3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.

't Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek

geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de

handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij

de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering

en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den

waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze

gepleegd worden.

Onverschillig is het voor dit Verbrechen of de vrouw onschuldig,

eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen;

zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van

invloed zijn.

De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet--wil

het delict voltooid zijn--verleid zijn naar den vreemde te gaan; door

de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het

land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor

dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen

haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte

van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het

zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de

ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden "arglistiger" en

"verleiten". Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te

verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts

sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor

dezen deliktsvorm aanwezig zijn.

Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de

vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is

vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het

behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht

is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de

prostitutie en is 't dus onverschillig of de ontucht in een bordeel

of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de

ontucht "gewerbsmässig" bedreven zou zijn.

Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn. "Mittelst

arglistiger Verschweigung dieses Zweckes", zegt de tekst. Dus een

zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel

nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het

voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen

om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze

handelingen zullen eventueel misleidende, bedriegende zijn.

Meende de dader,--hoewel ten onrechte--dat het de eigen wil der

vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren,

dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet, de

"arglistige Verschweigung" ontbreekt.

Het 2de lid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het

delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare

feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.

Dit 2de lid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch

als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste

lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist

worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij

toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de

plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet

gezegd worden dat hij haar "zur Auswanderung verleitet."

Bestanddeelen van het delict van art. 48 2de lid zijn:

1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig

verzwegen is.

De 'handel in blanke slavinnen'. · 第 29 / 63 题