Ceux qui hors le cas prévu par le § 3 de l'article 66 (i. e. 66 2o)
auront avec connaissance aidé ou assisté l'auteur ou les auteurs
du crime ou du délit dans les faits qui l'ont préparé ou facilité,
ou dans ceux, qui l'ont consommé.
Ten opzichte van den Franschen Code van 1810 is hier het begrip
auteur uitgebreider, het begrip complice meer begrensd. De
deelneming "par aide et assistance" kan zich natuurlijk op velerlei
wijze openbaren. Nypels zegt in zijn commentaar daaromtrent: "La
participation par aide et assistance sera suivant les circonstances
ou un acte de participation principale (d'auteur) ou un acte de
participation accessoire (de complice). Si l'aide a été telle qu'à son
défaut le crime ou le délit n'eût pu étre commis le participant sera
puni comme coauteur (66 : 2o). Si l'aide a été simplement accessoire,
c'est à dire si elle n'a fait que faciliter l'exécution du crime le
participant sera puni comme complice". (67 3o).
Het is een feitelijke kwestie, door den rechter in ieder geval
afzonderlijk te beslissen, of hij, die op de een of andere wijze
behulpzaam is geweest, als coauteur of als complice bestraft moet
worden; voor het strafminimum natuurlijk van belang, daar de Belgische
complice niet als de Fransche gestraft wordt als de dader (behoudens
eenige uitzonderingen).
De blanke slavinnenhandelaar kan dus volgens het Belgische recht
naar gelang van de omstandigheden hetzij als dader van hetzij als
medeplichtige aan 't misdrijf van 379 en 380 C. P. B. gestraft worden,
mits de overige vereischten door deze artt. gevorderd, aanwezig
zijn. [15]
Dit stelsel van den C. P. B. biedt in zooverre groote voordeelen, dat
de strafwet ook den meisjeshandelaar treft, die werkzaam geweest is,
vóórdat de dader van het misdrijf van art. 379 of 380 eenig opzet
had het strafbare feit te plegen. Inderdaad van groot belang; eene
beslissing met ons Nederlandsche recht, naar mijne bescheiden meening,
onvereenigbaar.
Nypels geeft in zijn commentaar als voorbeelden op: "Coauteurs par
aide ou assistance avant l'exécution: le domestique, qui ouvre aux
voleurs la porte de la maison, qu'ils veulent dévaliser; celui qui
attire la victime dans la maison, où elle doit être assassinée etc."
In deze gevallen en in een geval van meisjeshandel, waarbij de
placeur valt onder art. 66 2o is er sprake van een "participation
indispensable". Men moet dit evenwel niet opvatten als een absolute
onmisbaarheid: het misleide meisje kon ook door een ander verlokt
worden; doch de Belgische geleerde zegt, dat de onmogelijkheid dat
anders het misdrijf zou gepleegd zijn, slechts relatief moet opgevat
worden. Een anderen zin aan 't artikel te hechten zou leiden tot eene
volkomen onbruikbaarheid van het artikel (66 2o.)
Er moet evenwel niet vergeten worden, dat we hier te doen hebben met
een geval van "participation", al wordt de schuldige ook als coauteur
gestraft. Kwam het dus niet tot het strafbare feit van art. 379 of
art. 380, strafbare poging inbegrepen, de meisjeshandelaar blijft
straffeloos, al had hij ook alles gedaan, wat voor zijn werkzaamheid
noodig was.
Voor ik van deze bespreking afstap wil ik nog een enkel woord wijden
aan het habituellement exciter etc. In 't rapport van den Heer de
Leval op 't Londensche Congres van Juni 1899 vind ik vermeld één
uitspraak van den Belgischen rechter, volgens welke hij die eene
minderjarige aan een bordeelhouder aflevert schuldig zou zijn aan
het feit in art. 379 (jo 66 2o. C. P. B.) omschreven. De wetenschap,
dat een meisje in een publiek huis zich dagelijks aan de prostitutie
overgeeft stelt de voorwaarde van de gewoonte daar. 't Is waar: de
meisjeshandelaar stelt den bordeelhouder in staat het misdrijf van
art. 379 of 380 te plegen. De redactie der artt. 662o. en 673o. zou
ook een argument kunnen wezen. Eene rationeele opvatting en uitlegging
verzetten zich m. i. evenwel tegen de meening als zou de deelnemer
reeds dan strafbaar zijn. Welk een onzekere rechtstoestand zou hierdoor
geschapen worden. Van den dader, een bordeelhouder of ander, zou het
afhangen of de meisjeshandelaar vervolgd moet worden of niet. Bevordert
hij de ontucht van het verkochte meisje éen keer of 2 keer, dan heeft
de placeur niets te vreezen; geschiedt 't nog eens dan is zijn daad
plotseling een feit geworden, waarop een zware straf staat. Welk
een rechtsonzekerheid! Gevorderd wordt niet eenvoudig een gewoonlijk
zich overgeven aan de ontucht, doch dit moet geschieden als gevolg
van een gewoonlijk doen of laten van den schuldige.
De bordeelen zijn niet verboden in België. Het toezicht is overgelaten
aan de plaatselijke overheid, die in hoogste instantie de sluiting
kan bevelen. Het rapport van den Heer de Leval (op 't Londensche
Congres in 1899) vermeldt, dat dit nog al eens plaats heeft.
Daar de politie de bevoegdheid heeft die huizen ieder oogenblik binnen
te treden kan zij in de gelegenheid zijn op 't spoor te komen van
vele ongerechtigheden.
Dit beweert althans bovengenoemde Belgische afgevaardigde op 't
Londensche Congres. Ik heb reeds meer dan eens elders er op gewezen,
dat dit in theorie zeer wel mogelijk is, doch dat de praktijk met
dergelijke theoretische uitingen meestal den spot drijft.
