......
"Het is mooi. En," vroeg hij wat sarcastisch, "heeft dit besluit
geholpen?"
"Och, wel neen. Integendeel: de lui begonnen te requestreeren, zooals
de heeren wel weten zullen."
"O, ja, alles bekend. Requesten aan den gé-gé, deputaties zelfs,
die bij mijnheer Kan zijn geweest, te Batavia. Als die ons maar kwaad
kon doen ..."
"Het is mij intusschen niet recht duidelijk, wie de lui op het goede
spoor heeft gebracht. Want wat wist de desaman nu eigenlijk van Kan,
of dat hij te Batavia te vinden was?"
"Hebt u dan niet gehoord van dien raden Djakaria?"
"Djakaria, neen."
"Die is mantri of zooiets geweest hier op de landen. 'n Echte
onruststoker, die zich in het hoofd gehaald heeft dat hij de lui
moest helpen. Die kerel woonde te Batavia en heeft de deputaties
den weg gewezen. Ten minste, dat werd mij uit Batavia geschreven,"
zeide Versnoek. "Gelukkig dat de autoriteiten zoo leep waren, zich
aan dien belachelijken nonsens niet gelegen te laten liggen."
"Neen al die ophitserij en pasangans [222] hebben de lui geen stap
verder gebracht. Trouwens, de grieven waren maar vermeende."
"Maar, mijnheer Van Dam, om nu niet af te dwalen: wij willen u
verzoeken een bezoek te brengen op de landen."
"Waarvoor dat?"
"Och, kijk, in de eerste plaats zou u het bezoek als een inspectie
kunnen beschouwen. Dat kan nooit kwaad. Er zou eens gevraagd kunnen
worden of u wel eens de landen bezoekt, niet waar? Maar ook zouden wij
u willen verzoeken om uw invloed aan te wenden ten einde de menschen te
overtuigen dat ze verkeerd doen met te volharden bij padi-levering. Als
u dan nog eenige inlandsche hoofden wildet mede ...."
"Neen, maar dat kan ik niet doen. Wel, neen, dat gaat niet. Men zou
mij van buiten deze inmenging euvel kunnen duiden. Ik heb er immers
niets mede te maken? Ik registreer alleen de overeenkomsten. Verder
gaat mijn bemoeienis niet. Neen, dat kan niet!"
Van Dam schrok er van. Stel je eens voor als daar eens een verkeerde
voorstelling van werd gegeven! En hij was heel beslist in zijn
weigering.
De anderen begrepen dat zij op dit punt niet te zeer moesten
aandringen, wilden zij geen argwaan omtrent de ware bedoeling van
hun verzoek wekken.
"Ja, dat is waar," haastte zich Versnoek te antwoorden. "Daar dacht
ik zoo gauw niet aan. U hebt gelijk, u hebt volkomen gelijk."
"Nietwaar?"
"Zeker, zeker. Enfin, dan moeten ze het maar zelf brouwen. Wij kunnen
niet meer doen dan we doen. Maar u wilt toch zeker wel een kijkje
nemen, want ik voorzie moeilijkheden en dan is het een geruststelling
voor ons, ook tegenover de eigenaren, ziet u, wanneer wij naar u
kunnen verwijzen in de verklaring, dat de wijziging der toestanden
niet is te wijten aan slechte administratie of vexaties onzerzijds."
"O, zeker, dat wil ik u graag beloven. Ik was toch reeds van plan u
te verzoeken mij bij u te ontvangen."
"Mooi, dat klopt dus prachtig. En mogen wij u dan de volgende week,
laten we zeggen Woensdag, verwachten?"
"Woensdag, neen dat zal niet kunnen. Laat 's kijken: Wat dunkt u
van Vrijdag?"
"Uitmuntend, het komt er voor ons op den dag niet aan. En zorgt u
dan maar niet voor reisgelegenheid. Ik zal u het rijtuig wel hierheen
sturen en mijnheer Nederman zal dan wel verder zorgen."
