HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.

Pah Rekso rookte zwijgend zijn kaoengstrootje. [1] Droef staarden

zijn oude oogen over de sawahs: stoppelvelden, nu de oogst was

binnengehaald. Heel in de verte projecteerden zich de rustige bergen

tegen den klaren hemel, waaruit de zon reeds verdwenen was.

Zij zaten voor hun huisje, Pah Rekso en zijn twintigjarige zoon

Siman. Een armoedige woning was het, als de meeste woningen in de

desa [2] Tjidamar. De geheele desa was in waarheid niet meer dan een

gehucht, een van de vele in de afdeeling Warnaleutik. Rekso's vader,

hij was reeds lang dood, had Tjidamar nog gekend als een welvarend

dorp. Maar dat moest toch heel lang geleden zijn. Hoe oud hij zelf was,

wist Pah Rekso niet. In de desa houdt men zich niet met leeftijden

op. De klapperboom, dien zijn vader bij zijn geboorte geplant had,

was jaren geleden door den bliksem getroffen. De kruin was geheel

weggeslagen, en de slanke boom bijna tot aan den voet gespleten. Later

was de dorre, zwarte stam, die als wanhopig den hemel om erbarming

smeekte, door een hevigen windvlaag omgeworpen. Nog slechts een stronk,

geen el hoog meer, was blijven staan; en langzamerhand hadden de witte

mieren zich daarvan meester gemaakt. Dat was al wat er van Rekso's

leeftijdsmeter was overgebleven. Hij kon zich nog goed herinneren

dat zijn boom zes en veertig ringen had, toen hij door het hemelvuur

werd getroffen. Maar de tel der jaren was hem ontschoten. Als hij

zich niet vergiste, was er nog driemaal lebaran [3] geweest, daarna,

toen zijn oudste zoon stierf aan de cholera, daar heel ver weg in de

kotta [4]. Hij had het heel bij toeval vernomen.

Maar het kon ook wel vier jaren geleden geweest zijn, misschien

zelfs wel langer. Dat was zeker de tjilaka [5] geweest, die hem

door den goeroe [6] was voorspeld, toen Allah den klapperboom,

zijn levensgezel van de geboorte af, had uitgekozen tot trefpunt van

zijn bliksem. Dat moest wel. Hij was steeds op iets ergs voorbereid

geweest na dien luid krakenden donderslag. Maar toen er niets kwam,

niets buitengewoons, had hij zich in het hoofd gepraat, dat Onze

Lieve Heer zich wellicht vergist had in den boom. Dat kon best,

meende hij. De boomen stonden vaak dicht bijeen. Maar hij had zijn

onbewusten twijfel aan de goddelijke almacht toch weer moeten laten

varen; want, al had het ongeluk lang op zich laten wachten na die

daverende demonstratie van het Lot, eindelijk was toch Rekso's oudste

aan de vreeselijke ziekte bezweken.

Daarna waren weer vele, vele jaren heengegaan; Siman was nu bijna

volwassen, en tòen nog maar een kleine jongen, een botja angon

[7]. Vee was er echter niet meer. Pah Rekso herinnerde zich niet eens

meer hoeveel assistent-residenten in de afdeeling elkander in dien

tusschentijd hadden opgevolgd. De oude regent was overleden, en zijn

zoon, die zeer knap was, en te Batavia op een Hollandsche school was

geweest, jaren lang, was nu regent. Ja, het was een heele tijd geleden,

dat Tjidamar een welvarende desa was, waar een groote passar gehouden

werd op elken legi [8] en soms zelfs ééns in de tien dagen geslacht

werd. De velden moesten toen nog ruime oogsten opgebracht hebben, omdat

er geen doorloopend gebrek was aan water gelijk thans. En Rekso's vader

had vaak verteld dat in zijn tijd wel drie honderd gulden werd betaald

voor een bahoe [9] sawahgrond. Drie honderd gulden. 't Was een heele

som. Onlangs had Bapa Soei zijn sawahs, en dat waren nog heel goede

gronden voor Tjidamar, verhuurd aan de njai [10] van den toean commies

op de assistènan [11] en hij had maar zestig gulden gekregen per bahoe.

Niet dat de grond slechter was geworden. Hier in de Preanger was de

aarde een brave, trouwe moeder; maar het zat hem in de moeilijkheid

om water op de bergsawahs te krijgen. Hij herinnerde zich nog heel

vaag den tijd--toen was hij nog een botja angon, die zijns vaders

vee hoedde--dat in de Tjikanding-saät heel veel water was, meer dan

men vaak gebruiken kon. Nu was de Tjikanding droog; ook in de groote

Tjipalang was nauwelijks stroom meer en het was een heel verre weg,

dien het water, op een hoog gelegen punt afgetapt, moest afleggen door

een lange met den patjol [12] gemaakte leiding om Pah Rekso's veld te

bereiken. En onderweg was dan voor de aanliggende sawahs al veel water

gebruikt en het was een bitter schijntje dat op Pah Rekso's rijstveld

neersijpelde. Het was geen wonder dat de grond koppig was en weinig

gaf in ruil voor het weinige dat hij ontving. De padi [13] stond er

schraal, en was nauwelijks voldoende, in de goede jaren, om voor de

eigen voeding van het gezin te dienen. De beide laatste jaren was zij

ontoereikend gebleken. Droge moessons waren het geweest. En Pah Rekso

had zijn vrouws pending [14], toen haar giwangs [15], toen eindelijk

een mooie toessoek kondé [16] naar het pandhuis moeten brengen. Dat

hij van de laatste moest scheiden, had hem vooral zeer gedaan. Hij

had ze zijn vrouw gegeven een dag voor hun huwelijk. Ten was oud,

voor een vrouw uit de desa dan, ze had ruimschoots de moederweelde

mogen genieten; de tijd van het mooi-zijn was voorbij en de fraaie

haarnaald had ze ook in lang niet meer gedragen. Die werd bewaard in

het kastje onder het hoofdeind van het wrakkige, ruw-houten bed. Toch

waren de beide oudjes er zeer aan gehecht en het kostte dagen van

beraad en nachten van droef overleggen, alvorens besloten werd van

het kleinood te scheiden. Het was grof werk, uitheemsch fabrikaat

en bestond uit een ruw geslagen zilveren montuur en een slecht

geslepen grooten steen, met nog wel acht kleinere steentjes daarom

heen, waaraan een leek op het eerste oog kon zien, dat ze van het

zuiverste glas waren. Alleen de groote steen, een troebele Indische

robijn, onoordeelkundig bewerkt, had eenige, maar geringe waarde. De

Chineesche pandhuis-pachter wist natuurlijk van de levensomstandigheden

van het echtpaar Rekso af en wist de hem geboden gelegenheid te

gebruiken. Hij gaf vijf rijksdaalders aan Siman mede. Dat was een

teleurstelling voor de oudjes. Rekso had zelf niet willen gaan. Hij

had het, hoe weinig sentimenteel hij ook was, niet over zich kunnen

verkrijgen. En hij was blijde het ook niet gedaan te hebben, want

voor vijf rijksdaalders had hij de speld niet afgestaan en toch had

het geld er moeten zijn. Het was beter zoo. Ten had zuchtend het geld

van Siman in ontvangst genomen en Ipah, Simans vier jaar jonger zusje,

had later aan haar broer medegedeeld, dat ze moeder had zien schreien.

Ipah was een handig klein ding, dat Ten al aardig werk uit de hand kon

nemen. Zij paste voornamelijk op de twee jongsten van het nest van

acht, tweelingen, twee jongens, van nog geen vijf jaar. Ook Mariam,

die na Ipah het licht aanschouwde, was een flink meisje, één jaartje

jonger dan haar zuster en wel voor drie jaar coquetter. Ipah was een

leelijk kind, door de pokken geschonden; Mariam daarentegen, die al

wat vormen begon te krijgen, beloofde een desa-schoone van den eersten

rang te zullen worden. Van Djamin, den vijfde, een bengel van tien

jaar, en Djirah, die op Mariam geleek, was niet veel te zeggen. Na

Djirah was er in vijf jaren geen spruit gekomen. Rekso was voor de

desa laat gehuwd; Ten was ook heel veel jonger dan hij en bij de

geboorte van de tweelingen scheen het wel of de natuur haar verzuim

had willen goed maken in de mollige nakomertjes.

De tijden werden niet beter.

Pah Rekso was reeds naar de hoofdplaats geweest om den

assistent-resident, die een braaf man was, naar men zeide, te verzoeken

de padjeg [17] te verminderen. Maar, met welke goede voornemens hij

ook in de kotta was gekomen, toen hij er was, zonk hem de moed in

de schoenen. De ambtenaar kende hem immers niet; en hoe zou hij hem

dan zijn verzoek kunnen inwilligen? Dit echter was het niet dat hem

weerhield. Het was de voor den desaman onoverkomelijke beklemdheid

voor den Europeeschen ambtenaar, dien hij niet bij machte oordeelt de

toestanden bij den kleinen man te begrijpen, vóór wien zijn toch reeds

in voldoende mate aanwezige reserve hem den mond sluit, waar het gemoed

hem tot spreken aanzet. Maar Rekso deed als andere menschen, die zich

trachten te verontschuldigen bij zichzelven en de daad--een negatieve

in dit geval--goed praten met verstandsbetoog, dat wat laat komt. Neen,

zeide hij bij zichzelf, ik moet bij mijn hoofd, den assistent-wedana

[18] zijn. En dat was niet verkeerd gedacht, zeker niet. Het was de

aangewezen weg. Allicht zou ook de assistent-resident hem verwezen

hebben naar den assistent-wedana, omdat een ambtenaar zoo veel zaken

te doen heeft en rechtstreeks met de bevolking in zulke op zich zelf

staande gevallen als van Rekso niet kan in aanraking komen.

Maar de assistent-wedana van Tjidamar was iemand, die op weg was

half onbewust het leger der bedorven inlandsche ambtenaren met een

lid te versterken. Hij had landhonger en al was hij nog niet zoo

ver om de bevolking opzettelijk tot armoede te brengen--men wordt

niet opeens een misdadiger--hij begreep dat het ongeluk van Rekso

hem wellicht diens stuk sawahgrond [19] in handen zou doen vallen,

en het verzoek van Rekso bij hem gedaan om vermindering van belasting

... kwam niet hooger.

Dit wist Rekso niet. Hem trof slechts het negatief resultaat van het,

in zijn oogen toch billijke, verzoek. En dit resultaat versterkte

hem in zijn meening omtrent de nutteloosheid en doelloosheid van

Europeesche ambtenaren. Hij had berust, gelijk hij berust had

in allen tegenspoed. Hij had zijn padjeg betaald, met een zwaar

hart, dat is zoo, maar toch had hij betaald, omdat hij bang was

voor de gevangenis. Vele menschen, die niet betaalden wat zij aan

het gouvernement schuldig waren, had hij zien wegbrengen onder

politiegeleide en later had hij gehoord dat zij in de gevangenis

waren gezet. En als eenvoudig desaman had hij een kinderlijke angst

voor de boei.

Na de kommervolle dagen was weder een jaar verstreken, De oogst was

binnengehaald. Weer had de kleine bahoe sawah, die Pah Rekso zijn

bezit mocht noemen, al wat hem overgebleven was van de vier bahoes,

die zijn vader hem had nagelaten, niet veel opgebracht. Het was weer

het oude lied. Eerst walang-sangit, toen de hama mentek [20], half

als gevolg daarvan. De rijst die binnenkwam, was nagenoeg tot menir

[21] slechts te verstampen en lang niet voldoende voor de voeding van

het groote gezin. Artikelen om te verpanden waren er niet meer. Ja

toch: Pah Rekso had nog een kris, poesaka [22] van zijn vader. Het

was met schrik dat de gedachte zich van hem meester maakte dat hij

wellicht genoodzaakt zou zijn zich van die kris te scheiden. Hij

dacht met ontzetting aan het ongeluk, dat uit zoo'n heiligschennis

moest voortvloeien. En toch! als het moest; als er niets meer was;

als de laatste menir was verbruikt en men naar boschproducten zou

moeten zoeken.....

Pah Rekso vreesde voor het oogenblik, dat hem dwingen zou de poesaka

te verkoopen. Het is waar; er kon veel geld van gemaakt worden. Ver

buiten Tjidamar was het bekend dat Rekso's vader eens een tijger had

afgemaakt met die kris en de oude regent van Walirang had, toen hij

van het heldenstuk hoorde, een bod laten doen. Maar hij had de kris

niet gekregen. Neen, neen, ook Rekso kon haar niet te gelde maken.