Eene ministeriëele circulaire (1891) heeft der Belgische politie de
aanschrijving gedaan alle vreemde vrouwen, die zich aan prostitutie
overgeven uit te zetten. Woordelijk heet het in de circulaire aldus:
"le fait de se livrer à la prostitution clandestine, quelle que soit
la profession prétendument exércée par les étrangères suffit pour
que leur renvoi soit ordonné." (zie Redev. van Bylandt 2e Kamer 5
Maart 1890). Nog valt te vermelden de Loi du 12 Février 1897 sur les
étrangers, waarvan art 1 luidt:
Art. 1er. "L'étranger résident en Belgique, qui par sa conduite,
compromet la tranquillité publique, ou celui qui est poursuivi ou qui a
été condamné à l'étranger pour les crimes au délits, qui donnent lieu
à l'extradition peut être contraint par le Gouvernement de s'éloigner
d'un certain lieu, d'habiter dans un lieu déterminé ou même de sortir
du royaume.
L'arrêté royal enjoignant à un étranger de sortir du royaume,
parce qu' il compromet la tranquillité publique sera délibéré en
conseil des Ministres." Volgens deze wet kunnen dus placeurs van
vreemde nationaliteit het land uitgezet worden op grond, dat zij
"la tranquillité publique" in gevaar brengen. Te betreuren is de
omslachtige weg, die het artikel aanwijst om tot de verwijdering te
geraken.--Volgens den Heer de Leval is het plichtsgevoel en de zucht
om den meisjeshandel te onderdrukken bij de politie zeer aangewakkerd
na de openbaarmaking van de schandalen van 1880. Een gelukkig
verschijnsel, want vóór 1880 was van beiden niets te bespeuren.--De
nationale wetgeving in België heeft dus nog geen afzonderlijke
bepalingen in het leven geroepen ter bestraffing van placeurs en
consorten. Wij hebben evenwel reeds gezien dat zij toch al een open
oog heeft gehad voor de belangen van de inlandsche meisjes in het
buitenland en van misleide meisjes uit den vreemde in België. Hiervan
getuigen de reeds behandelde verklaringen, die België met Nederland
en Duitschland respectievelijk den 18 Dec. 1886 en den 4 Sept. 1890
(goedgekeurd door de wet van 27 July 1891) uitgewisseld heeft.
§ 4. FRANKRIJK.
Wij hebben het artikel dat in den Franschen Code Pénal onze aandacht
vraagt reeds meer dan eens ontmoet. Art. 334 C. P. is toch de
grondslag geweest voor de bestraffing van de koppelarij in vele
andere strafwetgevingen.
Het luidt aldus:
Art. 334. Quiconque aura attenté aux moeurs en excitant favorisant ou
facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse
de l'un ou de l'autre sexe au dessous de l'âge de vingt et un ans sera
puni d'un emprisonnement de six mois à deux ans, et d'une amende de
cinquante francs à cinq cents francs.
Si la prostitution ou corruption a été excitée, favorisée ou facilitée
par leurs père, mère, tuteur ou autres personnes chargées de leur
surveillance, la peine sera de deux ans à cinq ans d'emprisonnement,
et de trois cents francs à mille francs d'amende.
Art. 335 geeft eenige nadere voorschriften voor de straf; ook
politietoezicht kan opgelegd worden.
Ad. Chauveau en Hélie Faustin geven in hun Théorie du Code Pénal een
historische ontwikkeling van de koppelarij, zooals deze nu in het
Fransche Code-artikel aan te treffen is. Het blijkt dat art. 334
C. P. beoogt te treffen hetzelfde feit, dat het Romeinsche Recht
als lenocinium strafbaar stelde; d. i. vooral het door (directe)
bemiddeling teweegbrengen van iemands ontucht. (Lenocinium facit,
qui quaestuaria mancipia habuerit; sed et qui in liberis hunc quaestum
exercet, in eadem causa est. L. 4 § 2 D. De his qui not. infam. III 2).
Dat er verder nog sprake is van favoriser en faciliter doet tot de
zaak niets af. Het exciter bedoelt de causa movens, het favoriser
en faciliter, het in de hand werken van het reeds bestaand voornemen
van een derde.
De blanke slavinnenhandelaar, wiens indirecte bemiddeling de vrouw
of het meisje tot de ontucht drijft, is dus niet als hoofddader van
art. 334 C. P. te straffen. Hij verleent slechts zijne medewerking tot
de handelingen van dezen, en is te vervolgen als medeplichtige, indien
zijn eigen handelingen op te vatten zijn als deelnemingshandelingen,
zooals art. 60, 2de en 3de lid C. P. ze omschrijven.
Art. 60. (Seront punis comme complice d'une action qualifiée crime
ou délit).
2o. Ceux qui auront procuré des armes, des instruments ou out autre
moyen, qui aura servi à l'action, sachant qu'ils devaient y servir;
3o. Ceux qui auront, avec connaissance, aidé ou assisté l'auteur
ou les auteurs de l'action dans les faits, qui l'auront préparée ou
facilitée, ou dans ceux qui l'auront consommée, sans préjudices des
peines, qui etc. etc.
Dat met de achterhaling dezer wandaden op deze wijze niet volstaan
kan worden, is dan ook geruimen tijd door sommige staatslieden
ingezien. Frankrijk heeft aan Bérenger te danken een wetsvoorstel,
waarvan art. 5 dezen inhoud heeft:
"L'embauchage par violence ou par fraude pour la prostitution, l'emploi
des mêmes moyens pour contraindre une personne, même majeure, à se
livrer à la prostitution, seront punis d'un emprisonnement de six
mois à deux ans et d'une amende de 100 à 2000 francs.
