde de patrouille hem na. In de desa sloeg de
titiran [245]. Het volk stroomde uit. Het werd een klopjacht, die
met Simans arrestatie eindigde.
Geboeid werd hij in grooten optocht naar den koewoe gebracht. Bittere
gedachten bestormden den moordenaar. Hij zag weer den avond van den
eersten aanslag op Kario. Ook toen had men hem geboeid, ook toen
was het volk te hoop geloopen, ook toen was hij voor den koewoe
gebracht. En de gevangenis was gevolgd, toen de veroordeeling en de
zes maanden gevangenisstraf. Zou hem dat weer wachten? Nu de wraak
gekoeld was, werd het vooruitzicht, opnieuw van zijn vrijheid beroofd
te worden, hem een marteling.
Hij werd opgesloten in het tijdelijk arrestantenhuis. Van Affelen
was naar Sikarang, op hem diende gewacht te worden, alvorens een
beslissing genomen kon worden.
Een boedjang van den koewoe bracht hem rijst met wat water, waar hij
niets aan had, wijl zijn handen hem op den rug gebonden waren. Toen
de bewaker wilde weggaan, riep Siman hem toe: "Vraag den koewoe,
of hij hier wil komen, ik heb belangrijke tijding, die zeer perloe is."
Hij had een idee. Had Sarpan, zijn lotgenoot in de gevangenis, niet
gezegd: met geld doe je alles, kun je ze allemaal omkoopen? Als je
maar geld hebt, krijg je geen tjilaka. Het was te beproeven. Hij was
nu rijk en den koewoe kende hij van vroeger als weinig scrupuleus.
De koewoe kwam.
"Wat wil je?"
"Weet je, waarom ik Kario gedood heb?--Is hij dood?"
"Ja, je hebt goed geraakt."
"En waarom heb ik 't gedaan?"
"Och, zeker die oude perkara; dom van je! Djiah is dood. Die kon je
niet meer helpen."
"Maar was het verkeerd, dat ik dien schurk doodde!"
"Natuurlijk, je hangt er voor."
"Dat is geen bewijs dat ik ongelijk had. Ik moest hem dooden: ik had
't gezworen."
"Is dat alles wat je te zeggen hebt?"
"Neen, Kang, luister eens. Je bent arm, dat weet ik; je hebt 'n groote
familie, die op jouw kosten leeft ..."
"Ja, en ...?"
"Ik kan je rijk maken."
"Jij? Wou je mij tot erfgenaam benoemen?"
"Neen, ik wil je geld geven, nu dadelijk, veel geld, zooveel als je
nooit bij elkaar gezien hebt."
"Hoeveel centen?"
"Tweehonderd gulden."
"Tweehonderd gulden?! Waar zou jij die vandaan halen? Zeg, denk je
soms dat ik gek ben? Ik heb wel wat anders te doen dan naar jouw
praatjes te luisteren, versta-je?"
De koewoe wilde heengaan.
"Blijf nog even; ik houd je heelemaal niet voor den gek. Ik spreek
in vollen ernst.--Je bent toch niet bang voor me, is het wel? Je
bent gewapend, ik niet, en vastgebonden.--Maak mijn linkerhand los,
dan zal ik je hier op de plaats tweehonderd gulden uittellen ..."
De koewoe keek Siman aan. Zou hij het nu meenen of was hij opeens gek
geworden? Siman zag de aarzeling. Er moest gebruik van gemaakt worden.
"Met tweehonderd gulden kun je een heelen lap sawah koopen. Dat maakt
je tot den rijksten tani van het heele district."
"Hoe kom je aan dat geld?"
"Dat is mijn zaak."
"Gestolen heb je 't natuurlijk."
"Wat doet dat er toe. Neem je 't aan?"
"En wat moet ik daarvoor doen?"
"Mij vrijlaten?"
"Ben je gek! Ik werd immers dadelijk ontslagen!"
"Ja, als je je laat snappen, maar dat is niet noodig. Maak één hand van
me los en laat de deur open; morgen zeg je dat ik uitgebroken ben. Jou
kan het niets schelen of ik hang.--Ik heb je vaak geholpen, dat weet
je. Het is een kleinigheid, die ik nou op mijn beurt van jou vraag ..."