Maar dan overviel hem weder de angst dat hij zou moeten, moeten om

den honger. Hij had de kris in gedachten reeds vermaakt aan Siman. Na

zijn dood zou zij het eigendom zijn van zijn zoon. Siman was een brave

jongen, die voor het werk niet schroomde. Hij zou het dierbare wapen

in eere weten te houden. En toen was hij op de gedachte gekomen om de

kris reeds bij zijn leven te schenken aan Siman, uit vrees voor zich

zelf. Hij voelde dat er een beroep gedaan zou worden op zijn sterkte,

en hij voelde ook, dat hij zou bezwijken. En zoo was het gekomen

op dien avond dat vader en zoon gezeten waren voor hun nederige

woning. Pah Rekso was naar binnen geweest en toen teruggekomen met

iets onder zijn baadje. Schichtig had hij om zich heen gekeken of

niemand hem bespiedde, als ging hij een misdaad begaan. Toen had

hij het pakje van onder zijn baadje te voorschijn gehaald. Het was

de kris, gewikkeld in een goor-witten doek. Met veneratie ontdeed

Pah Rekso haar van den doek. Siman had zwijgend, met een uitdrukking

van diepen eerbied in zijn klare oogen, toegekeken. De kris was nog

gewikkeld in een fijn matje van nipabladeren. Daar lag zij in als in

een rustbed. Het was een vrij gewone, weinig kostbare kris. Zij was

met eenige valsche steenen bezet. Pah Rekso trok het lemmet uit de

schee; zijn hand beefde. Hij voelde met zijn nagel langs het scherp.

"Siman," zeide de oude met heesche fluisterstem. "Je weet dat deze kris

een poesaka van je grootvader is. Je weet dat hiermede in het bosch

van Tjilempoe een groote tijger werd gedood ...? Ik wil jou dezen

kris geven, Siman; niet na mijn dood, maar nu, op dit oogenblik. Je

moet niet vragen, je moet aannemen. Maar op een belofte."

"Ik beloof u, vader."

"Nooit, nooit, versta je goed, mijn jongen, nooit mag je je van deze

poesaka scheiden. Ik kan dat mijzelf niet beloven, Siman. Jij bent

jong en hebt nog meer vertrouwen in het leven. Houd jij de kris. Ze

is een djimat [23]."

"Geef op, vader!" had de zoon geroepen. "Ik zweer hier op de

gelukzaligheid van grootvader, dat ik deze kris zal behouden."

Het was een eenvoudig tooneel; voor een dergelijken talisman-cultus

zou de beschaafde Westerling de schouders minachtend ophalen. Voor

deze beide eenvoudige menschen evenwel was de overgave van de kris

door den nog levenden vader een aandoenlijke gebeurtenis van groote

beteekenis: Pah Rekso had zijn zoon daarjuist een man verklaard.

Trots welde op in Siman's hart. Hij voelde zich in staat met

zijn djimat de wereld te veroveren. Hij geloofde nu niet meer aan

ellende. Hij klemde zijn hand om het wapen, als om zich te overtuigen

dat hij het werkelijk bezat. En hij zag in den schemer niet de scherpe

groef, die er plotseling om den mond zijns vaders was verschenen,

om niet meer te verdwijnen.

De maan was opgekomen. In de verte klonken de weemoedige, kwijnende

tonen van een soeling. [24] Rekso's oogen boorden, starend, in de

bleek-verlichte lucht.

"Zoo gaat het niet langer, Siman. Wij hebben niet meer om van te leven,

binnenkort. En wat dan?"

Het is ons gewoonlijk een behoefde te verklaren dat de inlander

zorgeloos is, dat hij niet maalt om armoe, en bij gebrek teert op de

buren. Dit is een soort verontschuldiging voor ons gebrek aan kennis

van de inlandsche huishouding en aan zin tot hulpverschaffing. Die

zucht tot geestelijke zelfreiniging wil gemeenlijk ook niet weten dat

"de buren" wel eens niet in staat konden zijn op zich te laten teren.

Siman was nog te jong gelukkig, om diep te beseffen dat kommer in

aantocht was. Zag hij niet elken nieuwen dag de lachende natuur om zich

heen; las hij niet in het groen van bosch en beemd groote beloften? En

liet hij al eens het hoofd hangen, dan was een blik in de groote,

donkere kijkers van Djiah voldoende om hem weder op te beuren.

"Is het wezenlijk zoo erg, vader?" vroeg hij. "Ik kan toch gaan werken,

in de kotta. Ik weet van Karta dat men in de stad geld kan verdienen,

als men werken wil ..."

Maar de oude weerde hem af.

Neen, van de kotta moest hij als desaman niets hebben.

Hij dacht even aan het lot van zijn oudste. God gave dat het niet

noodig zou zijn! Beiden verdiepten zich weder in hunne gedachten. Rekso

bepeinsde de middelen om voor den komenden planttijd aan zaadpadi te

komen en vond ze niet. Siman overlegde of hij op de kawedanan [25]

niet wat kon bijverdienen; hij kon ook hout kappen in het bosch om te

verkoopen te Walirang. En in den overmoed der jeugd, die niet opgeeft,

omknelde hij werktuigelijk grootvaders kris.

"Wij zouden kunnen wegtrekken van Tjidamar ..." opperde Pah Rekso.

Even trof Siman een schok van plotselingen schrik. Weggaan? Van

Tjidamar heengaan, waar Djiah was? En waarheen zou men gaan? Het zou

overal wel hetzelfde zijn. En hier was de grond toch rijk; als men

slechts voldoende water op de sawahs kon krijgen.

"Waarom wilde u weg, vader? Hier bent u geboren, en daar ginds kunt u

de kambodja [26] zien, waar grootvader begraven ligt. Wij allen zijn

hier geboren. Zullen wij dan niet hier sterven? Het is niet goed,

vader, het land te verlaten, dat ons zag geboren worden."

De innige gehechtheid van den Javaan voor den grond, waar hij geboren

werd, dreef Siman tot strijd voor dien bodem. Zoo meende hij. In

waarheid kwam nog een groote factor in rekening: Djiah. Het was

schoon trouw te blijven aan zijn geboortegrond, omdat hij ook was de

geboortegrond van Djiah!

Maar de oude was koppig. Hij had al vaker aan de mogelijkheid gedacht,

dat de nood hem zou dwingen weg te trekken. En toen hij onlangs

over de Tjiboeroeng was geweest bij de desa Randoe-aloes, had hij

den stroom langs gekeken, die in eindeloos geklots zijn golven naar

het noorden voortjoeg. Gaf de rivier hem den weg niet aan? Hoog in

de lucht had een eenzame koentoel een schreeuw gegeven, en toen

Rekso opkeek, zag hij den reiger noordwaards vliegen met groote,

rustige wiekslagen. Rekso twijfelde niet of de vogel had met dien

eenen schreeuw zijn aandacht willen trekken. De toevalligheid had

hem getroffen, en was hem bijgebleven. Zou hij niet wijs doen om de

teekenen te gehoorzamen? Hij dacht traag, maar daardoor ook wisselde

hij niet dan zeer moeilijk van gedachten.

Daar ver in het noorden, aan gene zijde van de donkere silhouet der

bergen, hield het gouvernementsgebied op. Daar waren de particuliere

landen Alas Bamboe en Telatiga, en meer naar het westen strekten zich

de groote Seboeroengan- en Tjimanis-landen uit, zoo had hij vernomen

van den schrijver van den regent, die een neef was van zijn vrouw. Daar

op die particuliere landen, had de djoeroetoelis [27] gezegd, werd

geen padjeg gevraagd; maar dat geloofde Rekso toch niet. Hij kon zich

niet denken een land, waar geen belasting werd geheven. Wel moest

een vijfde gedeelte van den oogst worden afgestaan aan den landheer;

en ook moesten, evenals in Warnaleutik, heerendiensten worden verricht.

"Het wordt koud, Siman," zeide Rekso opstaande, "en de maan is al hoog

geklommen. Morgen is het weer een zware dag. Laten wij gaan rusten."

Zwijgend gevolgd door Siman, ging de oude de hut binnen. Deze bestond

uit twee vertrekjes, door een bamboezen wand gescheiden. In het voorste

sliepen de ouders en de twee kleinsten. In het tweede vertrekje trad

men door een niet af te sluiten opening in den wand, waarvoor een goor,

roodachtig, verkleurd gordijntje hing. Hier sliepen Siman, zijn zusjes

en Djamin. Door een deur tegenover het gordijn in den achterwand kwam

men onder den emper [28], waarvan een deel, afgeschoten door een stuk

kadjang [29], dienst deed als keuken. Dat was de geheele woning, in

het geheel nog geen veertig vierkante meters oppervlakte beslaande,

waar negen paar longen moesten ademen. Rekso en Siman kwamen zich

bij moeder Ten en de beide oudste meisjes onder den emper voegen. Zij

wachtten geduldig, zwijgend, tot Ten hun wat rijst had opgeschept op

een pisangblad; een kleine hoeveelheid sambal djeroek [30] en een

sajoer [31] van reboeng [32], meer voor den smaak dan als voedsel,

voltooiden het maal. Rekso en Siman kregen elk nog een stukje visch. De

twee zusjes waren aan het kibbelen. Ipah was jaloersch op de mooie

Mariam en zij, het werkzame huismoedertje, kon van de jongere niet

velen dat ze lui en gemakzuchtig was.

Het eenvoudige maal was spoedig afgeloopen. Rekso stak een strootje op;

hij zette zich op de bamboezen zitbank, sloeg de armen om de omhoog

getrokken knieën en verzonk weer in gedachten. Terwijl Siman de geit

in den anderen hoek van den emper wat versch voeder in den stok gaf,

waarvoor het dier uit erkentelijkheid zacht mekkerde en zich tegen

hem aanwreef, wierp de jonge man steelsche blikken op zijn vader. Hij

wist wat er bij den oude omging en dat verontrustte hem.

In de verte huilde een hond tegen de maan, die door de wolken

joeg. Even loeide een buffel in de kraal. De beide meisjes hadden

zich reeds op haar tikar [33] uitgestrekt. Ook moeder Ten had zich

te rusten gelegd. Eindelijk ging ook Rekso naar binnen.

"Laten we maar gaan slapen," zeide hij als nachtgroet.

Siman sloot de deur van den emper, legde zich neer op de mat in den

hoek naast Djamin, die hoorbaar ademhaalde, vleide het hoofd op het

gore, grauwe kussen en trok den sarong om zich heen. Lang kon hij

den slaap niet vatten. Hij dacht er over, wat hij doen moest als zij

toch Tjidamar zouden verlaten en Djiah achterbleef. Hij hoorde Rekso

eenige woorden wisselen met zijn moeder. Als hij het hoofd oplichtte

kon hij langs het gordijntje hen zien liggen. Och, wat zou het:

voor de oudere kinderen, ook voor Djamin, bestonden geen sexueele

geheimen meer. Hun hinderde de aanwezigheid van vader en moeder niet,

en deze behoefden zich om hen evenmin in acht te nemen.

Buiten loeide de wind.

Vroeg was Siman reeds op. Binnen sliep men nog, toen hij de geit haar

vrijheid gaf en zich in het beekje wiesch. Toen schepte hij zich wat

rijst op, die er nog stond van gisteravond en ontbeet met sambal

als toespijs. Uit de kamer nam hij zijn patjol en begaf zich naar

de sawah. De leiding moest noodig uitgediept worden. Er was al weer

minder water en wat er nog was, had nauw kracht genoeg om de sawah

te bereiken.

Voor de woning van Djiah's vader vertraagde hij den tred. Juist

opende zich de deur en verscheen Pah Ran op den drempel. Hij wenkte

Siman en voegde zich bij hem. Samen togen zij verder. Pah Ran's sawah

lag nabij die van Pah Rekso. Zij was nog kleiner dan Rekso's sawah,

maar lager en daardoor met het oog op het water beter gelegen. Ook

was Pah Ran bezitter van een buffel.

Beide mannen waren spoedig aan het werk. Met eentonige regelmaat

sloeg Simans patjol in de bedding der leiding. Het was nog vroeg,

toch zweette hij reeds in de frissche morgenkoelte.

Wij meenen dat de Javaan lui is en den arbeid vreest en wij beoordeelen

hem naar onze goedkoope huisbedienden. Maar als de blanke nog in diepen

slaap ligt, trekt de Javaan, man, vrouw en kind, reeds zwaar beladen

passarwaarts; dan is hij reeds aan den arbeid op tegalan [34] of sawah.