En cas de récidive dans les conditions prévues par l'article 2,
la relégation pourra être prononcée."
Dit artikel werd in 1895 door den Franschen Senaat aangenomen in
een wetsontwerp in zake de prostitutie; [16] het wordt nu voor de
Fransche Kamer van Afgevaardigden behandeld. (1899 Rapport Bérenger op
't Engelsche Congres). Bérenger achtte het in zijn rapport in ieder
geval noodzakelijkheid, dat aan dit artikel nog werden toegevoegd
de woorden ("or by abuse of authority") "ou par abus d'autorité"
waardoor zouden getroffen worden zoowel de man of de ouders die hun
vrouw of dochter aan de prostitutie overleveren als ook hij, die
het meisje, dat hij verleid heeft, noodzaakt zich te prostitueeren,
opdat hij bestaan kan van 't loon van haar ontucht.
Het artikel, zooals het reeds in eerste lezing aangenomen is treft hem,
1º. qui embauche par violence ou par fraude pour la prostitution,
2º. qui contraint par violence ou par fraude une personne, même
majeure, à se livrer à la prostitution.
In het eerste geval mag men aannemen, dat in zoo ruim mogelijk gestelde
bewoordingen sprake is van den meisjeshandel.
Wanneer de hier gestelde vereischten aanwezig zijn mag voorzeker het
oogmerk om aan de prostitutie over te leveren als bij den placeur
bestaand aangenomen worden.
Zoowel de minderjarige als de meerderjarige vrouw wordt hier
beschermd. De enkele daad van het verkoopen van eene vrouw wordt
reeds getroffen.
Het motief doet niets ter zake: winstbejag en andere motieven staan
gelijk.
Ik kan echter niet verhelen, dat de bepaling mij niet voldoet, daar
ik, omdat het de bedoeling geweest is den meisjeshandel te treffen,
de bestanddeelen van een daad van meisjeshandel niet duidelijk
weergegeven vind. Onder de bepaling vallen ook andere gevallen: 't is
toch mogelijk, dat de vrouw niets weet van hetgeen men met haar zal
doen, en hieronder valt de ware meisjeshandelsdaad; aan den anderen
kant kan het bedrog ten opzichte van andere omstandigheden bij de
daad in concreto gepleegd zijn, zoodat daardoor niet verhinderd wordt,
dat de vrouw zich bewust is, dat zij zich gaat prostitueeren.
Het 2de geval straft hem, die eene vrouw door geweld of bedrog dwingt
zich te prostitueeren.
Dit gedeelte zal vooral den bordeelhouder treffen, die een gekochte
vrouw met geweld of door bedrog (waaronder ook zou kunnen vallen
b. v. het bedwelmen door dranken) dwingt zich aan een man over
te geven. In sommige gevallen wellicht een medeplichtigheid aan
verkrachting. Door dit tweede geval wordt in tweeërlei opzichten eene
uitbreiding gegeven aan het koppelarij-artikel van den Code Pénal, dat
slechts straft het exciter habituellement la débauche d'une mineure. In
dit ontwerp-Bérenger wordt de strafrechterlijke bescherming uitgestrekt
tot iedereen hetzij meerderjarig of minderjarig; behoeft het exciter
niet habituellement te geschieden maar moet het par violence ou par
fraude geschieden.
Het drijven van handel in vrouwen en meisjes, wordt niet aan
strafverzwaring onderworpen, wel de recidive van de enkelvoudige
daad. Op den buitenlandschen handel wordt echter niet speciaal gelet.
Mijn opinie is, dat dit artikel aan de behoeften der praktijk zal
kunnen voldoen, mits de toepassing goed verzekerd worde. 't Komt
hier dus aan op ruime politiebevoegdheden om gelegenheid te hebben op
't spoor te komen van die misdrijven, en vereischt is eene degelijke
plichtsbetrachting van de zijde der politie.
Hierop schijnt vooral in Frankrijk de nadruk gelegd te moeten
worden. Yves Guyot beschouwt het in zijn rapport op 't Congrès
Pénitentiaire, in 1895 te Parijs gehouden, als het kardinale punt. Hij
slaakte deze verzuchting: "Sa répression et sa suppression sont bien
plus une question de police que de législation. A quoi bon avoir des
lois sur le papier, si la police les viole? A quoi bon l'article 334
dans le Code Pénal, si la police inscrit elle même des mineures sur
ses régistres et profite de leur misère et de leur inexpérience pour
les enfermer dans des maisons de tolérance?"
Juist dit is het zwakke punt. Een macht van wetten en dekreten, zoowel
van jongeren als van ouderen datum, tot voor een eeuw her, op het
prostitutie-vraagstuk betrekking hebbende vigeeren in Frankrijk, doch
de uitvoering ontbreekt. Gewapend met de bevoegdheden haar ter dezer
zake in die wetten en dekreten toegekend, is de politie in ruime mate
in staat mede te werken tot de bestrijding van den meisjeshandel [17].
De strenge reglementatie der prostitutie is in dit land dus een
indirect middel voor de politie om het euvel tegen te gaan. Verder
moet opgemerkt worden, dat de politiebevoegdheden, op dit punt
betrekking hebbende, slechts in zeer algemeene bewoordingen
gesteld zijn. Gedetailleerde bepalingen ontbreken, doch juist deze
omstandigheid werkt er toe mede om de politie in staat te stellen
hare taak ruim op te vatten, niet gebonden aan nauwkeurig gestelde
voorschriften die in deze kwestie slechts kunnen uitmunten door
ondoelmatigheid wegens de ontelbare variaties der gevallen, die zich
kunnen voordoen.