"Natuurlijk," zei Nederman.
"Ook goed. Dat is dus afgesproken."
"Maar dan is er nog iets. We moeten op alles voorbereid zijn, ziet
u. En als de lui nou halsstarrig blijven bij den wensch om padi te
leveren, dan moeten wij daarop rekenen. En het is noodig dat wij dan
het aandeel padi van den landheer op het veld wegen. Anders is elke
contrôle onmogelijk."
"Dat is begrijpelijk."
"Juist, en al zijn wij volkomen in ons recht daarmede, dit recht
wordt ons niet uitdrukkelijk verleend in het reglement en natuurlijk
zal men ons betichten van onwettige handelingen als we niet meer doen
dan wat de wetgever natuurlijk bedoeld moet hebben. U zoudt ons daarom
zeer verplichten met ons te machtigen de padi te wegen."
"H'm."
Van Dam zweeg en dacht na. Instinctief begreep hij dat hij aan het
verzoek niet moest voldoen. De inkleeding kwam hem verdacht voor. Maar
de drijfveer kon hij gissen noch raden.
"H'm. Ik geloof niet dat dit in mijn bevoegdheid ligt, mijnheeren."
"Niet?"
"Neen, ik zou u raden u te wenden tot den procureur-generaal. Dit is
een justitie-zaak, ziet u, en competeert mij, bestuursman, niet."
"Maar het heeft toch absoluut geen beteekenis?"
"Neen, dat is wel mogelijk. Maar het gaat hier toch om een
wetsuitlegging, hé? en daar houd ik mij liefst buiten. Waarlijk ik
zou in uw plaats mij tot den procureur-generaal wenden."
Verder aandringen der bezoekers baatte niet. Van Dam wenschte zich
niet in een wespennest te steken.
In den namiddag reden Nederman en Versnoek weer naar huis, na den
rijken maaltijd bij Van Dam alle eer te hebben bewezen.
Dien avond en ook den volgenden dag bleef Nederman de gast van
Versnoek. Dien tijd hebben zij benut met ongeveer gelijkluidende
brieven te schrijven aan de hoofdadministraties te Batavia, de
Nederlandsch-Indische Commercieele Bank en de firma Biederman en Van
Lochem, waarin werd aangedrongen van den procureur-generaal machtiging
te erlangen tot weging van de padi bij den snit.
Siman was vrij. Vrij om weer te gaan waarheen hij wenschte, vrij om
zich te bewegen gelijk hij verkoos, om te doen en te laten wat hij
wilde. Vrij om zijn wraak te koelen, een wraak, in de eenzame uren van
zijn gevangenschap uitgegroeid tot een allesbeheerschenden hartstocht.
Dien morgen was de cipier hem komen mededeelen, dat hij kon gaan. En
niet langer dan noodig was, had hij nog vertoefd te Telatiga. Hij
ging weer gekleed in zijn oude plunje, die hij versteld had, en in
zijn gordelband had hij het weinige geld, dat hem werd uitgereikt
als zijn verdienste met gedwongen arbeid tijdens den gevangenistijd.
Hij was heen gestapt, voort naar het westen, al maar naar het westen,
naar Alas Bamboe, naar Herea, naar Kario! Hij dacht in de eerste uren
van zijn vrijheid niet aan eten of andere lafenis, niet aan rust. Hij
liep maar voort, uur na uur.
Achter hem klapte een zweep en rolde een rijtuig: hij hoorde het
niet. Eerst door een ruwen schreeuw van den koetsier schrok hij op
en deed een sprong zijwaarts. Rakelings vlogen de wielen langs hem
heen; de twee vurige Sandelwoods, schichtig geworden, trokken aan
de teugels. Uit den wagen werd hem een scheldwoord naar het hoofd
geslingerd:
"Minggir, asoe!"
Het was Nederman, die van Sapekan terug reed naar Alas Bamboe.