Siman had in het laatste half uurtje telkens opgekeken naar Pah Ran,

dien hij onvermoeid bezig zag met het snijden der merang, [35] welke

als mest dient op de sawah's. Hij wilde met hem spreken. Maar de

gelegenheid was nog niet gunstig.

Eindelijk zag hij Pah Ran op de galangan [36] neerhurken om zijn arit

[37] aan te zetten op den slijpsteen. Hij zette zijn patjol neer en

ging op den ander toe.

"Ik wou wel met u spreken, Pah Ran," begon hij. De ander keek rustig

op. Hij wist dat Djiah, zijn dochter, en Siman het met elkander eens

waren. Hij had geen bezwaar. Hij hield veel van den flinken knaap,

die iets ernstigs over zich had, al kon hij bij tijden toonen ook een

goed deel luchthartigheid, het privilegie der jeugd, te bezitten. Pah

Rekso bezat nog minder dan hij, dat is zoo, maar mariages de raison

zijn zeldzaam in de desa. En hij hield zeer veel van zijn Djiah,

zijn eenig kind, en zou haar niet gaarne verdriet doen. Zoo meende

Pah Ran niet anders dan een verklaring en een aanzoek te vernemen

van Siman en hij was wel verrast door de vraag van den jongen man:

"Zeg, Pah Ran, kunt ge mij zeggen, waarom er in de Tjikanding-Saät

geen water meer is?"

"Ja, dat kan ik je wel zeggen, maar waarom vraag je dat?" antwoordde

hij.

"Omdat ik gehoord heb, dat het water uit de Saät gestolen is."

"Dat is ook zoo, Siman. Dat is zoo. Ze hebben het van ons gestolen,

lang, heel lang geleden. Ik weet het van mijn vader. Die heeft het

ons vaak genoeg verteld."

"Maar ik begrijp niet, Pah Ran ..."

"Kijk, Siman, je weet dat bij de desa Tjisanoer in de Tjikanding een

groote steenen dam is gelegd, niet waar? Vandaar loopt het water

van de Tjikanding in een leiding op het land Alas Bamboe. Je moet

je dat goed voorstellen, Siman. Vroeger ging de Tjikanding langs

de grens van het district Tjioedik en dan verder naar het oosten,

naar het district Tampo. Maar door dien dam bij Tjisanoer werd al

het water afgesneden. En nu weet je ook zeker wel dat er een oude

dam is in de droge bedding van de Tjikanding bij Bandar. Vroeger,

zoo heeft mijn vader verteld, werd daaruit het water afgetapt voor

de bevloeiing van onze sawahs. Dat kan nu niet meer."

"Maar is het niet mogelijk om het water van de Tjipalang op onze

sawahs te brengen?"

"Neen, dat water is alleen voor de oostelijke sawahs te

gebruiken. Vroeger was dat anders. Maar de landeigenaren van Telatiga

hebben een dam gebouwd in de Tjipalang dicht bij Langoe en het water

naar het noorden geleid. De Tjipalang heeft nu alleen water als er

bandjir [38] is en de Tjipalang-leiding als het ware overloopt."

"Dus, Pah Ran, als ik u goed begrijp, is het ook ons water dat nu

naar de particuliere landen wordt afgevoerd?"

"Juist. Daar is nu water genoeg, maar wij hebben altijd gebrek."

"Is dat al lang geleden?"

"Al heel lang, Siman. Mijn vader was toen nog jong. Vroeger waren Alas

Bamboe en Telatiga één land, weet je. En toen is het gescheiden in

tweeën, en toen hebben ze ook de leidingen gegraven voor het water,

waarop ook wij, lieden van Warnaleutik, recht hadden."

"Maar dan, Pah Ran, de regent moet dat toch gemerkt hebben, dien

diefstal, en de assistent-resident ...

"Of er toen een assistent-resident was, weet ik niet, mijn jongen. De

regent heeft er natuurlijk kennis van gedragen. Maar je weet hoe het

gaat, Siman: de landheeren zijn machtig, en alleen Mohameds paradijs

ontsluit men niet met goudstukken. Het geeft zoo'n soesah, Siman,

als je eerlijk bent. Heeft niet die brave controleur Meyer--het

zal nu wel tien jaren geleden zijn, Djiah was nog geen vijf jaar,

geloof ik--zijn hoofd gestooten toen hij poogde om het onrecht te

herstellen? Er is toen een commissie geweest, omdat de controleur

geklaagd had. De toean assistent van Telatiga en de toean assistent

van Warnaleutik, onze kandjeng regent [39] en ook de regent van

Telatiga, en de controleur zijn toen te Tjisanoer geweest en hebben

dien diefstal onderzocht. En ook de toean besar [40] van Alas Bamboe

was er bij en een toean ziender [41]. Daar is toen veel gelogen,

Siman. En de machtige landheeren hebben het weer gewonnen, alles bleef

als vroeger; alleen werd de goede controleur overgeplaatst .... Ja,

ja, je hebt geen oentoeng [42] als je het onrecht niet kunt dulden."

De oude zweeg. Siman dacht over het gehoorde na.

"En dus daarom," zeide hij na een wijle, "mislukt nog altijd een

groot gedeelte van den oogst in ons district Tjioedik. En is dat ook

de reden van de mislukking van de padi in het district Tampo?"

"Niet geheel, Siman. Want de landheer van Alas Bamboe heeft eigenlijk

slechts het voorbeeld gevolgd van dien van Telatiga, die voorgegaan

was met waterroof uit de Tjipalang. Het voordeel van dien roof was

niet gering, en wat deze deed met de Tjipalang, heeft hij met de

Tjikanding gedaan. Dat heb ik je al verteld."

Weer trad een pauze in.

Toen nam Pah Ran zijn arit weer op. "Je moet er maar niet over tobben;

dat maakt je ontevreden, en dat dient tot niets." Hij wilde zich weer

aan den arbeid begeven.

"Pah Ran, is daar nu niets aan te doen? Kunnen wij dat water nooit

meer terugkrijgen?"

Er lag iets smeekends in de stem van den jongen man, waardoor Pah Ran

hem met aandacht opnam. Zou de jongen verkeerde denkbeelden koesteren

en ontevreden worden?

"Niets, Siman. Er is niets aan te doen. Wij zijn maar arme

desamenschen, en de landheeren hebben veel kwassa [43] en veel

geld. Maar wat wilde jij dan, Siman?" vervolgde hij bezorgd.

"Ik wou dat ik toch dat water op onze sawahs kon krijgen, Pah Ran. De

padi kan niet zonder water blijven ... Wij zouden dien dam kunnen

afbreken ..."

"Doe geen dwaasheden, Siman. Zoo iets wordt dadelijk gemerkt. En

weet je wat er dan op staat? Eerst de gevangenis en dan veroordeeling

... wegens waterdiefstal," zeide Pah Ran schamper.

"Maar dat kan niet. Wij stelen niet, Pah Ran; wij nemen alleen terug

wat ons ontstolen is ... dat is toch geen diefstal ...!"

"Je bent nog erg jong en naïef, Siman."

"Maar het moet, Pah Ran, het mòet, anders moeten wij weg ...!" Het

was de angstkreet van een, die geen uitweg weet.

Pah Ran stond als van den bliksem getroffen. Weg? Moest Siman weg?! Was

de jongen gek geworden?

"Wie moeten weg?"

"Wij, Pah Ran, vader, moeder en ik, wij allen."

"Waarom?"

"Omdat er niets meer is om van te leven."

"Maar dan kunnen jullie toch bij ons komen. Ik heb te veel voor mij

en Djiah."

"Dat kan niet, Pah Ran, we zijn met ons negenen. Ik dank u."

"En waar wil je dan heen?"

"Vader wou naar het noorden. Ik weet zelf niet waarheen."

Weer stokte het gesprek; te veel gedachten verdrongen zich bij

beiden. Siman stond met een zucht op en verwijderde zich.

Pah Ran keek hem nog lang na, hoofdschuddend.

Vergeefs trachtte bij dien avond Pah Rekso er toe te brengen zijn

plan te laten varen. De oude was koppig en de tegenstand, dien hij

bij de zijnen ontmoette, maakte hem kregel. Hij nam zich daarom voor,

om eerder dan zijn aanvankelijk plan was, te vertrekken.

"Morgen zoek ik een kooper voor mijn grond!" zeide hij

vastbesloten. Dat was zijn laatste woord.

Siman vergezelde Pah Ran en Djiah, die meegekomen was, naar huis. Het

drietal was in zeer gedrukte stemming. Bij Siman kwam het niet op

tot zijn vader te zeggen dat hij blijven zou, om Djiah; zij vroeg

het hem niet. En toch, als hij het fijne profiel van de jonge maagd

en haar ranke lijf beschouwde, gevoelde hij, dat hij in staat zou

zijn om den eerbied jegens zijn vader op te zeggen. Maar dan nog,

wat zou het geven? Hij zou niets bezitten en het streed met zijn eer

eerst te moeten leven door de goedheid van Pah Ran en hem dan zijn

dochter tot vrouw te vragen, ook al wist hij dat Pah Ran hem het een

zoo graag als het ander gunde.

Kon Pah Ran niet mee? waagde Djiah te veronderstellen. Maar haar

vader schudde het hoofd. Hier had hij het goed, wie kon zeggen wat

hem elders wachtte? En dan, hij was hier te Tjidamar geboren. Neen,

het zou verkeerd zijn weg te gaan.

Het was een treurig afscheid tusschen Djiah en Siman voor de woning van

Pah Ran. "Ik ben bang, Siman, als je weggaat," fluisterde Djiah. "Saïd

Alaidroes vervolgt mij overal. En als hij vader nu eens geld, veel

geld bood, Siman; vader is arm, en ik ben maar een meisje ..."

Siman balde de vuist en zijn hand zocht de greep van de kris, die

hij sedert den avond te voren bij zich had gestoken, omdat hij haar

een djimat dacht. Alaidroes, die Arabier, die desa-hyena! Hij had hem

al geruimen tijd in het oog, omdat hij Djiah niet met rust liet. Die

gemeene woekeraar was rijk. Hij kon veel geld bieden aan Pah Ran. En

wat kon hij zelf, hij, Siman, daartegenover stellen? En als hij weg

was, zou Alaidroes de handen vrij hebben. Nu nam hij zich in acht

voor den ontembaren, krachtigen, jongen Soendanees, in wiens blikken

hij meer dan eens haat en vijandschap had gezien.

Neen, hij moest niet gescheiden worden van Djiah; hij moest haar

beschermer zijn.

In zijn kamertje strekte hij zich moedeloos op zijn leger uit. Weer

duurde het lang voordat hij den slaap kon vatten.

De gamelan liet de geliefde oedjan'mas [44] hooren. De panajagan [45]

was zijn instrument volkomen meester, en bespeelde het met vaardigheid;

virtuositeit zou men het met billijkheid mogen noemen. Wel, in de

geheele desa Gatok was geen beter gamelanslager te vinden; ja, men kon

gerust beweren dat in de geheele afdeeling Herea van het particuliere

land Alas Bamboe--de "klassieke afdeeling Herea" noemden de Europeesche

opzichters haar om den Griekschen klank van den naam--geen beteren

panajagan kon worden gevonden. Onverstoorbaar hield hij maat, niet

af te leiden door de vroolijke drukte om hem heen, de lachende

menschenmenigte, de vele tientallen brandende olieglaasjes. En de

overige leden van het orkest stonden hem onberispelijk bij. De kromong

[46] accompagneerde in den middentoon, de kendang [47] zorgde voor

den doffen maatslag; de melodie werd gevolgd door de tweesnarige rebab

[48]. De hoogere tonen werden evenmin vergeten. Met een vaardigheid,

van langdurige oefening getuigende, viel de man aan de ketoek met

den regelmaat van een uurwerk in, de kempoel deed hooger, de bendeh

[49] de hoogste tonen hooren. De twee go-ongs [50] en de kleinere,

schellere sarons [51] wisselden elkander aldoor rythmisch af.

Op een afstand heeft deze muziek, de oedjan'mas, zelfs voor Europeesche

ooren iets melodieus en weemoedigs, dat week stemt.

De Javaan is een vriend van den weemoed; zelfs op zijn vroolijkste

feesten wenscht hij de lagoe blenderan [52] of de oedjan'mas. Veel

minder heeft hij op met de lawaaierige giroh [53].