De politie, die in deze zaak bevoegd is, is eene afzonderlijke
afdeeling van de Administration de police, de zoogenaamde "service
des Moeurs" die het toezicht heeft op alles wat de prostitutie raakt
en zoowel preventief als repressief kan optreden ten opzichte van de
ongerechtigheden, waartoe de prostitutie zoo bij uitstek aanleiding
geeft.
De Fransche afgevaardigde op 't congres te Londen (1899) de Heer
Bérenger, vermeldt, dat minderjarige meisjes geen buitenlandsch
paspoort kunnen verkrijgen dan op uitdrukkelijk verzoek der
ouders. Dat deze bepaling gemakkelijk kan ontdoken worden, wanneer de
meisjeshandelaar het noodig vindt, behoeft geen verder betoog. Uit
't rapport van denzelfden afgevaardigde blijkt, dat de consuls van
Frankrijk in 't buitenland gevestigd ook hun aandacht vestigen op dit
kwaad en pogingen in het werk stellen om het te voorkomen. Hij haalt
althans het voorbeeld aan van een consul in Rusland gevestigd, die er
op opmerkzaam maakte, aan welke gevaren emigreerende vrouwen en meisjes
blootgesteld werden, hetgeen blijkt uit de bij dat consulaat ingekomen
talrijke aanvragen om onderstand en om terugzending naar Frankrijk.
§ 5. ZWITSERLAND.
Men acht zich gelukkig in den Zwitserschen Bondsstaat, dat de tijd
wellicht niet meer verre zal zijn, die een einde maken zal aan den
onhoudbaren toestand, dat binnen een betrekkelijk klein territoir een
twee en twintigtal verschillende strafwetten heerschen. Deze wijken
zeer van elkander af: de Duitsche kantons hebben hun strafwetten naar
Duitschen leest geschoeid, de Fransche kantons hebben zich den Code
Pénal tot voorbeeld gekozen. Groote verscheidenheid heerscht vooral op
't gebied der zedenmisdrijven.
Wanneer wij het begrip der koppelarij in het dagelijksch leven aangeven
als het teweegbrengen of bevorderen van de ontucht van derden, die
evenwel in deze algemeenheid bijna nergens strafbaar is, dan hebben wij
een juiste maatstaf om aan te stippen, in hoeverre in de verschillende
kantons de koppelarij gestraft wordt. (De cijfers, die ik hierbij
aangeef, wijzen de artt. aan uit de verschillende strafwetboeken.)
Thurgovie straft koppelarij, indien 't uit gewoonte of of uit
winstbejag geschiedt. Strafverzwaring indien manoeuvres frauduleuses
gebezigd zijn. (art. 121-124).
Schwyz: art. 94 vordert het gewoonlijk handelen.
Schaffhausen: art. 183 conform aan de desbetreffende bepalingen
van Thurgovie.
Bern: art. 168 vordert het koppelen uit gewoonte. Strafverzwaring,
indien door prétextes frauduleux eerbare vrouwen tot de prostitutie
verleid worden, zelfs dan wanneer 't doel niet bereikt is.
Grisons: Iedere koppelarij wordt gestraft; de strafmate verschilt
al naar gelang er eene gewoonte of niet te constateeren valt of al
naar gelang er eene persoonlijke betrekking bestaat met de verleide
persoon of niet. (art. 146).
Argovie: dit kanton heeft geen repressie van koppelarij.
Valais: art. 199 vordert een gewoonlijk handelen.
Obwalden: proxénétisme voor de tweede maal bedreven wordt gestraft,
art. 70. Eveneens de begunstiger, die eene gelegenheid verschaft,
waar ontucht bedreven kan worden. (art. 112 Code de Police).
Glarus: art. 83 is identiek met art. 146 van het strafwetboek van
Grisons.
Freiburg: art. 396 vordert dat de koppelarij uit gewoonte bedreven zij.
Bazel, (stad en land). Gewoonte of winstbejag moet bewezen worden,
(art. 96).
Genève: Gewoonte of winstbejag maakt de koppelarij strafbaar, doch
slechts dan wanneer deze in 't openbaar plaats heeft. (Loi pénale
concernant les délits et contraventions contre la morale publique du
26 Nov. 1888).
Zug: art. 99 bevat dezelfde vereischten als art. 146 van Grisons en
art. 83 van Glarus.
St. Gall: art. 170 straft koppelarij in de eenvoudigste gedaante, doch
strafverzwaring bij gewoonte, winstbejag of verleiding van jeugdige,
eerbare personen.
Lucerne: art. 149 treft alle koppelarij en verder het in de gelegenheid
stellen of er toe medewerken dat op eenige wijze in het huis van den
dader of elders ontucht gepleegd wordt.
Soleure: koppelarij is strafbaar indien het uit winstbejag
geschiedt. (art. 105.)
Neuchâtel: iedere koppelarij wordt gestraft; strafverzwaring heeft
plaats, indien eerbare vrouwen buiten haar weten in een huis van
ontucht gebracht worden door hen, die de verleiding tot ontucht als
bedrijf uitoefenen. (art. 292.)
Tessin: 't eenige kanton, dat de strafbaarheid der koppelarij beperkt
tot die der minderjarigen (20 jaar.) mits gewoonte of winstbejag
bewezen zij. (art. 263.)
Appenzell: een gewoonlijk handelen wordt in art. 101 gevorderd.
Vaud. De wet van 20 Nov. 1896 heeft een nieuw artikel over de
koppelarij in 't leven geroepen. Iedere koppelarij is nu in art. 198
(nieuw) strafbaar gesteld.