"Hond!" Ja, zoo was hij gescholden. Een schrijnende pijn ging Siman
door het gemoed. Hij, een hond! Die blanke daar had hem een hond
durven noemen! Wist die beul, die uitzuiger, dan dat hij uit de
gevangenis kwam? Zou hij hem herkend hebben? Hij, die Europeaan,
was ook schuld aan zijn leed, hij, die zijn ondergeschikten dwong om
de bevolking te bedriegen en te bestelen. Zie, hoe schraal de sawahs
weder stonden. Door de droogte! Dat was hier op Telatiga. Hoe zou
het op Alas Bamboe zijn? En te Gatok? Hoe zou hij zijn oude moeder
weer vinden en de zusjes, en zijn kleinen, lieven jongen? Wat zou
die gegroeid zijn ...
En nog langen tijd peinsde hij zijn hersens moede, hoe het wederzien
zijn zou? En de tijd, die hem nog scheidde van dat wederzien,
leek hem langer dan de tien maanden, die hij in de gevangenis had
doorgebracht. En toch weer, hoe zag hij op tegen de ontmoeting ...
Een onprettige verrassing wachtte Nederman bij zijn thuiskomst, wat
hem dubbel onaangenaam stemde waar hij, moede door den langen rit in
den wagen en gekweld door zorgwekkende gedachten, naar een oogenblik
van verpoozing had verlangd. Het eerste, wat hij op zijn bureau zag
liggen, was een brief van De Leeuw. "Spoed" stond er met groote,
ronde letters op.
Nederman had bitter weinig lust om zich nu weer met zaken te
occupeeren, maar hij begreep wel dat De Leeuw inderdaad dringende
mededeelingen zou hebben. Hij opende de enveloppe en las. Aan zijn
gelaatsuitdrukking was wel te zien dat het nieuws hem weinig aangenaam
was. Het was dringend nieuws, dat De Leeuw mededeelde. En aan den
datum zag de administrateur, dat de brief reeds twee dagen op zijn
schrijftafel had gelegen, hetgeen door Karto, den huisjongen, ook
werd bevestigd. De Leeuw, wetende dat de administrateur van het land
was, had op schrift gesteld wat hij mondeling had willen behandelen,
teneinde zijn chef zoo spoedig mogelijk te kunnen inlichten. En
waarlijk, er was haast bij! De lieden van de desa Tegal Ombo hadden
gezamenlijk geweigerd de vrijwillige overeenkomsten te teekenen: zij
wilden padi leveren, niets anders dan padi, geen korrel rijst. De
Leeuw, die vernomen had dat groote ontevredenheid onder het volk
heerschte, had het noodig geoordeeld zich in de desa te vertoonen. Daar
had hij de lieden voor zich doen verzamelen en van de oudsten van
het dorp had hij vernomen waarom het ging. De aanleidende oorzaak
van de plotselinge verbittering was weer de heerendienst geweest. De
opgezetenen hadden weer meerdere en langere dagdiensten verricht dan
waartoe zij rechtens verplicht waren. Enkelen hunner hadden geweigerd
aan de prentah van den koewoe om uit te komen te voldoen en deze
had toen een drietal doen opbrengen naar Sikarang, zooals steeds met
weigerachtigen geschiedde. De koewoe wist niet dat de administrateur
zich te Telatiga bevond; anders zou hij met de opzending wel gewacht
hebben. Die arrestatie nu had kwaad bloed gezet.