Er was groot feest in de woning van den koewoe [54]. Voor op het

erf stond een eerepoort met een rood-wit-blauw doek en eenige

klapperbladeren versierd; en wel vijftig flikkerende en walmende

olielichtjes in ruwe glaasjes maakten een alleraardigst effect. Er

waren zelfs lampions hier en daar, en in de pendopo [55] van de woning

brandden wel vier petroleumlampen, terwijl buiten aan de stijlen nog

al meer illuminatie was aangebracht. Het was een bruiloftsfeest, nog

op de echt-prettige manier, met open tafel voor ieder voorbijganger,

voor ieder die op bezoek wilde komen. Op het erf en rond de pendopo

zag het zwart van het volk. Zulke mooie feesten had men in lang

niet bijgewoond; het was een eenige gelegenheid! Mannen, vrouwen en

kinderen verdrongen zich om naar den demang [56] te zien, die om zijn

fijn tandakken [57], geheel in stijl, bekend was.

Maar ik zal niet uitweiden over het tandakken, noch over de elegante

bayadère, een mooie jonge vrouw--een verdorven vrouw tevens,

een die nergens achting vindt onder haar landgenooten. De kunst

miskend! Zij is een straatdeerne van de minst eischende soort. Ik

zal u niet vertellen van het bruiloftsfeest zelf, dat al uren aan de

gang was--Indische lezers hebben die dingen meer gezien, en anderen

kunnen een beschrijving van zulk een feest, zonder dronkenschap,

zonder lawaai, zonder liederlijkheid, elders zeker beter vinden. Het

was een feest, ingetogen als het volkskarakter, maar toch een van

vroolijke, prettige drukte, waarover nog dagen werd nagepraat in

Gatok. Eerst ver na twaalven werden bruid en bruidegom in optocht

weggeleid, zooals het oud gebruik wil. En de schuchtere, bedeesde

maagd, met de boré [58] op het gelaat, de strak gedraaide kondé [59]

met melatti en kralen versierd--waarlijk het is Djiah, de dochter van

Pah Ran van Tjidamar. En naast haar loopt haar echtgenoot, trotsch op

zijn mooie bruid, Siman. Wat is hij mooi uitgedost met zijn glimmende,

korte zwarte jas, en de keurig gevouwen sarong! Achter uit den gordel

steekt het gevest van de kris van zijn grootvader, zijn djimat.

Zij treden de kleine woning binnen, waar zij voortaan hun leven zullen

slijten naast elkander. Een deel van de muziek is meegetrokken en

verscheurt de lucht thans voor de gesloten deur met helsche fanfares,

waarbij de jeugd vooral op luidruchtige wijze van de heerschende

vroolijkheid getuigt. Ruwe, toch niet kwaadgemeende kwinkslagen worden,

maar niet luide, gehoord onder de ouderen, waarvan er menigeen Siman

om zijn lief vrouwtje benijdt. Dan kan het huwelijk als ingewijd

beschouwd worden en trekt het geleide weer terug naar het feesthuis,

aan het andere einde van de desa.

Siman en Djiah kunnen nog lang de zachte klanken hooren van de gamelan,

nu en dan verbroken door een hol klinkenden slag van go-ong of saron,

wijdend het afscheid van Djiah van haar meisjesjaren.

In de binnengalerij van de woning van het desahoofd zaten, terwijl het

feest nog in vollen gang was--het zou zeker niet voor het hanekraaien

eindigen--op een rustbank Pah Rekso en Pah Ran genoegelijk te

keuvelen. De zoon van den koewoe hield hun gezelschap. Mah Ten was

voor een uurtje naar huis teruggekeerd; de slaap overmande haar. Hun

woning stond zeer nabij die van het jonge paar, maar was te klein en

te onaanzienlijk om er een feest in te geven, en de koewoe had hun

bereidwillig zijn huis, het grootste in de desa, aangeboden. Van het

aanbod was gretig gebruik gemaakt.

Siman en Djiah moesten een schitterende bruiloft hebben, dat was

uitgemaakt. En waarom ook niet? Men was rijk nu!

Ja, de beide oudjes hadden geld, al was er nu niet bar veel meer

van over na de kapitale fuif. De geschiedenis van hun wedervaren in

de laatste drie maanden was heel eenvoudig. Pah Rekso had zijn sawah

verkocht aan een buurman. Hij had wel begrepen dat de assistent-wedana

er achter zat; trouwens de buurman was een familielid van des wedana's

vrouw. Maar het kon hem après tout niet schelen. Hij had het geld

contant ontvangen. Meer vroeg hij niet. De geit had ook een kooper

gevonden. En wat er meer was werd meegenomen. Toch was het een heele

onderneming geweest voor het gezin. Ze waren nog nooit verder dan de

kotta geweest en nu zouden ze dagen en dagen onderweg moeten zijn. En

dat, beladen met het huisgerei: een gendi [60] en een kleine paso

[61], een paar pannetjes, een tjobek. [62] De tempajan [63] hadden ze

wel achter moeten laten en ook het bed. Dat was te oud en te slecht

om nog verkocht te kunnen worden.

Te vergeefs hadden Rekso, Siman en Djiah bij Pah Ran aangedrongen

mede te gaan. De oude was zelfs voor de tranen van zijn dochter niet

bezweken. Djiah was diep bedroefd. Haar lief gezichtje stond bedrukt

en ze lachte niet meer. Ook Siman zag de toekomst donker in.

Een dag of drie voor het vertrek echter was Pah Ran op ongelegen

tijd--men was bezig met de toebereidselen voor een slametan, [64]

om oentoeng [65] te hebben op de reis--in de woning van Pah Rekso

gekomen. Zijn gezicht stond donker.

"Zeg, buurman, heb je gehoord dat de landrente verhoogd wordt?" barstte

hij uit.

De ander keek verwonderd en met schrik op. De gewoonte deed hem er

een oogenblik niet aan denken dat de verzwaarde belasting hèm niet

zou treffen.

"Is het waar?" vroeg hij.

"Ja de djoeroetoelis heeft het mij zelf verteld. Hij heeft de printah

[66] gelezen, zegt hij."

"En onlangs zijn de desadiensten al verzwaard. Het gouvernement

schijnt wel arm te zijn, tegenwoordig."

"Ja. Het heeft geld noodig om nieuwe soldaten te werven, want er zijn

wel duizend doodgeschoten in den prang Atjeh. [67] Maar dat weet ik

niet, Pah Rekso, ik heb het maar van hooren zeggen. Wat ik wel weet,

is dat het een schandaal is."

De brave wist niet dat er van zulk een verhooging der landrente geen

sprake was. Wel had de nieuwe landvoogd--dat er een nieuwe toean

besar was, ook daarvan wist men in de desa Tjidamar niets af,--een

circulaire doen rondzenden aan de hoofden van gewestelijk bestuur om

beter te zorgen voor de inning der door de bevolking verschuldigde

belastingen. De opdracht had den weg afgelegd van de residenten tot de

inlandsche bestuursambtenaren en dezen gaven in den meest practischen

vorm aan het bevel uitvoering. Het kwam er immers maar op aan dat er

meer geld binnenkwam; welnu, de eenige weg om een resultaat te kunnen

aanwijzen, was: de belasting te verhoogen. Veel behoefde het niet te

zijn. Bleef de ambtenaar in gebreke door meerdere opbrengst te wijzen

op meer activiteit, het zou hem allicht slecht worden aangerekend.

En aan de andere zijde was die eigenmachtige belastingverhooging niet

te controleeren. Wat lag meer voor de hand dan zich te beroepen op

meerdere draagkracht der bevolking? Het was dwaasheid zich moedwillig

het ongenoegen van de hooggeplaatste ambtenaren op den hals te halen.

"Schandaal of niet," merkte Pah Rekso droog-wijsgeerig op, "je zult

moeten betalen."

"Ik moet niets. Ik doe het eenvoudig niet!" voer de jongere driftig

uit.

Rekso zweeg. Wat zou hij op die driftige woorden zeggen? Maar Pah

Ran zag aan zijn houding dat Rekso hem dwaas vond. 't Ergerde hem. En

in zijn toorn liet hij zich verleiden tot het doen van een gelofte,

welke hij later verplicht was op geheel andere wijze na te komen dan

hij bedoeld had:

"God hoort mij: eer zal ik het graf mijns vaders met mijn handen

omwoelen, dan een cent meer te betalen."

Het klonk plechtig. De aanwezigen waren onder den indruk en lang nog

na het vertrek van Pah Ran waren de achtergeblevenen te zeer beklemd

om te kunnen spreken.

Die gelofte was een dwaasheid en had tot gevolg dat Pah Ran weg

moest trekken, wilde hij haar gestand doen. Want een strijd tusschen

den assistent-wedana en Pah Ran moest wel in het voordeel van den

eerste uitvallen. Pah Ran had zich nu juist regelrecht in de soesah

gewerkt. Hij met zijn koppigen aard dacht natuurlijk niet aan het

verbreken der gedane gelofte, gesteld al dat hij den moed bezeten had

om het gevaar, daaraan verbonden, te trotseeren. Bovendien zou hij zich

te zeer moeten schamen voor hen, die zijn gelofte hadden gehoord. Hij

moest dus weg. En daar dit natuurlijk bekend werd, speculeerde de

assistent-wedana er op zijn stukje sawah goedkoop in handen te krijgen,

wat hem na lang loven en bieden gelukte. Het vertrek van het gezin

Rekso was in verband met het hiervoor medegedeelde uitgesteld, want Pah

Ran zou nu mee trekken naar het noorden. Twee menschen waren gelukkig

bij dezen loop van zaken: Siman en Djiah. Dat laat zich denken!

Toen was de groote dag van het vertrek aangebroken. Pah Ran had

zijn buffel, een jong, sterk dier, niet verkocht. Met Pah Rekso

had hij een pedatti [68] gekocht en die zou de karbouw trekken. Dat

gaf inderdaad een groot gemak. De kinderen en de meisjes zouden bij

beurten kunnen plaats nemen in het voertuig, en op die manier zou

men beter en vlugger vooruitkomen.

De teekenen waren gunstig toen de reis begon. Siman en Djiah waren

haast den ganschen dag samen; rustte zij al voorttrekkende uit in de

pedatti, dan liep Siman er naast en wisselde van tijd tot tijd een blik

met haar. 's Avonds werd rijst gekookt voor den geheelen volgenden dag

en de nacht werd doorgebracht door een deel der vrouwen in de pedatti,

zoo goed en zoo kwaad als het ging op de boenkoesans [69] en pakken,

de anderen sliepen, evenals de drie mannen en Djanim, onder de kar. Men

kwam natuurlijk langzaam vooruit, want de karbouw moest gespaard worden

voor de hitte. Dus trok men in den vroegen morgen om vier uur reeds

op weg. Om tien uur 's morgens moest het trekdier rust gegund worden,

om de warmte. En eerst tegen vier uur 's middags brak men weer op,

om 's avonds om acht uur uiterlijk af te spannen.

De weg was moeilijk te vinden, maar nauw meer dan een voetpad,

en vaak moest met parang [70] en golok [71] den doorgang voor de

pedatti verbreed worden. Langs den Goenoeng Andjoer ging men in

noordoostelijke richting door ijl bosch naar Tjisanoer. Van hier

uit kon men gedurende een heele poos de Tjikanding-leiding volgen,

die naar wij zagen, door het water van de Tjikanding gevoed wordt

doordat de rivier bij Tjisanoer is afgedamd.

Den eersten dag kwam men niet verder dan het armoedige boschgehuchtje

Passanggrahan Tjikanding, waar de nacht werd doorgebracht. Den

volgenden dag was men in het zwaardere bosch, maar de weg was nog

wel te volgen. Het was een lange trek, dien tweeden dag. Bij Pondok

Boeroeng kampeerde men. De drie volgende nachten moest men zich in

het dichte bosch opschieten. Er werden groote vuren ontstoken om

de wilde dieren verre te houden. Den laatsten dag vooral had men

een vermoeiende reis op den drassigen bodem, waar de wielen vaak in

wegzonken; terwijl door het dichte struikgewas over groote afstanden

de weg moest worden gebaand. In den nacht eerst werd de desa Dojang

bereikt, waar de eerste sawahs de eentonigheid van het woud braken. Na

nog een stuk bosch doorgetrokken te zijn, ontplooide zich voor de oogen

der reizigers de uitgestrekte laagvlakte; zoo ver het oog ging, zag men

de sawahs. Water was er overal! Aan dit kostelijk vocht scheen nergens

gebrek te zijn. In den vooravond was men in de groote desa Tjikoedoeng.