Zürich. De wet van 30 Maart 1897 om verandering te brengen in het
strafwetboek van 8 Jan. 1871 heeft nevens de oude artikelen 121 en
122, die handelen over het proxénétisme, eenige nieuwe bepalingen
gevoegd. De toestand is nu aldus: koppelarij uit gewoonte of uit
winstbejag is strafbaar. Strafverzwaring bij aanwending van manoeuvres
frauduleuses of bij verleiding van eerbare personen. Bordeelen zijn
op straffe verboden. Verder bevatten de artt. 121, 121a, 122, 122a,
122b nog verschillende bepalingen, die deels het begrip koppelarij
nader uitwerken, deels omstandigheden bevatten, die de straf verzwaren.
Dit is in het kort de inhoud der koppelarijartikelen uit de
strafwetboeken der Zwitsersche kantons, voorzoover ze ons belang
kunnen inboezemen.
Eerlang zal, zooals ik reeds even aanstipte, een strafwetboek ontstaan
voor geheel Zwitserland.
Het herziene ontwerp van Professor C. Stooss is gepubliceerd in
Maart 1896.
Wat de misdrijven tegen de zeden betreft, kan men niet ontkennen
dat het ontwerp zeer streng is. Wat moderne moralisten op dit gebied
kunnen verlangen geeft het ruimschoots.
Artt. 116 en 117 van het ontwerp handelen over proxénétisme 117
speciaal in bordeelen en art. 118 over den meisjeshandel.
Art. 118 luidt aldus in den Franschen text:
Sera puni de la réclusion celui qui, par la ruse, la menace ou la
violence, aura cherché à livrer une femme à autrui dans un but de
débauche.
La peine sera la réclusion pour 5 ans au moins: si la femme est
mineure; si elle est l'épouse, la fille ou la petite fille de
l'auteur ou si elle avait été confiée à ses soins, à sa protection
ou à sa surveillance; si l'auteur a cherché à la livrer à une maison
de prostitution; si c'est à l'étranger qu'elle devait être livrée à
la débauche.
La peine sera la réclusion pour 10 ans au moins où la réclusion à vie:
Si la femme était de réputation intacte et si elle a été effectivement
livrée à débauche.
Deze laatste omstandigheden zijn niet strafbepalend, doch
strafverzwarend.
Dit artikel is m.i. zeer nauwkeurig, wat betreft de afdaling in
détails en voor zoover die omstandigheden als strafverzwarend in
aanmerking komen. Daar het ontwerp nog geen wet is, wil ik mij van
vele op- en aanmerkingen onthouden. Doch éene, m.i. belangrijke, moet
mij uit de pen. Wordt dit artikel aldus aangenomen, dan voorzie ik
de mogelijkheid dat vele tusschenpersonen, n.l. degenen, die na hem,
die door middel van de opgesomde middelen te werk gaat, zich belasten
met de taak de vrouw aan hare bestemming te brengen, eene veroordeeling
zullen ontloopen, al is hun schuld of opzet nog zoo duidelijk!
Eene bepaling in den geest van het 2de lid van art. 48 van het Duitsche
Auswanderungsgesetz ware wel aan te bevelen.
Verder is het onjuist, al zou dit artikel uitsluitend den meisjeshandel
treffen; daarvoor is het te algemeen gesteld. De essentiëele
bestanddeelen van een dergelijke daad treft men daarin niet aan.
Voor den buitenlandschen handel is het melden waard een wet van
24 Dec. 1880 op de emigratiebureaux en agenten geldend in geheel
Zwitserland.
In 't kort is de inhoud van de wet deze:
Om als emigratie-agent op te treden moet men vergunning bekomen.
Met ieder, die het land wil verlaten moet een contract gesloten worden,
waarvan de vorm door de wet voorgeschreven is. Overigens bevat de wet
nog verschillende verplichtingen van welke ik vermeld het verbod om
minderjarigen beneden de 18 jaar behulpzaam te zijn in hun vertrek naar
het buitenland, wanneer deze niet vergezeld zijn van betrouwenswaardige
personen. De minderjarigen moeten in hun onderhoud kunnen voorzien op
de plaats van bestemming en verder is toestemming noodig van hen die
gezag over hen uitoefenen. Verboden is personen behulpzaam te zijn,
die na betaling van hun reisgeld, op de plaats van bestemming geheel
van middelen zouden ontbloot zijn. Verder nog eenige bepalingen voor
de zekerheid van hen, die over zee emigreeren.
De Zwitsersche Consuls in de zeehavens van het buitenland
zijn belast met 't onderzoek van alle klachten van Zwitsersche
émigré's, die betrekking hebben op de niet vervulling van de
contractsvoorwaarden. (Rapport van den Heer de Meuron op het Congres
te Londen 1899.)
Vermeld moet nog worden een interkantonaal tractaat van 1875:
"Concordat entre les cantons de Berne, Fribourg, Vaud, Valais,
Neuchâtel et Genève pour la protection des jeunes gens placés à
l'étranger." De bureaux de placement worden onder toezicht van
de overheid geplaatst. Ze moeten restitueeren de kosten van de
terugkeer van jonge meisjes die zij in den vreemde geplaatst hebben,
zoodat haar terugkomst noodzakelijk is. De plaatsing in een huis van
ontucht wordt hier uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd. Verder wordt
nog een opdracht gegeven aan den Consul in het land, waarheen het
meisje zich begeeft. De overheid verstrekt aan de jeugdige personen,
die emigreeren, een boekje met raadgevingen. (Rapport de Meuron.)
De Zwitsersche politie gaat krachtig preventief te werk door
aankondigingen in dagbladen, waarschuwingen tegen verdachte personen.
Het Rapport van den Heer de Meuron vermeldt in dien geest eenige
waarschuwingen, afkomstig van het "Département de Justice et Police
du Canton de Vaud."
§ 6. OOSTENRIJK-HONGARIJE.