Tegal Ombo is een desa, juist op de grens van de beide districten Alas
Bamboe en Sikarang, en is bij laatstgenoemde afdeeling ingedeeld. De
rijstvelden liggen evenwel voor het grootste deel in het district Alas
Bamboe en het was wel vleiend voor De Leeuw dat de dorpelingen er op
aandrongen dat de weigerachtigen naar zijn standplaats, Oeroettan,
en niet naar Sikarang zouden worden gezonden. De Leeuw hoorde van een
en ander, schreef op een velletje van zijn zakboekje een kort briefje
aan Zevenaer te Sikarang, waarin hij hem ried de drie opgebrachten
weder in wijsheid te stellen, wijl het er allen schijn van had dat
zij onbillijk waren behandeld. Tevens meende hij Zevenaer den raad
te moeten geven zich in persoon met de kwestie te bemoeien, wijl
hier brandstof genoeg opgestapeld was om vlammen te veroorzaken. De
ontevredenheid moest weggenomen worden. Voor het aanbreken van den
dag nog werd De Leeuw, die weer naar Oeroettan teruggegaan was,
uit zijn slaap gewekt. Er was roesoe te Tegal Ombo, zeide men. De
koewoe was gevlucht; men had hem willen vermoorden. Dit nu was wel
niet waar, maar de koewoe had het toch veiliger geacht zich onder
de dadelijke hoede van De Leeuw te stellen, nadat hem de vijandige
gezindheid van zijn dorpsonderhoorigen op zeer duidelijke wijze was
gemanifesteerd. Met zijn geheele gezin was de koewoe in den nacht nog
naar Oeroettan gekomen. Hij dischte vreeselijke verhalen op, om zijn
eigen figuur te redden. Maar De Leeuw kende zijn volkje en bereidde
het laffe dorpshoofd een warme ontvangst. Als de toestand bedorven
moest worden, dan zeker was de vlucht van den koewoe daartoe de beste
manier. Maar De Leeuw geloofde nog zoo erg niet aan een roesoe.
Toch was er al kwaad genoeg gesticht. Toen De Leeuw voor de tweede
maal te Tegal Ombo kwam vond hij het huisraad in de woning van den
koewoe vernield en diens beide paarden doodgestoken. Hij bleef in de
desa om een voorloopig onderzoek in te stellen naar de daders van de
gepleegde baldadigheid. Later op den dag kwam Zevenaer.
Nauw was De Leeuw te Oeroettan terug of hij moest een deputatie van
desalieden te woord staan. Het waren menschen van Djampang Koelon,
de oudsten van het dorp. Zij kwamen den opziener mededeelen, dat zij
bezwaar maakten tegen den komenden oogst rijst te leveren als tjoeké;
hoofdzakelijk omdat zij te groot percentage van de padi in rijst
moesten opbrengen. De Leeuw maande hen aan, zich te bedenken; het
gaf hun geen oentoeng wanneer zij soesah veroorzaakten. Het baatte
niet. De vooruitzichten voor den komenden oogst waren zeer slecht,
te slecht. Dat wist De Leeuw, evenals hij wist, dat de klagers gelijk
hadden in hun klacht, dat ze te veel rijst moesten opbrengen.
Dit alles had De Leeuw in zijn brief aan den heer Nederman medegedeeld,
zoo kort als hem mogelijk was. Tevens had hij den chef in overweging
gegeven een ingesloten berekening voor de heffing van tjoeké-rijst op
strikt billijken grondslag in te zien. Als deze heffing werd toegepast,
zou, zoo meende de employé, bij genoegzame bekendmaking in de desa's,
veel soesah voorkomen kunnen worden, veel verbittering weggenomen.
Nederman keek de berekening in.
Zij zag er aldus uit:
"Billijke Grondslag
voor een berekening van het door de bevolking op te brengen
contingent tjoeké-rijst per picol natte padi.
Een picol natte padi levert bij indroging op 0.43 picol rijst.
0.80 picol, leverende bij verstamping tegen
54 %
Hiervan af stamploon à 1/6 0.07 picol rijst.
Rest 0.36 picol rijst.
Witstampen: extrabetaling f 0.25 p. p., 2 X
eten aan de stampsters, maakt tezamen f 0.40
p. p.; dat is voor 0.36 p. f 0.14.
Marktwaarde: bij 50 % gebroken korrel f 5.-- 0.03 picol rijst.
p. p. De door den tjoeké-plichtige uit te
geven f 0.14 vertegenwoordigt derhalve de
waarde van
Rest 0.33 picol rijst.
Deze rijst bestaat dus uit (± 50 %) 0.17 p.
grof en 0.16 p. fijn. De tjoeké-rijst heeft
een verhouding van grof tot fijn als van 4 tot
1. Derhalve in casu als van 17 tot ± 4,
te zamen 0.21 picol.
Blijft over fijne rijst 0.12 picol te 0.07 picol.
gebruiken om in te ruilen tegen tjoekérijst.
Marktwaarde van 0.12 picol fijn à f 3.50 p. p.
= f 0.42. Marktwaarde tjoekérijst f 6.30 p.
p., waarvan dus voor f 0.42 te krijgen is
ongeveer
Totaal 0.28 picol.
Dat wil dus zeggen, dat de bevolking redelijker wijze niet meer dan
28 katties tjoekérijst per picol natte padi behoeft te leveren."
"De berekening is prachtig, maar ik zal wel oppassen er in te
komen. Dank je. Wij vragen nu veertig kattie en het zou dus een verlies
beteekenen van een derde van den oogst. Jongens, ik zou de snuiten
van de eigenaren wel eens willen zien, als ik ze dat kwam vertellen;
neen, neen, alles goed en wel, De Leeuw heeft het grootste gelijk
van de wereld, maar mij krijgt hij er niet toe!"
En hij lachte even om de naïeviteit van zijn employé. De Leeuw werd
toch werkelijk lastig met zijn filantropie.
Nederman opende een brief van de hoofdadministrateuren Biederman en
Van Lochem, door de post in zijn afwezigheid gebracht.
"Dat is grappig," zeide hij, "dat zal ik De Leeuw eens vertellen."
De hoofdadministrateuren schreven "dat de ontvangers der export-rijst
over de qualiteit van het artikel begonnen te klagen, weshalve den
administrateur in overweging werd gegeven de rijst nog wat witter en
met minder percentage gebroken te doen leveren ..."
Siman was 's avonds laat te Gatok gekomen. Hij had zich schuil
gehouden, uit schaamte. Het denkbeeld pijnigde hem dat al zijn
dorpsgenooten hem met medelijden zouden nawijzen of met minachting
zouden bejegenen. Daarom had hij het duister afgewacht om Pah Ran en
de zijnen te ontmoeten.
Aarzelend, als met weerzin, kwam hij de desa in. Om niet het geheele
dorp door behoeven te gaan, was hij buitenom over de galangans naar
den zuidoostelijken ingang geloopen. Zijn huisje was bijna het laatste
aan die zijde van den dorpsweg.
Hij zag in het licht der maan den staat van verwildering en
verlatenheid, waarin nu de woning verkeerde, de woning, waar hij,
zoo trotsch en gelukkig, zijn lieve, teere Djiah als zijn vrouw had
ingeleid; waar zij korten tijd zoo gelukkig geweest waren; waar de
kleine Rekso geboren was ... Die gedachten wondden hem en gaven nieuwe
levendigheid aan zijn wraakzucht.
Toen kwam hij aan de woning van Pah Ran. Zouden de zusjes thuis
zijn en z'n oude moeder? Hij waagde het niet de bamboezen deur open
te duwen. Hij gluurde binnen door een reet, maar zag niets: in een
der kamertjes slechts brandde een lichtje. Maar het was doodstil,
en toch, hoorde hij niet snikken ...? Ja zeker, een vrouw schreide
zacht. Zou hij binnen gaan? En als Pah Ran en de zijnen daar eens
niet meer woonden? Maar waar zouden zij dan zijn? Waar zou hij zijn
kleinen jongen dan moeten zoeken?
En, in de aandrift om te weten, klopte hij.
"Ja," riep een gesmoorde stem, "ik kom."