Hier werd de groote rust genomen. Pah Rekso en Pah Ran gingen op

kondschap uit. Veel vernamen de vreemdelingen niet, wijl zij niet

nieuwsgierig waren naar iets anders dan naar de mogelijkheid om

gronden te krijgen en hoe dat geschieden moest. De koewoe gaf den

mannen den raad naar Herea te gaan. De grond was daar zeer goed,

zeide hij, en zuidelijk van de desa Gatok, aan den grooten weg, was

grond te krijgen, ruim drie bahoes, had hij gehoord. De erfpachter

was onlangs overleden zonder kinderen. En als men er vlug bij was,

zou men dien grond wel kunnen pachten. Het ging heel gemakkelijk:

men moest door het desahoofd maar aan den toean ziender doen weten

dat men den grond wel wilde hebben.

En zoo waren de reizigers, na twee dagen oponthoud in de desa

Tjikoedoeng, nog verder oostwaarts over het land Alas Bamboe getrokken,

langs den grooten weg. De desa Gatok was een groote dagmarsch verder

gelegen, nabij de grens van het land en de naburige particuliere

landerij Telatiga.

Het was vlot achter elkander gegaan. Men had den koewoe, het

dorpshoofd, een douceur gegeven voor de vele kosten, die hij verzekerde

te moeten maken, en die inderdaad daarin bestonden dat hij naar den

opzichter ging in de desa Herea en dien mededeelde dat hij den grond,

die indertijd aan Pah Merdja had toebehoord, aan nieuwe opgezetenen

had afgestaan. Hij kwam terug met de ingevulde contract-formulieren,

welke nog slechts door Pah Ran en Pah Rekso behoefden te worden

geteekend. Dezen konden evenwel schrijven noch lezen. Pah Rekso,

die voorzichtig was, wenschte den inhoud van het contract te kennen,

alvorens te teekenen. De koewoe verstond eenigszins de kunst van

schrijven; in lezen was hij evenwel geen meester. Hij nam echter een

houding aan als las hij den inhoud door en deelde hem bij gedeelten

mede, wat hij wist dat het contract bevatte. Zij hadden zich te

onderwerpen aan de bestaande bepalingen, neergelegd in het Reglement

op de particuliere Landerijen van 1856, zij hadden den landeigenaar

het 1/5 gedeelte van den oogst af te staan en eenmaal 's weeks in

heerendienst arbeid te verrichten.

"Zijn er geen andere belastingen?" had Pah Rekso gevraagd, en de

koewoe had verklaard van niet. Rekso had evenwel nog bezwaar om

te teekenen. Een soort instinct waarschuwde hem dat het dorpshoofd

een handlanger was van den landeigenaar, en hij voelde hem als een

vijand. Het desahoofd nam genoegen met het verzoek van Pah Rekso om

hem het papier achter te laten.

"Maar talm er nu niet mee," had de koewoe nog gezegd, "want de gronden

kunnen elken dag aan een ander geschonken worden, zoolang jij geen

erfpachter bent."

Rekso beloofde over twee dagen te zullen terugkomen.

De sawahs besloegen bij elkander nog geen anderhalven bahoe, maar ze

waren goed gelegen en konden vrij gemakkelijk bevloeid worden. Graag

had Pah Ran een grooter stuk gehad, maar Rekso had hem onder het oog

gehouden dat zij de eerste jaren toch nog geen uitgestrekteren akker

zouden kunnen exploiteeren en dat men zijn aanplant langzamerhand

wel zou kunnen uitbreiden. Gescheiden werd het stuk niet, althans

niet officieel. Hoewel er nooit over gesproken was, zoo had men als

het ware bij afspraak reeds uitgemaakt dat Siman en Djiah man en

vrouw zouden worden en als dat gebeurde, kwam alle grond toch in één

hand. Waarvoor zou men dan zich de moeite en de kosten van afmeting

en scheiding op den hals halen?

Dien avond ging Pah Rekso naar den penghoeloe, [72] wien hij verzocht

hem den inhoud van het contract mede te deelen. De penghoeloe was een

klein oud mannetje met sluwe vossenoogjes, iemand, die het, in weerwil

van de vele geschenken, welke hij aannam, goed met de bevolking meende,

wat hem trouwens zijn eigen belang voorschreef. Toch stond ook hij

onder den invloed van den landheer, van wien hij een soort wisselvallig

salaris trok, wat hem evenwel niet belette revolutionair te zijn,

althans tegenover zijn intieme vrienden. Hij was veel te sluw om met

zijn politieke beginselen te koop te loopen. De man genoot een roep

van groote knapheid. Hij kon even vlot lezen als spreken, zeide men.

Rekso vernam van hem den geheelen inhoud van het contract, die hem erg

onschuldig toescheen. Hij dankte den penghoeloe en vergat de douceur

niet. Den volgenden dag teekenden hij en Pah Ran met een kruisje het

contract, welke handteekeningen door den koewoe en den penghoeloe

werden gelegitimeerd. Het dorpshoofd had nieuwe kosten te maken en

dus meenden de beide immigranten hem opnieuw met een kleinigheid te

moeten schadeloos stellen.

Den dag daarop waren Pah Rekso en Pah Ran in het bezit van een

duplicaat van de acte van erfpacht, waar ze wel niets van begrepen,

maar dat zij, domme desalieden, met een kolossalen eerbied voor al

wat papier is, een veilige plaats gaven in hun woning.

Zij waren erfpachters. Wat waren zij trotsch en hoe maakten de jongeren

zich illusies over de toekomst! Met een kinderlijk genoegen werd het

duplicaat-contract telkens open- en toegevouwen. Men had er behoefte

aan zichzelf nog eens en nog eens te overtuigen van zijn bezit.

Dit bestond, gelijk wij zeiden, uit een stuk sawahgrond van nog geen

anderhalven bahoe oppervlak. Het lag vrij gunstig. Een primitieve

leiding bracht uit de nabij gelegen Tjikoentoel het water op

de sawahs. In den westmoeson was er voldoende bevloeiing. En dit

voordeel hadden de nieuwe erfpachters dat zij, althans in normale

tijden, geen vrees voor bandjirs behoefden te koesteren. Hoe het in

een droog jaar zou gaan? Och, Rekso en Ran waren Javanen en dachten

dus geen moeson vooruit.

Het district Herea, waar zij zich hadden neergezet, stond niet bekend

als het beste der vier, waarin het groote land Alas Bamboe verdeeld

was. De gronden zijn er poreus en bezitten de eigenschap niet het water

vast te houden. En een zeer groot deel van het district is dan ook

hoofdzakelijk aangewezen op de regens. In de Tjikanding-leiding, in het

boschgedeelte, is een dam gelegd nog slechts enkele jaren geleden. Deze

dam heeft ten doel het waterpeil te verhoogen en het kostelijk nat

voor de rijstvelden kan zich daardoor in kleinere leidingen over een

naar verhouding toch nog geringe oppervlakte verdeelen. Zoo wordt

het noordwestelijk gedeelte van Herea en het westelijk gedeelte van

het aangrenzende district Sikarang geïrrigeerd. Op een wijze dan,

die op den naam irrigeeren eigenlijk geen aanspraak mag maken.

De practische blik, dien de domme Javaan toch op het stuk van zijn

landbouw bezit, was de beide nieuwe kolonisten van nut geweest. Zij

hadden nabij hun desa, anderhalve paal noordelijker, een setoe [73]

gezien. En zoo terloops hadden zij van gedachten gewisseld over de

mogelijkheid om het heuvelwater daaruit desnoods voor hun velden te

benutten. Zij geloofden evenwel niet dat het noodig zou zijn, want

de Tjikoentoel, hoe kleine kreek ook, niet veel meer dan een sloot,

zou toch ongetwijfeld nog langer water bevatten dan de setoe, die,

met heuvel- en boschwater gevoed, in den drogen tijd wel dienst zou

weigeren, eerder nog dan de Tjikoentoel.

Maar, gelijk wij zeiden, verder dachten Pah Rekso en Pah Ran niet.

Den eersten tijd van hun vestiging hadden zij op het eind van de desa

een woning opgezet, want een leege hut, die zij hadden mogen betrekken

en die ook aan den overleden sawahbezitter had toebehoord, was veel

te klein om hen allen te bergen. Het ging natuurlijk wel tijdelijk:

men wist zich te behelpen, maar als Siman en Djiah gehuwd waren,

dan moesten de jongelui ook goed geïnstalleerd zijn. De nieuwe hut,

van ruwbewerkte balken, bamboe en atap [74] opgetrokken, was er

binnen een week. Drie paar handen werkten er met ijver aan en zelfs

Djamin kon al goeden dienst doen bij het werk met het kloppen der

sasaks. [75] De vriendelijke kleine hut, uit twee afdeelingen en

een emper voor en achter bestaande, was nabij de vrij groote woning

der oudjes gelegen. Pah Ran, die wel van een grapje hield, had Djiah

gevraagd waar ze nu wel zou slapen, in het westelijke of het oostelijke

vertrekje? En toen zijn aardige dochter er zich lachend van afmaakte

met een: "Ach, weet ik het!" had hij met een veelbeteekenend lachje

geraden de oostelijke kamer te kiezen, want 's middags stond de zon

op den westkant en het westelijke vertrek bleef dus voor een goed

deel van den avond het warmste. En, had hij er bijgevoegd, vooral

des nachts zullen jullie de warmte best kunnen missen.

Pah Ran hield van zulke aardigheden, ruw en laag bij den grond,

maar kwaad waren die grappen nooit bedoeld.

Toen de hut er stond, moest een slametan gegeven worden. Om de kwade

geesten te verbannen. Siman en Djiah waren zeer in hun schik met

hun aanstaand kluisje en konden nauw van den tijd van het huwelijk

afwachten, niet alleen om de woning evenwel. Siman had haar vooruit

maar betrokken; er was nog wel geld over om een ruime baleh [76]

te koopen, noodzakelijk meubel, en Djiah had er zelf een klamboe

[77] voor genaaid. Ook ander onmisbaar huisraad was aangekocht en

het keukengerei.

Men was er natuurlijk niet afgekomen zonder de noodige douceurs en

fooien. De koewoe moest vergunning geven voor het bouwen, voor het

houtkappen, voor het halen van kali-steen en grint uit de Tjikoentoel;

hij moest hen inschrijven in registers, zoo beweerde hij, hij moest

den toean ziender om dit vragen en van dat kennis geven. En voor al

die goede diensten moest natuurlijk betaald worden. De koewoe trok

dapper partij van de onbekendheid der nieuwelingen met de plaatselijke

toestanden, en dezen begrepen wel dat zij meer moesten afschuiven dan

van hen rechtens gevorderd mocht worden. Maar wat konden zij er tegen

doen? Zij waren geheel onbekend, wisten heg noch steg, en dan, overal

is de kleine man de dupe van het meer geslepen hoofd, dat een soort

bezoldiging ontvangt van den landheer, en daarvoor zijne medewerking

moet verleenen bij de inning van tjoeké [78] en van padjeg. [79] Waar

zouden Pah Rekso en Pah Ran dan moeten klagen? Bij den opzichter, die

hen niet kende en den koewoe noodig had? Bij den assistent-resident,

die dagen en dagen ver weg woonde, wààr was hun zelfs niet bekend,

en die van dergelijke zaken geen kennis kon nemen? Er viel immer

niets te bewijzen?

En dus schoot er niets anders op over dan te geven wat gevraagd

werd. Het was overigens niet veel: nu eens een kwartje, dan weer

een halve gulden; meer dan dat nooit. Zeker, zij hadden zich kunnen

verzetten tegen dergelijke knevelarij. Buren hadden hen wel reeds

ingelicht dat zij niet voor al wat de koewoe hun in rekening bracht

debiteur waren. Maar de koewoe had hun het gebruik van zijn woning

voor het huwelijksfeest toegezegd en het instinct van den onderdrukte

weerhield de lieden van verzet. Dat zou tot niets leiden; het gaf veel

soesah; het dorpshoofd zou hen nog heel wat slimmer het leven kunnen

verbitteren en op het eind was hij dan toch nog de sterkste. Neen,

de kolonisten dachten eenvoudig niet aan verzet.

Overigens bekommerden zij zich met de zorgeloosheid van den Javaan

niet veel om de geringe onrechtmatige belasting, die van hen geheven

werd, zoolang er nog genoeg in de kous was.

Van het voorschot, dat hun was gegeven, negen gulden, en dat zij

natuurlijk hadden aangenomen--daarvoor waren zij inlanders--hadden

zij den noodigen voorraad zaadpadi ingeslagen in de desa Herea in

het noorden, de standplaats van den opzichter, en toen de sawahs

bewerkt waren, de grond voldoende had uitgezuurd en er genoeg water

op de velden was gebracht, waren moeder Ten en de meisjes aan het

werk getogen en hadden in de plantgaten de padi neergelegd. Het

weer was gunstig, de padi kiemde krachtig uit en reeds begon een

licht zachtgroen dons zich mijlen en mijlen ver over het land uit

te spreiden.

Groen, zoover 't oog reikte, groen in alle nuances: het zware donkere

van het boomloof in de desa's, die hier en daar als gezaaid lagen in

de vlakte van teer groen, waarin weer struiken van donkerder tint een

streep trokken als aanwijzing van leiding of riviertje. De galangans

[80] teekenden de figuren in dit heerlijk tapijt van groen, waarboven

de helder blauwe hemel zich in schitterende strakheid spande. Maar

de menschen, die dit tapijt geweven hadden, zagen niet het schoone

van dat hun zoo bekende landschap. Zij berekenden het aantal picols

[81] padi per bahoe, naar den stand van het gewas. En daar deden

zij wel aan. Zij kunnen van natuurschoon niet leven: de tjoeké moet

opgebracht worden. Dat is nummer één.

Zoo stonden de zaken, toen Siman en Djiah een paar werden en er

bruiloft werd gevierd in de desa Gatok. Voordeelig was het feest

niet geweest. Wel hadden de meeste bezoekers in den koperen schaal

zilvergeld doen glijden, meer of minder, al naar het de beurs paste,

maar daarvan moest welstaanshalve een deel worden afgedragen aan

het dorpshoofd voor het gebruik der woning; en dan, wat er besteed

was aan gamelan en dansmeiden, aan siroop en kwee-kwee, [82] en aan

geschenken voor de vrouwen, die voor den opschik der bruid hadden

gezorgd, had een groot gat in de beurs geslagen.

Pah Rekso en Pah Ran, die op de baleh-baleh hun strootje zaten te

rooken en, de herinneringen ophalend, de gebeurtenissen der laatste

maanden nagingen, hadden geen spijt van den stap, dien zij deden,

toen zij besloten Tjidamar te verlaten.

Laat, heel laat, legden zij zich ter ruste. Zij zouden morgen een

dagje vrijaf nemen.

Toen zij voor hun woning waren gekomen, waar Mah Ten en de kinderen

reeds ter ruste lagen, wees Pah Ran voor het naar binnen gaan over

zijn schouder naar de woning van Siman en Djiah, waar in het vertrek

op het oosten een zwakke lichtschijn viel door den bamboewand.

"Zouden ze al slapen?" vroeg hij met een trek van den mond.

"Goede kinderen," antwoordde Rekso rustig. "Allah zal ze zegenen."

Het particuliere land Alas Bamboe is een zeer groot land, een der

grootste landerijen op Java. De eigenaren hebben er een maatschappij

van gemaakt met een aandeelen-kapitaal van drie millioen gulden. Het

kapitaal kon heel veel grooter zijn, want het land is er groot

genoeg voor. Het beslaat tezamen ruim 180.000 bahoes en zou geheel

in cultuur gebracht kunnen zijn, als de eigenaren wat meer energie

en voortvarendheid hadden gehad, en voor de bevolking wat meer

... hart. Thans is ongeveer het achtste gedeelte van het uitgestrekte

gebied, welhaast een groote provincie van Nederland gelijk,

bebouwd. De rest is wildernis. Vruchtbare grond ligt er bedolven,

duizenden en duizenden bahoes, onder een tapijt van woudmos. In de

bosschen in het zuiden verstoren slechts nu en dan de bijlslag van

een eenzamen houthakker en de roep der vogels de rust van eeuwen. In

het noorden schakelen zich de moerassen aan elkander. Daar verzamelt

de kustbewoner de bladeren van de traté [83], kostelooze lading,

die elders tegen weinige centen van de hand gedaan wordt.

Alas Bamboe, althans het bebouwde gedeelte, ligt zeer laag. De

standplaats van den administrateur, Sikarang, in de gelijknamige

afdeeling, ruim zeven Java-palen het binnenland in, ligt nauw acht

voet boven zeepeil. Wij zagen hiervoor reeds dat de bodem voornamelijk

bestaat uit poreuze zeeklei; hij slaat in den oostmoeson hier en daar

zelfs zout uit. Dat is ook de reden, waarom er op den verbouw van

palawidja [84] niet te rekenen is. Rijst is het product, waarop de

bevolking is aangewezen. Zij moet rijst verbouwen om in het leven

te blijven. En als bij misoogsten dit bestaansmiddel ontbreekt,

dan--vreeselijke consequentie--moet zij onverbiddelijk honger

lijden, meer of minder. Neen, toch is er een middel om aan deze harde

noodzakelijkheid--in de lachende natuur van Java!--te ontkomen. Men

kan uitwijken, vluchten voor het nare spook van den honger en zijn

heil zoeken op anderen grond, buiten Alas Bamboe. Maar deze stap is

moeilijk. Immers, wanneer de nood eindelijk tot emigreeren dwingt,

dan is reeds veel ellende geleden. Van waar moeten dan de middelen

komen om uit te wijken? En gelukt het al, wat dan zal men elders

vinden? In gunstig geval onbebouwden grond. Maar die zal eerst over

een jaar het zweet van den arbeid loonen met de vruchten van den

oogst. En in dat jaar blijft de maag om voedsel vragen.

Toch, er is nog een ander middel om den honger te bestrijden. Een

eenvoudig middel. De grond moet gesterkt worden, zoodat misoogsten niet

meer voorkomen. De slechte factoren in de natuur moeten geneutraliseerd

worden door de kunst des menschen. Irrigatie zij daar waar de droogte

zich doet gelden, opdat de bodem aan de opgezetenen in harde dagen

voldoende voedsel geve om blijder tijd tegemoet te gaan. Natuurlijk

hebben de landeigenaren gezorgd voor een irrigatie-stelsel, beter dan

de regeering haar andere onderdanen schenken kan. Niemand kan echter

van een zaak verlangen, dat zij het belang van anderen dient vóór

haar eigen. Men kan dan ook niet verwachten dat de landeigenaar het

land vruchtbaarder maakt en irrigeert, uitsluitend ten behoeve van de

inlanders. De stelling moet deze zijn: Het eigen belang der eigenaren,

die uit grooter oogst grooter contingent tjoeké trekken, en welk belang

door een misoogst allerminst gediend wordt, heeft de landeigenaren

doen zorgen voor een systeem van irrigatie, zoo deugdelijk ...

Een oogenblik. Het had zoo kunnen zijn. Helaas; het is zoo niet. En

de fout zit niet in gebrek aan fondsen om over te gaan tot verhooging

van de capaciteit langs dezen weg, gelijk elders op particuliere

landerijen en door de Indische regeering met schijn van excuus wordt

aangevoerd. Neen, het grappige in dit bijzonder geval is, dat er

... te veel winsten zijn gemaakt tot dusver. Men taalt niet om wat

meer, en van de eigenaren, die daar ver weg in de lichtstad Parijs of

in het vrouwenrijke Weenen hun gelden verteren in lachende minne en

bruisenden wijn, kan toch waarlijk niet verwacht worden dat zij, in den

genotsroes, zich de hersenen zullen pijnigen met zorgende gedachten

voor de werkers, wier moeizame arbeid hun orgieën betaalt? Dat zou

inderdaad onbillijk zijn.

Niet waar? En zoo is het dan dat de eenige levensbron voor Alas Bamboe

is de kleine leiding der Tjikanding, gevoed met het, aan een andere

bevolking, dat zijn: andere zwoegers, ontstolen water. De Tjikanding

is evenwel slechts een onbeduidend stroompje, waarvan de benedenloop

in den natten moeson zelfs niet is na te speuren, wijl zijn water zich

al maar verdeelt over de sawahs en het zelf ophoudt te bestaan, zich

verliezende in de reuzenvlakte. Anderen natuurlijken watertoevoer voor

de vlijtige landbouwers op Alas Bamboe moet men niet zoeken, tenzij

men de door heuvelwater gevoede beken en kreken, of de zijtakken der

Tjikanding voor deugdelijke waterwegen wil houden, wat zij niet zijn.

De geringe watertoevoer is natuurlijk onvoldoende voor het gansche

land Alas Bamboe. Slechts de beide afdeelingen Sikarang en Herea

hebben het geringe genot van dezen waterzegen. In de andere, grootste

en minst bebouwde, afdeelingen, Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, wacht

de opgezetene op de genade des hemels voor zijn velden. Zonder regen

op goede tijden, lijdt hij honger ... Dit is het akelig axioma van

Alas Bamboe.

En toch, het kon zoo anders zijn!

De ruim drie duizend bahoes in het district Goenoeng Lawang, de ruim

zeven duizend bahoes van het daarvan oostelijk gelegen district Alas

Bamboe, en de overige twaalfduizend bahoes van de beide andere nog meer

oostelijk gelegen districten, welke thans reeds bebouwd zijn met rijst,

en vele, vele duizenden bahoes nog maagdelijke grond zouden doelmatig

en ruimschoots geïrrigeerd kunnen worden door een enkele groote rivier,

die in den zuidoostelijken hoek van de landerij haar bruine golven

voortstuwt naar den stroom, die de grens vormt met de Peboeroengan-

en Tjimanis-landen: de Tjikoembang. Maar de eigenaren hebben tot dusver

niet noodig geacht het water dezer rivier ten nutte der bevolking aan

te wenden. Ik zeide het reeds hiervoor: er komt genoeg geld binnen

in de zakken der eigenaren en het altruïsme gaat gewoonlijk juist zoo

ver, tot waar het nadeel voor eigen beurs begint. Bovendien, zoo voert

men aan, de beide districten Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, die dan

volgens de "onrecht-aanbrengers" zoo waterarm zijn, worden gescheiden

door een rivier, de Tjilawedok. Dit is volkomen juist. Alleen wordt

er niet bij gevoegd dat deze rivier een nietig stroompje is, dat,

even nadat het in de bebouwde vlakte is getreden, doodbloedt.

Buiten den dam in de Tjikanding, waaromtrent reeds het een en ander

gezegd is, bestaan geen kunstmatige waterwerken. Althans de beide

setoes in het district Herea, door de opgezetenen ten eigen behoeve

ingedamde kommen, kan men moeilijk aanhalen als een bewijs van de

goede zorgen der eigenaren. In de andere districten is van kunstmatige

irrigatie, buiten de primitieve leidingen der ingenieuze landbouwers

zelf, in het geheel geen sprake. Daar is het in concreto dat men

Gods water over Gods akker laat vloeien, en een geluk is het voor de

inlanders dat de grond vruchtbaarder is in de westelijke districten

en vetter, en dat hij daardoor het water langer weet vast te houden.

Dit is dan wat er omtrent de gesteldheid van het land Alas Bamboe

valt op te merken. Ik kan mij onthouden van verdere misprijzing der

landeigenaren, dunkt mij. De toestand, als hierboven geschilderd,

spreekt voldoende voor zich zelf. Slechte regenjaren zijn rampjaren

en wreken zich geducht op het product. In de maanden December,

Januari en Februari komt de padi in den grond. Geoogst wordt van Mei

tot Augustus. Maar wat men elders op het groene Java kan waarnemen:

dat de tijd tusschen oogst en nieuwen aanplant benut wordt om tol

te heffen van den geduldigen bodem in den vorm van tweede gewassen,

dat is op Alas Bamboe, en ook op het aangrenzende land Telatiga,

meestentijds niet mogelijk. Om de droogte. De riviertjes weigeren in

die maanden den dienst, zelfs de levensader, de Tjikanding, droogt

dan bijna uit. En de verbouw van palawidja-gewassen, zooveel hij nog

bestaat, verdient den naam kultuur niet. Hij is geheel onbeteekenend.

Indische journalisten hebben meer dan eens de toestanden op de

beide landerijen op de kaak gesteld en aangedrongen op onderzoek en

verbetering. Daar evenwel over Insulinde de Hollandsche vlag wappert,

valt op onderzoek en verbetering niet te rekenen, en de strijd der

naïeve journalisten was weinig meer dan de kamp van ridder Quichote

tegen de windmolens van Montiel. Het resultaat was, gelukkig voor

de publicisten, minder onfortuinlijk dan het voor hun klassieken

voorganger was. Werd deze in zijn dwaze maar vermetele poging de reuzen

te verslaan door de wieken van den molen op de vlakte neergekwakt:

de koenheid der journalisten om te durven wijzen op misstanden werd

niet beloond met gevangenisstraf als gevolg van een aanklacht wegens

"laster". De wetten in dit land zijn er uitsluitend voor de schelmen,

en er worden hier geen rechters gevonden, die den moed hebben te

handelen en recht te spreken in afwijking van de wet. Het moet voor

de dagbladschrijvers hard geweest zijn, te ervaren dat zij hun "straf"

ontliepen door de goedertierenheid van de eigenaren zelf.