In Oostenrijk dateert het vigeerende strafwetboek van 27 Mei 1852. In
zulk een oud wetboek behoeven we voorzeker niet veel te verwachten,
dat ons kan voldoen. Vorm en sanctie zijn in dit wetboek zelfs nog
in afzonderlijke bepalingen neergelegd.
§ 132 IV verklaart "Kuppelei in Beziehung auf eine unschuldige Person"
een strafbaar feit. IV Kuppelei, woferne dadurch eine unschuldige
Person verführt wurde, (oder wenn sich Eltern, Vormünder, Erzieher
oder Lehrer derselben gegen ihre Kinder, Mündel, oder die ihnen
zur Erziehung oder zum Unterrichte anvertrauten Personen schuldig
machen). Dit is een Verbrechen. Eene Uebertretung is neergelegd in
art. 512c, zooals dit door de wet van 24 Mei 1885 (B. d. L. no. 89)
veranderd is. Het artikel straft hen als schuldig aan koppelarij,
"welche sonst sich zu Unterhändlern in unerlaubten Verständnissen
dieser Art gebrauchen lassen."
Het Verbrechen zou ik willen beschouwen als het teweegbrengen van de
ontucht van een onschuldig persoon, de Uebertretung als het bevorderen
van de ontucht van een derde, al dan niet onschuldig. Deze beide
artikelen zijn nog minder ruim dan de gelijksoortige artikelen uit
de huidige strafwetgevingen. Dat een placeur in generali hieronder
zou vallen, daarvan is geen sprake.
In 1861 is men in Oostenrijk begonnen met het ontwerpen van een
nieuw strafwetboek. In 1889 geëindigd heeft het tot nu toe nog geen
resultaat opgeleverd.
§ 198 ontwerp luidt: Wer der Unzucht anderer Vorschub leistet wird
wegen Kuppelei bestraft;
5. Wenn eine Person in das Ausland befördert wird um sie daselbst
dem umzuchtigen Gewerbe mit ihrem Körper zuzuführen [18].
Straf: hoogstens 5 jaar tuchthuis of gevangenis.
Hier wordt dus een zeer ruwe interpretatie gegeven van het begrip
koppelarij. De buitenlandsche meisjeshandel wordt hier getroffen doch
daarnevens vele andere handelingen, die buiten het bereik der strafwet
moesten vallen. De meest eigenaardige elementen van den meisjeshandel
zijn hier genegligeerd. Het artikel is bepaald af te keuren. Het is
veel te ruim gesteld.
Art. 207 IV. van het strafwetboek van Bosnië en Herzegovina is
gelijkluidend met art. 132 IV van het Oostenrijksche strafwetboek.
Oorspronkelijk was het met het Hongaarsche strafwetboek treurig
gesteld. Het strafte slechts den zwaarsten vorm van koppelarij.
Art. 247 is van dezen inhoud:
"Derjenige, welcher seine eheliche oder natürliche Tochter zum
Beischlafe mit einem Anderen, oder welcher sein eheliches oder
natürliches Kind zu geschlechtlicher oder widernatürlicher Unzucht
mit einem Anderen verleitet, begeht das Verbrechen der Kuppelei und
ist mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen.
Dieselbe Strafe trifft auch denjenigen, welcher eine seiner
Vormundschaft, Curatel, Erziehung, seinem Unterrichte oder seiner
Aufsicht anvertraute Person zu einer solchen Handlung verführt."
Aan dien ondragelijken toestand werd in 1892 een einde gemaakt door
den Minister van Justitie Desiderius von Szilágyi, wiens ontworpen
novelle art. 247a van het wetboek werd.
Art. 247a. "Das Vergehen der Kuppelei verübt derjenige und wird
mit Gefängnis bis zu einem Jahre und mit Geldstrafe bis zu tausend
Gulden bestraft, wer eine unbescholtene Frauensperson dazu überredet,
mit einem andern einen ausserehelichen Beischlaf zu vollziehen oder
Unzucht zu verüben oder wer eine solche Frauensperson einem Bordelle
oder einem ähnlichen unmoralischen Geschäft zuführt--insofern derartige
Kuppelei gewohnheitsmässig betrieben wird."
"Die Kuppelei wird mit Kerker bis zu fünf Jahren und mit Geldstrafe bis
zu 2000 Gulden bestraft, wenn dieselbe mit Anwendung von hinterlistigen
Kunstgriffen verübt wurde, oder wenn ein unbescholtenes Mädchen behufs
Zuführung in ein Bordell oder in ein ähnliches unmoraliches Geschäft
in das Ausland beförderd wird. Der Versuch des Vergehens der Kuppelei
ist strafbar."
In 't kort wil ik mijne opmerkingen over dit artikel laten
hooren. Uitvoerige bespreking van de strafwetgeving van ieder land,
voor zoover het dit punt aangaat, zou mij veel te ver voeren. Slechts
eerbare vrouwen worden beschermd. Dit is te beperkt. Alinea 2
is blijkbaar bestemd de koppelarij het karakter te geven van den
meisjeshandel; het zijn verzwarende omstandigheden voor het delikt
van al. 1. Doch het omvat veel meer dan den blanke slavinnenhandel;
ook hier zijn de essentiëele elementen van dit strafbare feit niet
aangegeven.
Het artikel is evenwel te beperkt en omvat in zooverre niet iedere daad
van meisjeshandel, als het hier slechts--zooals ik reeds opmerkte--de
bescherming van eerbare vrouwen aangaat en voor de strafbaarheid het
gewoonte-element gevorderd wordt.
In Hongarije heeft de meisjeshandel zulk een grooten omvang bereikt,
dat het wel verbazing moet wekken, dat op zulk een onvolledige wijze
in deze materie voorzien is.