"Wat je een kleinigheid noemt, als je blieft."
"Zeker, jij hebt er geen soesah van, alleen pleizier!"
"Maar ik geloof je niet, zie je. Zeg mij eerst hoe je aan dat geld
komt."
"Och, dat kan ik ook wel. Ik heb eergisteren avond ingebroken bij
den opzichter ..."
De koewoe keek Siman met groote oogen aan. Toen sloot hij langzaam
de deur.
"Voor tweehonderd doe ik het niet."
"Bedenk dat ik weg moet van het land, ik heb reisgeld noodig."
"Je hebt een heele boel meer. Vierhonderd moet ik hebben en anders
ga ik weg."
Siman overlegde. De liefde tot de vrijheid was te sterk.
"Goed."
De koewoe maakte zijn handen vrij. Siman knoopte zijn broek los. Op
het lijf droeg hij een gordel, waarin hij het gestolen geld geborgen
had. Hij telde de afkoopsom uit: veertig papiertjes van tien gulden.
De koewoe stak het geld in een binnenzakje van zijn jas.
"En als ik je nu niet vrij laat, en het geld houd?"
"Daar heb ik om gedacht. Het zou je niets geven. Want ik zou je
aanbrengen bij den opzichter en den rechter. Maar bovendien--je hebt
er geen voordeel bij."
Veel werd er tusschen beiden niet meer gesproken.
"Ga nu niet dadelijk weg. Over een uur bijv. Ik zal de waker laten
inrukken," fluisterde de koewoe. Buiten deed hij als sloot hij de
deur af, maar draaide den sleutel weer terug ook.
Het was voor Siman een gemakkelijke vlucht. Sarpan had gelijk gehad. Ze
waren allen omkoopbaar. Met geld deed je alles.
Den volgenden morgen rapporteerde de koewoe dat de gevangene ontvlucht
was. Hij toonde een verbroken slot; het was zijn schuld niet.
Van Affelen vloekte. Dat was al.
Nederman las met volle aandacht de memorie van De Leeuw inzake de
heerendiensten. Herhaaldelijk schudde hij het hoofd en meer dan eens
mompelde hij: "Verkeerd aangepakt, zoo gaat 't er zeker niet in."
Het schriftstuk is waard in zijn geheel te worden weergegeven. Het
luidde aldus:
Motiveering van mijn meening dat de zeer zware heerendiensten
onwettig worden geheven.
"Ter voldoening aan een verzoek van den administrateur van Alas
Bamboe, den heer N. Nederman, zal ik hieronder,--ter motiveering
van mijne tegenover hem uitgesproken meening dat de op dit land
geheven heerendiensten te zwaar zijn en dus in strijd met den geest
en de bepalingen van het reglement van 1836, bovendien onwettiglijk
worden gevorderd--ongereserveerd mij uitspreken over de toestanden
op Alas Bamboe, te specialen opzichte van de heerendiensten.
De betreffende artikelen systematisch volgende, stuit ik op de
volgende, welhaast tot adat geworden, overtredingen van wettelijke
bepalingen:
Er wordt vaak meer gevorderd van de opgezetenen dan een dag arbeid
in de week, en ook wordt niet één dag van elke week gevorderd,
daarentegen vaak een reeks opvolgende dagen, zes of zeven of meer,
welke gevolgd heeten te worden door evenzoovele weken vrij-af. Aan
dit laatste wordt echter niet de hand gehouden.
Er wordt geen voldoende voedsel verstrekt aan de
heerendienstplichtigen.
Ook personen, die beneden of boven de leeftijdsgrenzen zijn,
worden vaak genoodzaakt heerendienst te verrichten.
Het is wel eens gebeurd--niet in mijn afdeeling--dat zieken
in tijden van gebrek aan werkkrachten tot het verrichten van
heerendiensten werden gedwongen.
Het komen en gaan van de opgezetenen van en naar hun woonplaats
wordt nooit onder den arbeidsduur gerekend.
Nooit wordt twee cents per paal boven de vijf paal afstands
tusschen werk- en woonplaats te goed gedaan.
De heerendienstplichtige moet zijn arbeid ook geven aan
ondernemingen, voor uitsluitend profijt van den landeigenaar
aangevangen.
Overeenkomsten te dezen aanzien worden niet gesloten.
Ik geloof niet dat ik ten opzichte van deze punten nadere
toelichting behoef te geven. De toestand is als ik afschilderde
en van geen eerlijk man, die weet dat ik de waarheid spreek,
zal tegenspraak te verwachten zijn. Ik ben veertien jaren op
het land werkzaam geweest en heb den tijd gehad om me heen te
zien. In het bovenvermelde heb ik dus aangetoond dat te zware
diensten worden gevorderd.
Rest mijn inzicht te motiveeren, dat die diensten onwettig
worden geheven.
Hoe zijn de rechten van heerendienstheffing ontstaan? Omtrent de
landen Alas Bamboe en Telatiga heb ik de volgende gegevens weten
te vinden:
In de koopakte dan, waarbij door het Engelsche tusschenbestuur
het land Alas Bamboe aan den heer Henry Barker Melville werd
verkocht d.d. 30 December 18.., staat uitdrukkelijk gestipuleerd
dat niets anders verkocht was dan het recht tot belastingheffing
tot het bedrag van 1/5 van het padigewas van de opgezetenen van
het land, met bepaalde uitsluiting van alle heerendiensten en
gedwongen leveringen.
Bij de codificatie van de rechten en verplichtingen der eigenaren
in 1836 zijn in art. 61 van het reglement op de particuliere
landerijen de speciale voorwaarden van verkoop in stand gehouden.
Bij gouvernements-besluit van den 1en October 18.. werd
desalniettemin het recht van heerendienstheffing geschonken aan
de eigenaren van Telatiga en Alas Bamboe (deze beide landen waren
bij de acte van 26 October 18.. uit het land Alas Bamboe ontstaan.)
De oud-resident J. Kan schreef omtrent de onwettigheid zijns
inziens dezer gunstbetooning:
"Bij art. 2 § 4 van de bekendmaking van November 18.., welk
artikel in art. 61 van St.bld. 1836 no. 19 gehandhaafd is, waren
de heerendiensten uitdrukkelijk afgeschaft. Sedert den afstand
in 18.. en na de publicatie van 18.. waren zij ook nimmermeer
gevorderd. In spijt daarvan evenwel werd vergund heerendiensten te
vorderen en hiermede riep de regeering in het leven een belasting
in arbeid ten behoeve van particulieren, in strijd met art. 60 van
het toen vigeerende regeeringsreglement (Staatsblad 1836 no. 48)
luidende: "Geene belastingen mogen voortaan in N. I. geheven
worden, dan op een publicatie van den gouverneur-generaal na
daartoe vooraf onder gewone omstandigheden verkregen te hebben
de toestemming des konings."
De regeeringsbeginselen, ook thans nog, eischen de goedkeuring
van den koning op de invoering van nieuwe belastingen, wanneer
geen voorafgaande machtiging daartoe is verleend.
Tot de uitvaardiging van het besluit van .. Maart 18.. no. 10
werd die goedkeuring des konings niet verkregen, toen niet en
later niet. Zoodat bedoeld besluit nietig is naar den inhoud
en onwettig naar den vorm, wijl het niet bij publicatie werd
afgekondigd, zoodat zelfs de betrokken bestuursambtenaren er geen
kennis van droegen. Bovendien zou een koninklijke goedkeuring van
deze belasting ten behoeve van particulieren nooit verkregen zijn.
Ook is volgens den heer Kan duidelijk dat hier een gunst bewezen
werd aan de landeigenaren ten nadeele der ingezetenen, immers
aan de eigenaren van de andere, gelijktijdig met die landen en op
dezelfde voorwaarden, krachtens dezelfde bekendmaking, verkochte
landerijen werd een gelijke gunst niet toegekend, toen niet en
ook evenmin daarna.
Een nog treffender bewijs van de onregelmatigheid, hierboven
bedoeld, vond Kan in het feit: dat toen in 1857 de eigenaar van een
der landen in het Semarangsche de Regeering verzocht heerendienst
door de bevolking van zijn land te mogen doen verrichten, hem
dit "op grond der verkoopvoorwaarden van 5 November 1812" werd
geweigerd! Al evenzeer wijst op die onregelmatigheid de tot op
dezen dag gehandhaafde clausule in alle acten van overschrijving,
zoowel als in de openbare registers, in verband met de beide
particuliere landen "dat de eigenaren van de bevolking geen
heerendiensten mogen eischen."
Men zou een ander, en wellicht het krachtigste bewijs van het
feit dat gedurende ruim zestig jaar onrechtmatig heerendiensten
werden gevorderd, kunnen vinden in het gouvernementsbesluit van den
.. April 18.., waarin de regeering beslist erkent de onwettigheid
van het heffen van heerendiensten op de beide bedoelde landen.
Welnu, ik kan niet anders dan mij volkomen aansluiten bij de
meening van den oud-resident Kan. Men zal mij allicht tegenwerpen
dat het Polynesisch recht den souvereins-grondbezitter toekent
het recht van de opgezetenen te vorderen een belasting in
arbeid buiten een deel van de opbrengst der door die bevolking
gecultiveerde gronden. Dat derhalve de koopers der particuliere
landerijen een zeker adatsrecht kunnen doen gelden op de
heffing van heerendiensten. Dat de regeering vòòr het Engelsche
tusschenbestuur, en deze tusschenregeering zelf, te weinig waarde
heeft gehecht aan het adatsrecht.
Ik heb hierover nagedacht. Krachtens deze stelling zou de
belasting in arbeid het karakter verliezen, dat de heer Kan
haar overeenkomstig art. 60 van het regeerings-reglement van
1836 toekent, en behoefde de verleening, jaren later, van dit
belasting-recht, waarvan sedert den koop geen gebruik meer was
gemaakt, niet te worden afgekondigd als bij bedoeld art. 60
R. R. 1836 voorgeschreven, n.l. bij publicatie. Ten overvloede
zou dan nog kunnen worden aangevoerd dat bij jarenlang bestaand
gebruik dit daarom wordt geacht afgekondigd, d. i. wettig te zijn.
De erkenning van de onwettigheid der heerendienstheffing,
opgesloten in het raadselachtig gouvernementsbesluit van --
April 18--, zou dan evenzeer als een gebrek aan rechtskennis bij
de adviseurs der toenmalige regeering moeten worden aangemerkt.
Dit alles schijnt logisch in elkander te sluiten.
Echter heb ik een bedenking. Het wil mij--maar ik heb geen
juridische opleiding gehad, en het is mogelijk dat ik daarom
wat meer gevoel voor recht heb--het wil mij dan voorkomen dat
bij deze argumenteering over het hoofd gezien wordt, dat door
de rechtmatige beschikkers over den grond geenszins verzuimd is
rekening te houden met het adatsrecht; dat zij integendeel bij
het uit handen geven van den grond eens en voor al, het ontstaan
van misbruiken uit een niet te controleeren rechtsmacht hebben
willen voorkomen, weshalve bij den verkoop de uitdrukkelijke
voorwaarde werd gesteld dat de grond vrij van heerendienst zou
overgaan in andere handen. Van een tekortdoening in rechten kan
onder deze omstandigheden geen sprake zijn, wijl de kooper geheel
vrijwillig de voorwaarde aanvaardde. Het Engelsche tusschenbestuur
heeft juist, zeer practisch, met het ondeugdelijke, tot velerlei
misbruiken aanleiding gevende adatsrecht in dit bijzondere opzicht
voor immer gebroken, waarvoor het nu nog lof verdient. Het
heeft juist met één bepaling een eind gemaakt aan juridische
sofisterijen van later. Is dit, mijn inzicht, juist--waarvan
ik overtuigd ben--dan wordt nu reeds sedert ruim zestig jaren
onwettelijk heerendiensten geheven op Alas Bamboe en Telatiga.
Mij wil het daarom voorkomen voor eigenaren een plicht
der menschelijkheid te zijn, aan het bestaande onrecht ten
spoedigste een eind te maken. Ik wijs er bovendien op, dat
de verbittering onder het volk tot gisting is overgegaan. En
waarlijk geen wonder! Veiligheid van persoon of goed bestaat
eenvoudig niet. Moreel is het stelselmatig gedemoraliseerde volk
gedwongen te doen wat eigenaren wenschen, op poene van vergaan. Het
voedselgebrek verdient reeds den naam van hongersnood. Klachten
hebben niet het minste effect. Of weigerde niet in 18..--om het
meest sprekende voorbeeld aan te halen--het bestuurshoofd der
residentie de klachten aan te hooren, welke de bevolking eerst te
Telatiga, later op zijn standplaats, waarheen een deputatie hem
gevolgd was en waar de lieden creveerden aan koortsen, bij hem
inbracht? Hoe begreep die hooge ambtenaar den plicht, hem opgelegd
in art. 55 R. R. 2e al.: den inlander overal gelegenheid te geven
vrijelijk klachten in te dienen? Natuurlijk is dit bestuurshoofd
op zijn tijd beloond met het ridderkruis van den Nederlandschen
Leeuw. Virtus nobilitat!
Van dezen beschermer der bevolking hebben de eigenaren van Alas
Bamboe en Telatiga geen menschelijkheid kunnen leeren. En in
18.. werden zij straffeloos verklaard door een gouverneur-generaal,
die zijn "eersten plicht" niet kende ...
Ik dring zeer ernstig aan op prijsgeving, althans zeer groote
verzachting, van het z.g. "recht" van eigenaren tot heffing van
een belasting in arbeid.
De opzichter van de districten
Alas Bamboe en Goenoeng Malang
van het land Alas Bamboe,
DE LEEUW.
Nederman vouwde in gedachten het geschrift dicht.
"Ik zal het opzenden," mompelde hij. "Het is wel eens goed, dat hun
de waarheid gezegd wordt. Des te beter als ik het niet behoef te
doen. Om den drommel geen domoor, die De Leeuw!--maar het zal hem
een douw geven."
Het gàf hem een douw!
De hoofdadministrateuren waren ten zeerste ontstemd. Zij schreven
dat zij den eigenaren zeer zeker in kennis zouden stellen met
het schriftuur, komende van een werknemer, en dat op zijn minst de
betiteling van zeer eigenaardig verdiende. In den brief werd overigens
op zeer hoogen toon aan den employé te verstaan gegeven dat men in
den vervolge niet gediend zou zijn van uitingen van zijn overdreven
en ziekelijke filantropie en gaarne een wat meer te waardeeren vorm
van zijn werkzaamheden op het land zou zien.
De Leeuw was woedend. Zonder tijd van beraad--hij zou ook zeker niet op
zijn besluit zijn teruggekomen; daar was hij te koppig voor--schreef
hij Nederman dat hij zijn ontslag nam. Hij gaf den administrateur
veertien dagen tijd om een anderen employé te engageeren en zwichtte
voor geen overreding tot blijven, noch van den administrateur, noch
van de collega's.
"Wat dachten ze wel van 'm, verdomme ...!"
Hij ging heen, met de bedreiging van een open aanklacht tegen eigenaren
en hoofdadministrateuren in een dagblad, ten bate van het geknechte,
geestelijk gedegenereerde volk.
Hij hield woord. Een goede kennis van hem was journalist. Dien
lichtte hij in. Tegelijk kwamen uit Telatiga berichten in de
persorganen omtrent den nijpenden hongersnood. De publieke opinie
begon zich met het drama bezig te houden. Er werd aangedrongen op een
regeeringsonderzoek. Maar de weken verliepen en groeiden tot maanden
... De bevolking van Alas Bamboe en Telatiga creveerde van gebrek en
honger, of verliep naar de gouvernementslanden en het alarm der pers
bleef de stem van den roepende in de woestijn. De regeering bleef
zwijgen, als altijd.
Toen kwamen betere tijden. Langzaam, heel langzaam begonnen de landen
zich te herstellen van de doorgestane ellende. Toch heerschte nog
allerwege nijpend gebrek. Nog had een onderzoek veel rots aan het
licht kunnen brengen.
En de regeering besloot, bijna te laat, een hoofdambtenaar uit te
zenden om een officieel rapport uit te brengen over den nood. In
de keuze van haar dienaar was de regeering niet gelukkig. De
hoofdambtenaar was meer dan eens ... onbetrouwbaar gebleken, steeds
bezield van een geheel verkeerd begrepen esprit de corps.
Men wachtte het rapport af.
De regeeringscommissaris reed in snelle vaart per postwagen van
Telatiga over een gedeelte van het district Sikarang naar de woning
van den administrateur Nederman. Hij werd er met schuimende champagne
ontvangen. Eenige uren bracht hij in zeer opgeruimde stemming door in
de gastvrije woning, deed enkele vragen, teekende eenige inlichtingen
op, en verwijderde zich toen weder per postwagen. Het onderzoek
was zoo degelijk dat de regeeringscommissaris zelfs niet opmerkte
de opzettelijk zichtbaar te werk gestelde mannen en vrouwen in de
sawahs en langs den weg, dien de inspecteerende en rapporteerende
hoofdambtenaar zou afleggen. Deze lieden waren uitgezocht. Het lijkt
een sprookje: de meest welvarend uitziende menschen uit de desa's
hadden van het bestuur, door tusschenkomst van den controleur der
naaste contrôle-afdeeling, de prentah aloes ontvangen "zich te
kleeden als op lebaran"; de rest der kampongbevolking, de magere,
armoedige lieden "zich niet buiten de desa te vertoonen, aan den weg
des hoofdambtenaars."
De mystificatie, hoe grof ook, had geen effect: de hoofdambtenaar
stelde geen onderzoek in. Niets zag hij van hetgeen men hem had
willen laten zien, van wat hem als het ware werd voorgezet. Hoeveel
zal hij gezien hebben van hetgeen verborgen werd gehouden! Hoeveel
zal hij vernomen hebben uit den mond der desalieden, die hij niet
sprak! Trouwens, de mededeelingen van den administrateur waren
volmaakt voldoende. Zoo onderzoeken intègre, bekwame, hoogbezoldigde
hoofdambtenaren wel meer in Indië.
Het logenachtig rapport verscheen: de nood werd ontkend! Wel was
er een zware tijd geweest, maar het volk was weder aan den arbeid;
het product was weder in den grond. Hij, rapporteur, had streek
en bevolking gezien; bijzondere maatregelen waren niet noodig;
de landeigenaren waren de bevolking, waar noodig, krachtig te hulp
gekomen. De palawidja was goed geslaagd; hij produceerde er cijfers
van. Hoe kwam hij aan die cijfers, waar geen aanteekening gehouden
wordt van de tweede gewassen, wijl er niets van "geheven" wordt? Waren
die cijfers verzonnen of hem verstrekt door den administrateur?
Nuttelooze vragen. Het regeeringsgeweten was gesust. Daar was het om
te doen, niet waar?
De rapporteur schermde met groote getallen: de rijstproductie; nam
een rijstcoëfficient aan van 0,50, op niets berustend ... Wat deed
het er toe? Wie, die hem controleeren zou? Enkele persorganen! Nou
ja--maar officieel bestond de nood niet.
Een knipsel uit een der Java-bladen:
J'accuse!--Over den welhaast geleden hongersnood op de particuliere
landerijen Alas Bamboe en Telatiga bereiken ons, in spijt van
de officieele ontkenning van zijn bestaan, nog zeer treurige
berichten. Is het nog noodig deze berichten na onze uitvoerige
mededeelingen van gisteren, eergisteren en vorige dagen, weken
achtereen, mede te deelen? Wij gelooven niet; alle jobstijdingen
zijn samen te vatten tot deze eene stelling, door machtiger pen
dan deze der Indische regeering, der Nederlandsche natie in het
aangezicht geslingerd: De Javaan wordt mishandeld!
Hieronder onze akte van beschuldiging. Wij weten dat hier in Indië
met de belachelijke wetten op de drukpers geen recht te krijgen is
voor tienduizenden; dat artikel 282 e.v. van het drukpersreglement
misdrijf in de hand werkt, en strijd tegen onrecht straft met
vrijheidsberooving. Evenwel, wij doen een beroep op onze aanstaande
rechters en noodigen hen uit een enkele maal den moed te hebben af
te wijken van de geschreven wetten; te gelasten dat een onderzoek
worde ingesteld naar de waarheid van wat wij zullen zeggen; ons te
vergunnen te bewijzen de gegrondheid der door ons uit te spreken
beschuldigingen. Wij kunnen bewijzen dat wij de waarheid dienen. Of
wij mogen bewijzen, hangt van onze rechters af. Welnu, wij noodigen
hierbij onze rechters uit den moed te hebben recht te doen.
Het zij hier zonder hoogmoedige vergelijking gezegd: "Hier staan
wij; wij kunnen niet anders."
Wij beschuldigen de eigenaren van de particuliere landerijen Alas
Bamboe en Telatiga, stellende hen verantwoordelijk voor het in
hun naam gevoerde en door hen goedgekeurde beheer op genoemde
landen, om het even of de rechtsgeleerden zullen glimlachen om
deze beschuldigingen van het rechtsgevoel, om het even of de
overtredingen, vergrijpen en misdrijven al dan niet vallen in de
termen der geschreven strafwet, van:
1e, overtreding van art. 10 van het Reglement op de particuliere
landerijen bewesten de Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19) wegens
het als regel heffen van meer dan het een-vijfde gedeelte van
de opbrengst;
2e, overtreding van art. 11, 2e al. van v.z. Regl. wegens het
doorloopend uitoefenen van moreelen dwang op de bevolking bij het
sluiten van de "vrijwillige overeenkomsten" tusschen bevolking
en eigenaren tot levering van tjoeké in rijst;
3e, overtreding van art. 13 van vz. Regl. wegens het weigeren
rekening te houden met de hoegrootheid van de opbrengst, bij
mislukking van het gewas buiten de schuld des erfpachters;
4e, overtreding van art. 26 van vz. Regl., wegens het niet
verstrekken van behoorlijke voeding aan de heerendienstplichtigen;
5e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het vorderen
van meer dan één dag onbetaalden arbeid in de week;
6e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het niet betalen
van twee cents voor elken paal afstands boven den afstand van
vijf palen tusschen de plaats der werkzaamheden en de woningen
der heerendienstplichtigen;
7e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. paragraaf c wegens het
vorderen van heerendiensten van hen, die volgens de inlandsche
gewoonten (adat) vrij zijn van persoonlijken arbeid;
8e, overtreding van artikel 26 van vz. Regl., laatste alinea,
wegens het niet onder den onbetaalden arbeid rekenen van den tijd,
benoodigd voor het komen en gaan van de heerendienstplichtigen
van en naar hun woningen;
9e, overtreding van artikel 29 van vz. Regl. wegens het bezigen
der opgezetenen tot het verrichten van diensten, nadrukkelijk
door bedoeld artikel verboden;
10e, overtreding van artikel 32 vz. Regl., wegens het aanleggen
en instandhouden van dammen en doorgravingen, het verleggen en
verstoppen van bestaande rivieren, waarbij het gouvernement en
gouvernementsonderdanen belang hebben, zonder vergunning, zelfs
tegen het protest der plaatselijke autoriteiten in;
11e, overtreding van artikel 40, eerste alinea van vz. Regl. wegens
het tot stand brengen van alle zulke ondernemingen, welke de
landeigenaren voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt,
met de hulp der landsopgezetenen, zonder zich van die hulp door
het aangaan van vrijwillige overeenkomsten te verzekeren;
12e, het nemen van woekerrenten op de in geld of padi verstrekte
voorschotten aan de bevolking;
13e, het eischen van verpakkingsmateriaal (gonnizakken) tegen
minder betaling dan door de opgezetenen vaak werd uitgegeven om
dat onwettig geëischte materiaal in hun bezit te krijgen;
14e, het meten en wegen met valsche maten en gewichten bij de
ontvangst der heffing-contingenten padi of rijst, ten nadeele
van de opgezetenen;
15e, bedrog bij de ontvangst der sub. 14e bedoelde contingenten
door verzwaring der, later geijkte, gewichten, dan wel door
moedwillige onjuiste weging, ten nadeele der opgezetenen;
16e, contractbreuk ten nadeele der bevolking door moedwillige
overschrijding van de bevoegdheden, den eigenaren bij de
vrijwillige overeenkomsten toegekend;
17e, opzettelijke misleiding van een door de regeering uitgezonden
ambtenaar, wien opgedragen was een onderzoek in te stellen naar
de toestanden op de particuliere landerijen;
alle welke feiten, herhaaldelijk of doorloopend gepleegd,
daarstellen de misdrijven: kwade trouw, afpersing, diefstal,
knevelarij en misbruik van gezag, strafbaar gesteld bij de
ongeschreven wetten van het rechtsgevoel;
onder aanteekening dat als zeer verzwarende omstandigheden moeten
worden aangemerkt de bewustheid van het plegen dier misdrijven,
blijkende deze immers uit de erkenningen en uit de op de landerijen
aangehouden boeken, registers en statistieken.
Wij hebben gesproken, belangeloos, zonder mandaat van, niet gekend
zelfs door de duizenden daarginds, die nog steeds wachten op recht.
Die lieden, uitgezogen, gekneveld, bedrogen, bestolen, mishandeld,
vragen geen gunst, noch ook eischen zij vergelding voor hun
pijnigers, al hebben zij tot eischen recht.
Zij hopen slechts dat in den vervolge niet méér van hen gevorderd
worde, dan waartoe zij verplicht zijn.
Zij eischen niets, zij hopen en verzoeken ...
De geestkracht, noodig om, bij bewustzijn van hun recht, ook
te dwingen tot erkenning van dat recht ontvliedt den menschen,
als de honger hun lichaam pijnigt.
Lang reeds is dus de geestkracht van de bevolking daar ginds,
honderd en vijftig duizend zielen, gevloden.
Die honderd en vijftig duizend zielen doen jaar op jaar, en jaar op
jaar te vergeefs, een beroep op het plichtsgevoel der ambtenaren.
Hoe hebben de ambtenaren verantwoord, den smaad op hen als
dienaren der Nederlandsch-Indische regeering geworpen, door ons,
die streden met open vizier, ongestraft te hebben gelaten?
Zij zwegen, en met hen de eigenaar ...
Aan onze rechters van morgen de taak hen te dwingen tot spreken ter
verdediging, hen te gelasten verantwoording te geven van hetgeen
zij gedaan hebben met de bevolking, die hun werd toevertrouwd,
die recht heeft op den grond, welken zij bebouwt en vruchtdragend
maakt, en die in goede tijden het recht mist van elk levend
schepsel: dat van verzadigd te zijn ...
Moeten de feiten voor hen antwoorden, wanneer de tijd daar is,
dat de bajonet op de geweerloopen gezet wordt om de "rust"
te herstellen?
Opgejaagd, zonder verblijf, verdierlijkt door de ellende, verzwakt
naar het lichaam door gebrek, gedemoraliseerd naar den geest, gekweld
door zelfverwijt, had Siman rondgezworven. Zijn geld was hij kwijt. Op
zijn beurt had men hem bestolen; familieleden van Kario hadden hem
hardnekkig vervolgd; hij was uitgeweken, en weergekeerd, wijl hij
te zeer verlaagd was door gebrek, te zeer verstompt door opium, om
zich een nieuw bestaan te scheppen ginds. Zijn lichaam was uitgeput,
voedsel had hij in dagen niet genuttigd; de onmogelijkheid om opium
in handen te krijgen had hem een soort dilirium bezorgd; koortsen
sloopten zijn gestel ...
Hij had zich voortgesleept naar den boschrand, daar was hij
neergezegen, krachteloos, stervend ...
Daar hongerde hij dood.
De slechte gevolgen van den hongersnood werden voor de eigenaren
eenigszins goedgemaakt: de rijstprijzen stegen.
Tegen den redacteur van het blad, waarin de felle beschuldiging tegen
de eigenaars had gestaan, werd, op hun aanklacht, een strafgeding
aanhangig gemaakt. Hij had niets mogen bewijzen en werd veroordeeld
tot drie maanden gevangenisstraf wegens "laster" ...