Het was eenige maanden verder. In de desa Gatok ging het leven voort,

met al de kleine ongeriefelijkheden van het bestaan. Pah Rekso was

ernstig ziek geweest. Een zware longaandoening had zijn krachten

gesloopt. Zij hadden in een langdurige zware bui op het veld moeten

wezen, hij, Pah Ran en Siman. Het had al dagen lang bijna onafgebroken

geregend; het water werd een kruis. De sawahs met het jonge gewas

stonden blank. De zware drop knakte de halmen. Met bezorgdheid hadden

de landbouwers de gevolgen berekend. De afvoer was gebrekkig, en steeds

meer en meer water wierp de hemel omlaag. Den derden dag moest raad

geschaft worden, wilde men niet den geheelen oogst aan vernieling

blootstellen. Het veld der nieuwe opgezetenen was door een smalle

strook sawah van den desagenoot Rakiman van de Tjikoentoel gescheiden

en vormde een hooger terras. Het was zaak het overvloedige water af te

leiden, over Rakimans grond naar de kleine rivier, die reeds geducht

gezwollen was. De buurman had geen bezwaar; hij begreep zijn belang,

want ook het water op zijn sawah zou hij daardoor kunnen loozen.

Met groote van bamboe gevlochten hoeden op het hoofd, het bovenlijf

naakt, waren toen de drie mannen in den neerplassenden regen en den

gierenden wind aan het werk gegaan.

Het rijstveld helde naar het zuiden af; het was dus zaak aan de

zuidzijde langs den galangan een voor te slaan. De patjols drongen in

de weeke modder, die op zij uit, zoover mogelijk in de sawah, werd neer

geworpen. Op den galangan kon zij niet worden neergelegd; daar zou de

regen haar weer wegspoelen. Een goed uur hadden de mannen aan dezen

voor gewerkt, nadat de galangan was doorgebroken. In een breeden,

bruinen modderstroom viel het water af in de sawah van Rakiman, om

hierover de Tjikoentoel te bereiken. Ook de galangan, die Rakimans

sawah van het lager gelegen riviertje scheidde, had doorgebroken

moeten worden. Maar hiermede was het werk niet afgeloopen. Het bleek

dat de drainage aan de zuid onvoldoende was; langs den oostkant moest

noodig nog een weg voor het water worden geslagen. En met nieuwen

moed werden de patjols in de klei gedreven. Het water spatte de

landbouwers in 't gezicht; de regen doorweekte hen. De donder ratelde

rusteloos; het licht was niet van den hemel. En steeds weer gierden

en floten de windvlagen over de vlakte en deed de mannen rillen van

verkleuming. Ruim drie uren waren zij bezig geweest, voordat het werk

gedaan kon heeten. Zij hadden voldoening van den arbeid. Waar zij

den blik heen wendden, zagen zij ondergeloopen rijstvelden; slechts

die met voldoende helling, een nadeel bij normale weergesteldheid,

en welke van beter te regelen afvoerwegen voorzien waren, hadden geen

inundatie te vreezen.

Van Ten en Djiah hadden de mannen een warmen kop zwarte koffie

gehad. Toen waren zij weer opgeknapt en bijeengezeten spraken zij

over den gedanen arbeid.

"Het is hier toch ook niet alles even mooi," merkte Pah Ran op. "Als

de landheer wilde, zouden wij nooit behoeven te vreezen voor te veel

of te weinig water."

"Och, de landheer kan daar maar weinig toe of af doen. Hij is een

boedjang, [85] evenals wij: hij krijgt ook zijn printahs van de

eigenaren," wierp Rekso tegen.

"Maar waarom kan het gouvernement niet gelasten dat er beter gezorgd

wordt voor de rijstvelden?" vroeg Siman.

"Alsof het op de landen van het gouvernement zoo mooi is," viel zijn

schoonvader uit. "Je bent nu zeker al vergeten hoe prachtig ons water

geregeld was in Tjidamar. Het gouvernement, wel ja! Dat vraagt alleen,

maar geeft niets, evenals de bedelaars op lebaran."

"Ik heb gehoord," zei Rekso, de kalmste en meest wijsgeerige van

hen allen, "dat de landheer ons wel wil helpen, maar niet kan,

omdat er geen geld is. Dat wil zeggen, geld zal men natuurlijk wel

hebben, want het land moet erg groot zijn en dus wordt er veel tjoeké

ontvangen, maar de eigenaren willen niets afzonderen voor de irrigatie,

begrijp je?"

"Hoe weet je dat zoo, Pah?" werd hem door Siman gevraagd.

"Ik heb het van den koewoe gehoord, mijn jongen. Deze toean besar moet

voorgesteld hebben om leidingen aan te leggen uit de Tjikoembang--die

rivier ligt hier ver vandaan, in het district Goenoeng Lawang, waar

precies weet ik niet. Maar het zou heel veel geld kosten, misschien

wel tienduizend gulden. En nu zegt de koewoe dat de landeigenaren er

geen ooren naar hebben."

Pah Rekso wist er niet veel van, maar in de desa vraagt men niet naar

betere inlichtingen. De zaak zat eenigszins anders. Ruim twintig

jaar geleden had de toenmalige administrateur van het land Alas

Bamboe een ingenieur ter hoofdplaats van het gewest verzocht een

ontwerp te maken van een irrigatiestelsel voor de meest daaraan

behoefte hebbende districten, door aftapping van bevloeiingswater

uit de Tjikoembang. De ingenieur stelde een grondig onderzoek in

en maakte een uitgewerkt ontwerp op. Dit is evenwel nimmer van het

papier losgekomen. Later is door een anderen administrateur,--deze

werd door den koewoe bedoeld--den heer Nederman, de directie te

Batavia weder op de kwestie gewezen. De directie deinsde natuurlijk

voor de kosten terug en weigerde, even natuurlijk, het werk te doen

uitvoeren. Er was drie en een halve ton mede gemoeid, en men wenschte

er zelfs geen duizend gulden aan te besteden. Het kon van de gemiddelde

winst van ruim twee ton gouds per jaar niet af. De gevolgen van deze

... kortzichtigheid--zoo zal ik het noemen--blijven natuurlijk niet

uit. Men kan gerustelijk beweren, zonder vrees voor overdrijving,

dat in Zuid-Herea, waar de magere gronden nooit een goed product

geven, elk jaar in meerdere of mindere mate honger wordt geleden;

dat daar elk jaar lieden zijn, die eens per dag eten, eens in de twee

dagen misschien. Hoe een groot deel van de bevolking er dan leeft,

zal later wel blijken.

Dien avond ging men vroeg ter ruste: den volgenden morgen wachtte

weer werk, als het niet ophield met regenen. Pah Rekso voelde zich

niet goed. Hij had een zware koude gevat, maar met de zorgeloosheid

van den inlander wijdde hij daaraan slechts matige aandacht. Drie

dagen later echter werd hij geplaagd door een beklemming op de borst

en pijn in de longen. Hij begon te hoesten en te kuchen en moest

aanvallen van voorbijgaande benauwdheid verduren. Nog achtte men de

ziekte niet erg. Eerst toen hij na een week begon bloed te spuwen,

maakte zijn omgeving zich ongerust. Een groote maand lang was Pah Rekso

niet tot werken in staat. Toen hij zich eindelijk hersteld waande,

zag hij er uit als een geest. Zijn gelaat was ingevallen, zijn oogen

stonden flets, diep in de kassen. Hij kuchte nog steeds. Rekso zelf

begreep zeer goed welke ziekte hij had: de tering, waartegen ook in

de desa geen kruid gewassen is en die menigvuldiger voorkomt onder

de inlanders dan men oppervlakkig wel meent.

Ook zijn gezin en de anderen beseften wat die droge kuch beduidde. Zij

schikten zich in het onvermijdelijke. Het stond geschreven. Allah wilde

het. Alleen Ten klaagde. Waarom had men ook Tjidamar en de bergen

verlaten? Het was een straf van Allah, die niet wil dat de menschen

het land verlaten, waarin hij hen heeft doen geboren worden. Siman

volgde met groote bezorgdheid de vorderingen der sloopende ziekte,

waarvan hij de schuld wierp op de landeigenaren, die weigerden de

bevolking irrigatie te schenken.

De veldarbeid kwam thans geheel ten laste van Pah Ran en Siman. Zij

hadden er de handen vol aan. Wel had Pah Rekso zich aangeboden

voor diverse werkzaamheden, maar daar wilden de anderen niet van

hooren. Later, zeiden zij, later, als hij weer geheel hersteld was,

kon hij weer mee naar het veld. Maar niemand was er, die geloofde

dat dit nog zou gebeuren.

De regens hadden opgehouden. Het weder was gunstig en de oogst liet

zich goed aanzien. Het liep nu tegen Mei. Laat in Juni, dus berekende

Siman, zouden zij den eersten oogst binnenhalen, die beloofde

mede te vallen. Hij bouwde zich luchtkasteelen, de jonge man. Zij

zouden de rijst van hun petahs [86] verkoopen en er inferieure voor

terugkoopen, want zij voor zich behoefden geen rijst van zes gulden

de picol te hebben. Er zou dan een kleine winst op overschieten en

met het goed geborgen geld, dat er nog was, kon men allicht zich een

buffel aanschaffen, zonder dat de geheele kas werd uitgeput--want er

zouden nog andere uitgaven bestreden moeten worden. Djiah toch was

zwanger en de bevalling werd verwacht tegen Juli. Het kwam wel niet

zeer gelegen, want zeer waarschijnlijk zou men dan nog niet met den

oogst gereed zijn, maar daar was natuurlijk niets aan te doen.

Siman en Djiah beiden wenschten een jongen: dat gaf dadelijk meer

aanzien en oentoeng. Een jongen was altijd oentoeng. Een meisje

gaf meer last dan pleizier en was niet zoo vroeg voor het werk

geschikt. Siman had al eens aan de doekoen [87] gevraagd of zij niet

kon zeggen of het een jongen of een meisje zou zijn en de wijze vrouw

had hem naar verschillende zaken gevraagd om au fait te zijn. Met welke

maan ze getrouwd waren, en of Djiah dadelijk zwanger was geworden,

en nog tal van intieme dingen. Zij was Djiah ook komen opzoeken

om naar den omvang van den buik de kansen op een mannelijk kind

te berekenen. Zij had om koffie gevraagd en daarover druk gebeden

gepreveld, waarna Djiah ze in eenen had moeten uitdrinken, nadat

de doekoen haar den buik en den rug had betast en gepidjit. [88]

Zij had Djiah opgedragen te zorgen niet in den maneschijn te loopen,

want dat zou onvermijdelijk een meisje ten gevolge hebben. Toen de

wijze vrouw heenging, zeide zij nog, elken vijfden dag menjan [89]

te branden en gaf nog wel twintig andere aanbevelingen meer. Nu

was ze gedekt. Werd het geen jongen, welnu dan zou ze zich kunnen

beroepen op het een of andere verzuim. Want geen mensch zou hebben

kunnen onthouden en nakomen wat Mah Itam allemaal had voorgeschreven.

En zoo was er dan reden tot vreugde in het gezin. Alleen de toestand

van Pah Rekso wekte steeds meer bezorgdheid. De man teerde zichtbaar

uit. Zijn bezigheden thuis bestonden in het maken van vogelkooitjes

en het vlechten van manden, hetgeen hij de kleine Djirah nu ook had

geleerd. De anderen schikten zich in den toestand en de ouderliefde,

bij den Javaan zoo ontwikkeld, omringde den ongelukkige met kleine

gerieven.

Djamin deed voorloopig niet veel. Tot ingespannen veldarbeid was

hij nog niet in staat. Trouwens, nu er slechts gewacht werd op den

snijtijd, was er niet veel werk meer op de velden. De regentijd

was normaal verloopen en afgewisseld door het schoonste zonneweer,

dat de aren deed zwellen door de rijpende vrucht. Siman, die in den

geest reeds den karbouw op zijn erfje zag, had Djamin reeds den rol

van botja angon toegedacht.

Toen brak de panèn [90] aan, de eerste oogsttijd voor de nieuwe

kolonisten; zij waren vol goeden moed, want de halmen bogen onder

het gewicht.

Heeft een van mijn lezers wel eens den panèn meegemaakt op het

land te midden van het volk? Welk een vroolijken aanblik hebben

dan de velden, als het goudgeel van het graan doorspikkeld is van

de roode, blauwe, groene en witte vlekken der vrouwenbaadjes; als

heel het landschap in volle rijpheid leeft en trilt. De anè-anè,

het kleine mesje, verborgen in de handpalm der snijdsters, klikt

en klikt tegen de halmen. De wind suist door de strak-heete lucht

en ritselt in de padi. Over het land welft zich een helderblauwe

hemel. De snijdsters zingen al maar voort onder het werk, soli en

koren in droefgeestige modulatie. De jongeren lachen en dollen en

verzuimen het werk niet. Stap voor stap schrijden zij voorwaarts;

wat van de aren valt uit de linkerhand, wordt bijeengezocht door de

lezers, knapen en meisjes. De koperen zon met haar schroeiende stralen

deert het volk niet. Vaak zijn zij van verre gekomen, en zij, die heden

hier aan den arbeid zijn, zullen voor een deel althans, morgen elders,

wat zoeken te verdienen met den oogst. Des avonds is er rameh [91]

in de desa. Dan speelt de gamelan. Het zweet der dampende lijven is

weggewasschen aan bron of leiding, de kondeh is, vet van klapperolie,

in stevige wrong gedraaid; de mooie badjoes worden ten pronk gedragen

door de meisjes. Men snoept de helft van het schamel snijloon weg aan

de vele wandelende winkeltjes, welker eenige illuminatie bestaat in

een walmend oliefleschje. Dan is het een goede tijd voor de jongelui,

want er zijn lieve bekjes onder de verre geburen.

Niet alzoo is de panèn op Alas Bamboe en het was een groote

teleurstelling voor Siman en Djiah en de beide meisjes, Ipah en Mariam,

vooral, dat er van rameh en gamelan niet veel te merken was. Dat was in

de Preanger, zelfs in het armoedige Warnaleutik, toch anders geweest.

De ouderen hadden den anderen geest, die op Alas Bamboe onder

het landvolk heerschte, wel opgemerkt. Men was hier passiever,

gedrukter. De stemming was zoo'n heel andere als daar ver weg in het

zuiden over de bergen, dat zij waarlijk een soort van heimwee kregen

naar de vervallen kluis in Tjidamar.

Zij begrepen nog niet dat de panèn op Alas Bamboe de aanvang is van

een periode van veel leed. Zij kenden dat leed nog niet en geloofden

ook niet de droeve verhalen van knevelarij en afpersing, hun door de

desalieden gedaan. Dat moest wel overdreven zijn.

Reeds maanden geleden hadden Pah Rekso, Pah Ran en Siman de vrijwillige

overeenkomst, waarbij zij zich verbonden hun contingent tjoeké te

leveren in rijst, geteekend en zij hadden in hun domheid gemeend den

landheer nog te moeten prijzen dat hij zoo goed was hen daartoe in

staat te stellen. Zij toch meenden voor zich daar voordeel in te zien.

Hun sawahs waren niet onder die, welke door den landheer gerekend

werden te behooren tot de "goede gronden", waarvan het product wordt

getaxeerd--door den landheer--op 6 1/4 kattie [92] per roede of 31

1/4 picols natte padi per bahoe, maar daar stond tegenover dat zij

weer minder tjoeké zouden behoeven te betalen. En nu hadden zij

bovendien de stille hoop dat zij meer van den grond zouden kunnen

maken dan de taxatie en in dat geval zouden zij bij het teekenen der

"vrijwillige overeenkomst", waarbij het te leveren contingent vooruit

werd uitgemaakt, in het voordeel zijn.

Desagenooten beweerden wel dat die vrijwillige overeenkomsten

afgedwongen werden, maar Pah Rekso en de zijnen, die daarvan voor

hen zelven nog niets gemerkt hadden, waren geneigd hun zegslieden te

houden voor aarts-mopperaars, menschen, zooals men die overal vindt

en wien niets naar den zin gemaakt kan worden.

Op zekeren avond echter was Pah Ran thuis gekomen met een

verontrustende mededeeling. Hij was op bezoek geweest bij een

desagenoot en daar had hij toevallig een djoeroetoelis van den

opzichter van het district Herea ontmoet. Men was in druk gesprek

geraakt; Mas [93] Prawira bleek een onderhoudend prater, die meer

wist, veel meer, dan de desalieden om hem heen: hij kon lezen en

schrijven, was jong en minder conservatief dan zijn omgeving. Hij had

een aangenaam uiterlijk, wat hem door de meisjes als een deugd werd

aangerekend. Nu, een Don Juan was Prawira niet, al mocht hij graag

in mooie oogen kijken.

Hij werd gaarne gezien in de woning van zijn neef Djeni, in Gatok,

wiens vrouw overal met hem blufte. Het was maar goed dat zij niet

de minste bekoorlijkheid meer bezat, anders was de vriendschap van

Djeni voor zijn heer neef wellicht ras bekoeld. Nu was er geen gevaar.

Prawira nu had aan zijn hoorders rare dingen verteld. Hij had hun

met een gewichtig air gevraagd of zij zich nog herinnerden den

landraadspresident te Telatiga, mr. Hazelaar?

Djeni had verklaard van niet, waarop Prawira zijn geheugen had

gescherpt door te herinneren aan verscheidene strafzaken van lieden,

die zij beiden kenden. Ja, toen was bij Djeni de herinnering levendig

geworden.

Nu dan, had Prawira gezegd, mr. Hazelaar, die zoo vaak bewezen had

het wèl te meenen met de lieden, wier ondeugden hij geroepen was te

bestraffen, had een boekje geschreven in het Maleisch, waarin hij

uitlegde welke verplichtingen de opgezetenen hadden na te komen,

maar ook welke rechten zij bezaten.

De nieuwsgierigheid was geprikkeld. Vooral Pah Ran, die nog vreemdeling

was om zoo te zeggen, had veel belangstelling getoond. Hij had nog

nooit eenige rechten bezeten, was zich deze althans nooit bewust

geweest, gesteld dat zij bestaan hadden of nog bestonden.

En Prawira had hun, zoo goed als hem mogelijk was, uitgelegd dat

de landheeren veel meer van hen vorderden, aan tjoeké voornamelijk,

dan waarop zij aanspraak konden maken. Hoe dat alles verband hield

met de bepalingen van een zeker reglement, dat er bestond voor de

particuliere landen, wist Prawira echter niet te zeggen, maar hij was

toch overtuigend genoeg geweest om bij Pah Ran, die nog al spoedig

onder een indruk kwam, een gevoel van wantrouwen te doen opkomen,

dat hem nu niet zoo spoedig verliet.

Hij deelde aan Pah Rekso mede, nog gebrekkiger dan Prawira hem

had ingelicht, wat hij vernomen had. Pah Rekso was bedachtzaam en

voorzichtig. Hij had Pah Ran kalm aangehoord en hem verzocht Mas

Prawira bij hen te noodigen. Hij wilde gaarne meer van de zaak weten.

Den volgende avond was Prawira bij hen. De jonge man werd hupsch

ontvangen en het was niet aller aandacht ontgaan dat hij zeer getroffen

was door de schoonheid van Mariam, die zich extra-mooi had uitgedost,

nadat zij Pah Ran zoo terloops had uitgehoord over Prawira.

Mariam was mooi. Ze was nu een bloeiende maagd geworden met een,

voor een Soendaneesche, zelfs zeer regelmatig gezichtje, in koelit

langsep [94] tint. Een zware kondé, zonder tjemara's, [95] prijkte

met een zilveren naald. Zij was slank en lenig; haar bewegingen

waren gracieus. Een licht zwellende boezem, kleine, teere handen en

voeten--het was een verschijning als van een radènajoe [96] en daar

Mariam zeer goed wist dat ze mooi was, streefde zij er steeds naar

op het voordeeligst uit te komen.

Prawira nam zich dadelijk voor het gezin Rekso méér te bezoeken en

zorgde ervoor bij deze menschen een goeden indruk na te laten. Hij

sneed wat op over zijn positie en zijn inkomen, dat hij, het

verdubbelende, op vijftien gulden in de maand bracht. Hij sprak met

een tikje minachting over dingen, waar de anderen niet dan met zekeren

eerbied van plachten te gewagen.

En toen het op het behandelen van zaken aankwam, waar Rekso telkens

op aandrong, zeide hij dat hij bij zijn neef Djeni in een koffer nog

papieren had, die hij wel even kon gaan halen.

Dit was nu maar bluf, want al wat hij had was een staat van

tjoeké-aanslag, dien hij had moeten overschrijven en waarvan hij een

afschrift meer had gemaakt; eigenlijk zonder dat hij wist, waarvoor

het dienstig kon zijn. Dit papier stak hij in een jasje van hem. De

"koffer", waarmede hij gebluft had, bestond natuurlijk alleen maar

in zijn verbeelding.

Toen hij weg was om zijn papieren te gaan halen, zeide Pah Ran tot

Pah Rekso: "Wel, hoe vind je 'm?" en om kritiek te voorkomen voegde

hij er haastig aan toe: "Hij weet heel wat!"

"Dat schijnt zoo," antwoordde Rekso ontwijkend.

"Onze Mariam schijnt het hem al dadelijk aangedaan te hebben," zeide

Siman lachend. "Pas maar op je dochter, vader."

Mariam was boos.

"Ach, wat," zei ze, "jij ziet altijd dingen, die een ander niet ziet."

"Daar zou ik rijk mee kunnen worden," antwoordde haar broer

grinnikend. "Maar het is toch heusch waar, hoor. Ik zag het aan

zijn oogen."

"Ik ook, Siman," klonk het schelle stemmetje van een der

tweeling-zusjes. Het was een welkome afleiding voor Mariam. Op de

zusjes kon ze rustig lostrekken.

"Stil jij, kétèh [97]," snauwde zij vinnig. "Wacht jij je tijd

maar af!"

De kleine droop af. Dadelijk daarop werd de aandacht afgeleid door

Prawira, die weer binnentrad. Mariam's booze trek om de mondhoeken was

als bij tooverslag verdwenen. Zij voelde dat Prawira een blik op haar

wierp. Daarop vouwde hij een papiertje met streepen en cijfers open,

en streek het vlak op de ruwgetimmerde tafel van geel nangkahout.

De drie mannen keken er naar met wezenlooze blikken van niet-begrijpen

en Siman gevoelde wrevel bij zich opkomen over zijn domheid, die hem

belette al die teekens op het papier te verstaan. Als hij ook eens

lezen en schrijven kon als Prawira! Toen zij nog te Tjidamar woonden,

had hij de school te Walirang wel willen bezoeken, maar de afstand

was te groot om dagelijksch schoolbezoek mogelijk te maken.

"Kunnen jullie dit lezen?" vroeg Prawira, zeker van het ontkennende

antwoord, terwijl hij bewondering trachtte te lezen in Mariams donkere

kijkers. Maar het coquette nest deed hem dat pleizier niet.

"Neen," antwoordde Pah Rekso.

"Ja, zie je," zeide de schrijver weer, "je moet je nu goed herinneren

wat er in de vrijwillige overeenkomst staat. Jullie hebt toch zoo'n

overeenkomst gesloten met den landheer?"

"Neen," zei Rekso, "wel met den opzichter."

"Nou ja, dat is hetzelfde. Teekenen moet je toch, wil je het nu niet,

dan dwingen ze je het volgende jaar."

"Waarachtig niet!" viel Pah Ran in. "Ze kunnen ons niet dwingen!"

Prawira keek hem schamper aan. "Men kan wel zien," zeide hij,

"dat jullie niet lang op het land bent. Geloof me, ze dwingen je,

en de bestuursambtenaren van kandjeng gouvernement [98] doen daaraan

mee. Ja, ja, schud het hoofd maar niet. Ik ken die dingen al zoo lang."

"Maar, om verder te gaan," vervolgde hij, "je weet dat er een bepaling

is in de overeenkomst, de vierde geloof ik ... ah, daar heb je het

ding!" viel hij zichzelf in de rede, het contract uit de hand van

Pah Ran nemende, die het was gaan halen. Hij sloeg de bladzijde om

en las een poosje.

Het boek van Siman den Javaan Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid · 第 6 / 17 题