De rapporteur van het 4de onderwerp "Die internationale Bekämpfung
des Mädchenhandels", op 't congres te Budapest in 1899 behandeld,
Dr. Ludwig Gruber, vermeldt eene ministeriëele circulaire, die de
strekking heeft eenige voorschriften te geven met 't oog op deze
kwestie. Jonge vrouwen, die zich naar het Oosten willen begeven,
onder welk voorwendsel het ook zij, kunnen slechts een pas bekomen,
indien zij blijk geven na haar aankomst in haar onderhoud goed te
kunnen voorzien. De plaatselijke overheid wordt gewezen op haar plicht
alle moeite te doen tot opsporing der handelaars. Ouders moeten op
't gevaar gewezen worden. Hij, die deze koppelaars aan de overheid
aanwijst, geniet eene belooning. De koppelaars kunnen gestraft worden
volgens de strafwet of volgens politieverordening. Vreemdelingen
kunnen na 't ondergaan van hun straf uit 't land gezet worden. De
wet betreffende "die Auswanderungs-Agenturen" van 1881 vordert eene
vergunning om als emigratieagent op te treden.
Zoowel de overheid aan de grensplaatsen, als de ondernemers van
stoomschepen voor het Oosten en de consuls aldaar worden steeds op
hun plicht gewezen en voortdurende waakzaamheid wordt haar aanbevolen.
§ 7. HET SKANDINAVISCHE NOORDEN.
Het strafwetboek van Denemarken dagteekent van 10 Febr. 1866. Zoowel
deze omstandigheid, dat het wetboek reeds van zoo'n ouden datum
is, als het feit, dat in de Noordelijke landen, zoowel Denemarken
als Zweden en Noorwegen niet in die mate de blanke slavinnenhandel
gedreven wordt, als in het overige Europa, is wel reden dat wij geen
hooge verwachtingen omtrent de wettelijke maatregelen ter bestrijding
van dit euvel behoeven te koesteren.
Van Swinderen geeft in zijn Esquisse du Droit Pénal Actuel dans
les Pays-Bas et à l'étranger, als geldende strafbepaling tegen de
koppelarij in het Deensche wetboek aan § 182, waarvan de inhoud is:
"Ceux, qui auront fait le métier de proxénète de même que ceux
qui, moyennant paiement auront donné accès dans leurs demeures à
des personnes de sexe différent pour s'y livrer à la débauche, ou
qui malgré la défense de la police, auront logé chez eux des femmes
vivant de la prostitution seront punis des travaux forcés dans une
maison de correction, ou de l'emprisonnement de pain et à l'eau."
Art. 182 treft dus het teweegbrengen van de ontucht van anderen als
causa movens, doch slechts bij een gewoonlijk handelen, verder het
bevorderen daarvan, uit winstbejag in zoover als de anderen reeds het
plan gevormd hebben, doch slechts als eene woning of kamer daarvoor
beschikbaar gesteld wordt. Ten slotte blijkt uit het artikel, dat zij,
die kamers verhuren aan prostituées, daarvoor vergunning moeten bekomen
van de politie. Het artikel treft dus den blanke slavinnenhandelaar
niet.
Het strafwetboek van Zweden geldt sedert 1 Jan. 1865. Art. 11 van
Hoofdstuk 18 "Des attentats aux moeurs" is van dezen inhoud (van
Swinderen, Esquisse etc.; Rapport Tamm, Congres Londen 1899)
"Quiconque aura favorisé la débauche par maquerellage ou aura tenu
une maison de prostitution, sera puni de 6 mois à quatre ans de
travaux forcés. La femme qui se sera livrée à la débauche dans une
telle maison sera condamnée à un emprisonnement...."
"Maquerellage" zal in de gewone taalkundige beteekenis moeten opgevat
worden en niet uitgebreid mogen worden tot het geval, dat de dader
slechts het bestaand voornemen van anderen begunstigt.
De bordeelen zijn verboden; inzooverre is de binnenlandsche handel
juridisch onbestaanbaar, en kunnen juridisch geen vreemde meisjes in
Zweden ingevoerd worden. Van 2 zijden wordt het bestaan van bordeelen
onmogelijk gemaakt, daar behalve de bordeelhouder ook de zich aldaar
prostitueerende vrouw getroffen wordt. [19]
Groote contrôle oefent sedert eene wet van 1884 de overheid uit op
de bureaux de placement. Deze kunnen slechts door een Zweed gehouden
worden.
Met 't oog op het feit dat westelijk Finland als 't ware overstroomd
werd door prostituées, die daarheen gingen uit Stockholm, is den 16
April 1861 een tractaat tot stand gekomen tusschen Zweden en Rusland
om hulpbehoevenden en zwervelingen te repatrieëeren. [20]
Het strafwetboek voor Noorwegen bestaat reeds sedert 20 Aug. 1842,
alhoewel het na dien tijd verschillende veranderingen ondergaan heeft.
Hoofdstuk 18 draagt als titel "De l'impudicité" (v. Swinderen
"Esquisse"). Het artikel, dat onze aandacht vraagt is art. 27. Het
straft hem, die teweegbrengt dat een vrouw of meisje vleeschelijke
gemeenschap heeft met een derde. Eveneens hem, die een bordeel houdt
of zijn huis, geheel of gedeeltelijk voor ontuchtige doeleinden
beschikbaar stelt. Art. 27 straft dus weer alleen koppelarij
door directe bemiddeling. Juridisch is de binnenlandsche- en de
import-handel onbestaanbaar, wegens het verbod van bordeelen. Bij
Koninklijk Besluit van 14 Nov. 1885 werd eene commissie benoemd voor
het ontwerpen van een nieuw strafwetboek voor Noorwegen. Artt. 191-214
uit 't ontwerp bevatten de "Verbrechen wider die Sittlichkeit." Ik
zal enkele artikelen in de Duitsche vertaling citeeren, voorzoover
ze bij mijn onderwerp te pas komen.
Art. 200. Wer jemanden zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern verführt
oder dazu mitwirkt, dass jemand zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern
verführt wird ist mit Gefängnis bis zu einem Jahre zu bestrafen. Die
öffentliche Verfolging tritt nur auf Antrag des Verletzten ein.
Art. 201. Strafverzwaring indien de verleide beneden de 16 jaar oud is.
Art. 202. Wer eine Person dazu verleitet aus der Feilhaltung ihres
Körpers zur Unzucht ein Gewerbe zu machen oder wer zu einer solchen
Verleitung mitwirkt, wird mit Gefängnis bis zu vier Jahren und wenn
die verleitete Person unter 18 Jahren ist oder zu solchem unzüchtigem
Zwecke in das Ausland verbracht wird, mit Gefängnis von einem bis zu
sechs Jahren bestraft.
Art. 204. In de voorgaande gevallen heeft strafverzwaring plaats
wanneer gehandeld wordt uit winstbejag, uit gewoonte, met dwang,
bedreiging of misleiding.
Art. 206. Wer aus Gewinnsucht den unzüchtigen Verkehr andrer befördert
oder wer diesen Verkehr zu gewinnsüchtigem Zwecke ausnutzt, wird
mit Gefängnis bis zu zwei Jahren bestraft ...... Strafverzwaring:
Wenn die Person, deren Unzucht befördert wird unter 18 Jahren ist
oder zu unzüchtigen Zwecken in das Ausland verbracht wird.
Wird das Verbrechen in Ausübung eines Berufes oder Gewerbes begangen,
so kann dem Thäter das Recht aberkannt werden, den Beruf oder das
Gewerbe fortzusetzen.
Laat ik beginnen de artt. 200 en 202 in oogenschouw te nemen. Ons
frappeert allereerst het groote verschil in strafmate; deze is
daaraan toe te schrijven, dat in art. 200 de verleiding geschiedt
tot een enkele daad van ontucht, in art. 202 tot een ontuchtig
leven. Art. 200 straft den meisjeshandelaar niet. Het vordert in
ieder geval toestemming van de persoon tot de handeling, al is ze
door misleiding of beloften verkregen. De meisjeshandel vordert, dat
het meisje integendeel niet weet, dat er ontucht met haar gepleegd
zal worden.
De uitdrukking "verleitet" in art. 202 verhindert mijns inziens
eveneens, dat in het algemeen de meisjeshandel in dit artikel eene
gerechte straf vindt. Hoe bovendien in art. 204 sprake kan zijn dat de
voorgaande strafbare feiten gepleegd worden door dwang of bedreiging
is mij niet duidelijk. 't Ware wel mogelijk, indien in plaats van
verführen en verleiten stond: "er toe gebracht werd" of althans een
werkwoord, dat niet a priori het begrip dwang of bedreiging uitsluit.
Art. 206 straft den bordeelhouder. In zooverre is dus volgens het
ius constituendum van Noorwegen juridisch de meisjeshandel, zoowel
binnenlandsche- als importhandel, onmogelijk, althans in zijn heden
ten dage meest voorkomende gedaante als levering van vrouwen en
meisjes aan bordeelen.
Eene wet van 1896 heeft een toezicht op de zgn. "bureaux de placement"
in het leven geroepen.
In het kort zijn de bepalingen van deze wet de volgende: Vergunning
wordt vereischt; deze kan ingetrokken worden. Borgstelling is
voorgeschreven, evenwel facultatief. Slechts burgers van Noorwegen
kunnen de vergunning bekomen. De overheid kan tarieven vaststellen en
andere nadere voorschriften en reglementen uitvaardigen. De bureaux
of agenten zijn verantwoordelijk voor valsche inlichtingen. Bij
bezorging van een dienst in den vreemde moet een schriftelijk
contract in duplo worden opgemaakt. (Rapport van den Heer Faerden,
Congres Londen 1899). Verder oefent volgens eene wet de overheid
eene speciale contrôle uit op de emigratie naar landen buiten Europa
gelegen. (Rapport Faerden).
§ 8. RUSLAND.
Het positieve strafrecht van het Russische Rijk biedt weinig stof
ter bespreking aan.
De artt. 998, 999 en 1000 van het strafwetboek van 1866 treffen iedere
koppelarij, onafhankelijk van den leeftijd van de beschermde persoon,
alhoewel voor personen beneden den leeftijd van 14 jaar speciale
beschermingsvoorschriften bestaan. Er is evenwel éen restrictie:
de genoemde artikelen treffen alleen het lenocinium, de directe
koppelarij. (Zie rapport Sabouroff, Congres Londen 1899.)
Evenwel valt het feit op te merken, dat de Russische rechter
de daad van den meisjeshandelaar toch tracht te straffen door
haar in de bepaling van art. 1410 te wringen, welk artikel straf
stelt op het verkoopen van Russische onderdanen in slavernij,
(c. f. cass. arr. Senaat, dos. Nordkovitch 1874 no. 395.) (Zie Rapport
Jelatchitch Pénit. Congres Parijs 1895)
Er bestaat evenwel een ontwerp voor een nieuw strafwetboek. De eerste
hoofdstukken van het bijzondere deel, ontworpen door Prof. N. Tagánzeff
te St. Petersburg, zagen omstreeks 1885 het licht. Aan de Duitsche
vertaling van Dr. X. Gretener te Bern ontleen ik art. 70, dat over
de koppelarij handelt. Het luidt aldus: