HOOFDSTUK XVIII.

„HOUD MOED! MENSCHZIEL!”

Nu waren er nog een stuk of drie personen, die uit het land der

Twijfelaars afkomstig waren, en na den nederlaag hier en daar

rondgedoold hebbende, het eindelijk weer waagden de stad binnen te

komen. Zij wisten, dat er nog oude Diábolus-mannen in Menschziel

verborgen zaten. Ze durfden nergens anders aankloppen dan bij deze,

daar de burgers hen niet geduld zouden hebben. Weldra ontmoetten zij in

een achterhoek zekeren ouden schelm, die den naam droeg

Twijfelaar-aan-het-kwaad. Bij hem moesten ze wezen, want hij was een

echte Diábolus-man.[65] Deze schurk verwelkomde hen, beklaagde hun

rampspoed en gaf hun ververschingen. Nadat dit geschied was vraagde hij

hun, of zij allen uit éene stad waren, en zij antwoordden: „Neen, zelfs

niet uit dezelfde provincie.” „Ik,” zeide de een, „ben nog een

overgeblevene van de Twijfelaars aan de Verkiezing en deze mijn maat

behoort onder de Twijfelaars aan de Roeping.” -- „En ik,” zeide de

derde, „ben een Twijfelaar aan de Zaligheid, terwijl wij nog een gezel

hebben uit de Twijfelaars aan de Genade.” Zij waren allen den ouden gast

even welkom en hij ondervroeg hen verder naar het leger en den strijd,

waarvan zij hem volledig bescheid gaven. „’t Was toch een flink leger

van tienduizend Twijfelaars”, zeide de oude weer, „hoe kwam het dat gij

zoo dra op de vlucht gingt?” -- „Onze generaal,” antwoordden zij, „was

de eerste, die het op een loopen zette.” -- „Die lafaard! Wie was hij?”

-- „Wel, hij is vroeger Burgemeester van Menschziel geweest. Maar noem

geen lafaard; want niemand heeft ooit Menschziel meer kwaad gedaan dan

hij. Hij heet Ongeloof. Hadden ze hem gekregen dan zou hij stellig

opgehangen zijn!” -- „Ik zou wel willen,” antwoordde de oude schurk

weder, „dat deze 10000 Twijfelaars hier binnen de stad lagen en dat ik

hun aanvoerder ware!” -- „O, mocht dat eens waar zijn!” riepen zij, en

wel zóo luid, dat Twijfelaar-aan-het-kwaad hen vermaande toch zachtjes

te spreken. -- „Waarom?” vraagden de Twijfelaars van buiten. „Wel, omdat

de Prins zelf, de Oppergeheimschrijver en al hunne kapiteins en soldaten

zich tegenwoordig binnen de stad ophouden. En bovendien is er een zekere

heer Vastewil, een gezworen vijand van ons; deze is bewaarder der

poorten, en zoekt allerlei slag van Diábolus-vrienden op om ze te

dooden. Als hij u in den neus krijgt dan zijt gij weg al was ook uw

hoofd van goud.”

[65] ~Het complot wordt ontdekt~. Die oude Twijfelaar aan het kwade

huisvest toch nog verborgen in de ziel en houdt bij zich in huis de

vreemde Twijfelaars op on onthaalt hen. De twijfel in den vorm van

ketterij komt nu nog voor den dag. ’t Is een overblijfsel van ’s

vijands leger, maar ’t schijnt onschuldiger. Er is zelfs eene gedaante

der godzaligheid, een omloop of bedekking van waarheden, maar een kern

van leugen, die door Gods Woord openbaar wordt gemaakt en naar eisch

bestraft.

[Afbeelding: DE SAMENZWEERDERS GEVANGEN GENOMEN.]

Maar ziet, terwijl zij spraken stond een getrouw soldaat van den heer

Vastewil, die Naarstigheid heette, al luisterend onder den luifel van

dit oude huis en hoorde alles wat er verhandeld werd. Die soldaat was

een man, op wien de heer Vastewil staat maken kon en die hem innig

liefhad. Hij ging onmiddellijk naar zijn overste, en vertelde hem alles.

De heer Vastewil kende Twijfelaar-aan-het-kwade best; in den tijd van

den afval waren ze goede vrienden, maar nu wist hij hem niet te wonen;

daarom was hij zeer verheugd, dat Naarstigheid zijne woonplaats had

ontdekt. Zoo gingen zij beiden dan naar de aangewezen plaats en toen

vernam de heer Vastewil met eigen ooren wat er verhandeld werd. Hij

aarzelde nu niet langer, maar trapte de deur open en legde de hand op

het gespuis, waarna Getrouwe, de cipier, geroepen werd om hen naar de

gevangenis te brengen. Nadat dit geschied was kreeg de Burgemeester er

’s morgens bericht van en hij verheugde zich zeer over deze zaak, niet

alleen omdat dit drietal was gevat, maar ook omdat die oude schavuit nu

in den kerker zat, want hij was een groote onruststoker in Menschziel

geweest en voor den Burgemeester persoonlijk een groote kwelling.

Nu moesten die vijf lieden ook onderzocht worden, en op den bestemden

dag vergaderde het hof en werden zij voor de balie gebracht. De heer

Vastewil had macht genoeg om hen zonder vorm van proces stillekens van

kant te helpen; maar het dacht hem meer tot eer van den Prins te wezen,

tot troost van Menschziel en tot ontmoediging van den vijand, wanneer

hij hen in het openbaar richtte. Toen de rechters dan gezeten en de

getuigen bezworen waren, werden de gevangenen onderzocht. De rechters

waren dezelfde, die Onwaarheid en Onbarmhartig met al de hunnen

onderzocht en gevonnisd hadden.

[Afbeelding: NAARSTIGHEID STAAT OP DE WACHT.]

Eerst was de beurt aan den Ouden Twijfelaar-aan-het-kwaad; hij had de

andere Twijfelaars geherbergd en verzorgd; men beval hem zijne

beschuldiging te hooren, terwijl hij de vrijheid kreeg zich ook te

verantwoorden. Zijne beschuldiging luidde:

„Gij, Twijfelaar-aan-het-kwaad, wordt beschuldigd een inkruiper in

Menschziel te wezen, dewijl gij van nature een Diábolus-man zijt, iemand

die medegewerkt hebt tot het verderf der stad. Gij wordt hier ook

beschuldigd, dat gij ’s konings vijanden hebt begunstigd en opgehouden,

ja ze in uw huis hebt geherbergd en vriendelijk verzorgd, hun eten en

drinken verleenende, in strijd met onze goede wetten. Gij hebt gewenscht

aan het hoofd van een leger Twijfelaars te staan binnen de stad

Menschziel om Diábolus macht hier weder groot te maken en de stad in

zijne handen te spelen. Wat is uw antwoord?”

„Mijnheer,” zeide hij, „ik begrijp de beteekenis van deze

beschuldiging niet. Want de man, die door u beschuldigd wordt, heet

Twijfelaar-aan-het-kwaad; ik heet daarentegen Nauwkeurig-Onderzoek. Er

moet dus een groot misverstand wezen, daar ik, vredelievend mensch, die

bang ben van iemand kwaad te denken, hier voor de rechters ben geroepen.

Ik vertrouw, dat de heeren dat onderscheid zullen inzien; ik geloof

toch, dat men wel ter dege nauwkeurig onderzoek mag instellen zelfs

onder de slechtste menschen zonder daarom strafschuldig te zijn.”

Toen sprak de heer Vastewil, want hij was een der getuigen: „Mijne

Heeren, Eerwaardige rechters, Magistraten van de stad Menschziel! gij

hebt allen gehoord met uwe ooren, dat deze gevangene zijn naam ontkent

en daarmede zijne beschuldiging meent te ontloopen; maar ik weet wie hij

is en hoe hij heet. Ik heb hem meer dan dertig jaar gekend; want hij en

ik waren tot mijne schaamte vroeger gemeenzame vrienden, toen Diábolus

heerschappij voerde over onze stad.

Ik getuig, dat hij een Diábolus-man is van natuur, een groote vijand van

onzen Prins Immanuel en de stad Menschziel. Hij heeft in den tijd van

den opstand zeker twintig nachten in mijn huis gelogeerd. Ik heb hem nu

in langen tijd niet gezien en geloof ook, dat hij bij de komst van

Immanuel zijne vroegere woning heeft verlaten. Maar hij is de man en

niemand anders!”

Het hof sprak toen tot den gevangene: „Hebt gij niets meer te zeggen?”

-- „Ja, Mijneheeren,” zei hij, „want al wat daar tegen mij is ingebracht

komt slechts uit éen mond; het is niet wettig iemand ter dood te brengen

op eene getuigenis van minder dan twee.”

Toen stond Naarstigheid op en zeide: „Mijneheeren, toen ik op zekeren

nacht op wacht stond hoorde ik om den hoek der Kwade straat in het huis

van dezen grijsaard praten; ook bemerkte ik dat daar buitenlanders bij

waren, die niet veel goeds in den zin hadden.” Ik dacht: wat hoor ik

daar toch? en zachtjes nadertredende, dicht bij het venster van zijn

huis om goed te luisteren of ik het niet wèl had, dat daar eene

samenrotting plaats had van Diábolus-mannen. Ik hoorde nu eene

uitlandsche taal, maar daar ik veel gereisd heb, verstond ik die wel.

Zulk eene taal hoorende in zulk een armoedig kot als waar deze mensch

woont, zoo legde ik mijn oor aan een kier van het luik en vernam toen

het volgende. Deze oude heer Twijfelaar-aan-het-kwaad vraagde aan de

andere Twijfelaars wat zij voor volk waren, waar zij vandaan kwamen en

wat zij hier deden? En zij antwoordden op al die vragen. Hij vraagde

mede hoe sterk zij geweest waren, en zij zeiden: tienduizend man. Hij

vraagde hun ook waarom zij geene meerdere mannelijke aanvallen op

Menschziel beproefd hadden? Zij zeiden, omdat hun kapitein zoo

bloohartig was, dewijl hij op de vlucht was gegaan in plaats van voor

zijn vorst te strijden. Toen wenschte die oude schelm daar, (ik heb het

nauwkeurig gehoord) dat al die tienduizend Twijfelaars in de stad

mochten wezen, en dat hij aan hun hoofd mocht zijn gesteld om met hen

overwinningen te behalen. Hij gebood hun ook zeer stil te spreken en

zich zeer verborgen te houden; want zeide hij, „als ze u vinden en

krijgen, dan moet gij er aan als was ook uw hoofd van enkel goud.”

Hierop zeide het hof: „Wel Twijfelaar-aan-het-kwaad, hier is nu de

tweede getuige tegen u en zijne getuigenis is volkomen in orde. Hij

zweert, dat die mannen bij u waren, dat gij ze vriendelijk ontvingt en

met hen beraadslaagdet in stilte opdat het niet gehoord werd.”

Hij antwoordde: „Dat die mannen in mijn huis kwamen is waar; maar is het

dan eene misdaad vreemdelingen te herbergen? Wat dien wensch aangaat,

dat een leger Twijfelaars in de stad mocht komen daarvan is niets tegen

getuige gezegd. Wel wenschte ik dat volk daar, om gevat te worden ten

goede van Menschziel, en den raad, dien ik hun gaf, komt alleen omdat ik

zoo ongaarne zie dat menschen gestraft worden; ik gun niemand iets

kwaads, zelfs niet aan de vijanden.”

Maar de Burgemeester antwoordde, dat het wel eene deugd was

vreemdelingen te herbergen, maar geen vijanden van den koning, dat was

verraad; maar dat het in ieder geval voldoende is een Diábolus-man te

wezen om des doods schuldig te zijn.

„Ik zie wel,” sprak hij, „hoe deze zaak zal afloopen; ik moet sterven

wegens mijn naam en mijne herbergzaamheid!”

Toen werden de buitenlandsche Twijfelaars voor het gerecht geroepen.

Eerst kwam Twijfelaar aan de Verkiezing voor. Zijne beschuldiging werd

gelezen, en daar hij een buitenlander was, bracht een tolk die in zijne

taal over; te weten, dat hij een vijand van Immanuel was, een hater van

de stad Menschziel en hare wetten.[66]

[66] ~Twijfelaar aan verkiezing~, ~Roeping~ enz. Bunyan heeft hier het

oog op Rom. 8 : 29. De trap, die hier voorgesteld wordt en door de

ziel langzamerhand verstaan, geeft de daden Gods aan beginnende bij de

eeuwigheid, de verkiezing of voorverordineering, en eindigend evenzeer

in de eeuwigheid -- de verheerlijking! Men lette evenwel op het

onderscheid, tusschen aan eene zaak te twijfelen, omdat zij ons nog

niet recht duidelijk is, en haar geheel te betwijfelen.

De rechter vraagde hem of hij wilde pleiten: maar hij antwoordde, dat

hij bekende een Twijfelaar aan de Verkiezing te zijn. Dat was zijn

godsdienst, waarin hij opgebracht was, en moest hij nu om zijn

godsdienst sterven, zoo stierf hij als martelaar.

Daarop werd hem gezegd, dat het in twijfel trekken der Verkiezing gelijk

stond met het loochenen van een groot en voornaam leerstuk van het

Evangelie. Het was een verwerpen van de alwetendheid, macht en

souvereiniteit van God, die met zijne schepselen handelde naar zijn

welbehagen. Daardoor zou men de stad Menschziel doen struikelen in haar

geloof en maken, dat zij hare zaligheid zocht in de werken en niet in de

genade. Daarom moest hij naar de landswet sterven.

[Afbeelding: DWAASHEID OPGEHANGEN.]

Toen kwam Twijfelaar aan de Roeping en werd verhoord. Zijne

beschuldiging kwam in hoofdzaak met de vorige overeen, behalve dat hij

ook de Roeping van Menschziel loochende.

De rechter gaf ook hem gelegenheid zich te verdedigen. Hij antwoordde,

dat hij nooit kon gelooven, dat er zulk eene bijzondere en krachtige

roeping bestond als Menschziel vermeende, maar alleen een algemeene

roeping, eene roepstem van het woord, en dat God op geene andere wijze

aan de ziel werkte dan door vermaning tot het vermijden van het kwaad en

betrachten van het goed met eenige daarbij gevoegde beloften.

Daarop liet zich de rechter aldus hooren: „Gij zijt een Diábolus-man en

hebt een groot deel van de beproefdste waarheden van Prins Immanuel

ontkend; want hij heeft Menschziel geroepen en zij heeft eene zeer

bepaalde en krachtige stem van haren Vorst gehoord, door welke zij

levend geworden is en met hemelsche genade vervuld; toen is zij begeerig

geworden met haren Vorst gemeenschap te oefenen, hem te dienen, zijn wil

te doen en al hare zaligheid te verwachten van zijn welbehagen. Omdat

gij nu deze goede leer verworpen hebt zult gij den dood sterven.”

Daarop kwam de Twijfelaar aan de Genade en hoorde zijne beschuldiging

aan, waarop hij antwoordde, dat ofschoon hij al geleefd had in het land

der Twijfelaars zijn vader een farizeër was, die in zuivere vormen

leefde, en temidden zijner buren geacht was, en dat deze hem onderwees

en leerde gelooven, dat Menschziel nooit door vrije genade zalig zou

worden.

De rechter antwoordde: „De wet is in dezen zeer duidelijk, want die zegt

ten eerste: ~niet uit de werken~, ontkennenderwijs en daarna: ~uit

genade zijt gij zalig geworden~. Uw Godsdienst is naar het vleesch en

zijne werken, en de werken des vleesches behooren ten onder te worden

gebracht. Bovendien berooft gij God van zijne eere en geeft dien aan een

zondig menschenkind. Gij verklaart, dat Christus werk niet noodzakelijk,

genoegzaam en voldoende was. Gij versmaadt het werk des Heiligen Geestes

en steunt op den vleeschelijken wil. Gij zijt een Diábolus-man; de zoon

van een Diábolus-man en daarom moet gij sterven.” [Rom. 3. Efez. 2.]

Toen het hof zoover genaderd was gingen de rechters met elkander

raadplegen en keurden hen allen des doods schuldig. De Griffier

opstaande zeide tot de gevangenen: „Gij, die hier voor den rechterstoel

staat, zijt allen wettig onderzocht en schuldig bevonden aan hoog

verraad tegen Immanuel onzen Vorst en Menschziel gesmeed. Uw vonnis is

eenerlei; gij moet sterven.”

En onmiddellijk werd tot de uitvoering van dit vonnis overgegaan. Allen

werden gekruisigd op de plaats, waar Diábolus zijn laatste leger

samentrok; alleen de Twijfelaar-aan-het-Kwaad werd aan zijne eigen deur,

op den hoek der Kwade straat opgehangen.

Zoo was Menschziel van deze hare vijanden verlost: maar nu werd

nog een strikt bevel gegeven dat de heer Vastewil met zijn dienaar

Naarstigheid nog voortvaren zouden, het overschot van het complot

op te sporen. Hunne namen waren Slecht, Goed-Verwerper, Slaafsche

vrees, Zonder-Liefde, Wantrouwen, Vleesch en Onwillig. Ook de kinderen

van Twijfelaar-aan-het-kwaad moesten worden gevat en zijne woning

afgebroken. De kinderen heetten Twijfel, Wettisch, Ongeloof,

Verkeerde-Gedachten-van-Christus, Belofte-besnoeier, Gevoelsleven en

Eigenliefde. Hunne moeder was vrouw Zonder-hoop, eene nicht van den

ouden Ongeloof en eene dochter van baas Duister.

De heer Vastewil voerde dit bevel uit. Hij ving Slecht bij den weg, en

hing hem op tegenover den Molsgang. Deze Slecht had kapitein Geloof in

Diábolus handen overgegeven. Ook Goedverwerper werd op de markt gevat en

gevonnisd. Binnen de stad leefde nu nog een arme vrome man, die

Overdenking heette. Hij had in de dagen van den afval weinig attentie

getrokken, maar nu was hij in achting. Hem werd nu al het bezit van

Goedverwerper overgegeven, zoodat hij rijk werd en met zijne vrouw

Vroom, des Griffiers dochter en zijn zoon Weldenkend in vreugde leefde.

Nu werd nog Belofte-besnoeier gevat, een groot booswicht, die heel wat

van ’s konings geld besnoeid had. Hij werd veroordeeld om te pronk te

staan en door alle inwoners van Menschziel gegeseld te worden. Daarna

moest hij hangen. Die straf was wel gestreng maar niet onverdiend; want

alle eerlijke handelaars weten welk kwaad de geldsnoeiers uitvoeren.

[Afbeelding: HUISZOEKING NAAR VLEESCHELIJK GEVOELEN.]

Men ving ook Vleeschelijk gezind en zette hem vast, maar hij brak los en

ontkwam. Die leelijkert hield zich daarna schuil binnen de stad, en

spookte des nachts rond als de lieden sliepen. Daarom werd er eene

kennisgeving uitgevaardigd, dat al wie hem in Menschziel vond, hem

vangen en dooden moest, en tot loon zou hij aan ’s konings tafel eten en

bewaarder der schatten worden. Maar hoevelen er ook op uitgingen, ze

konden hem maar niet te pakken krijgen.

Ook Verkeerde Gedachten werd gegrepen; maar deze had reeds de tering en

stierf daaraan. Eigenliefde onderging hetzelfde lot; velen in Menschziel

waren met hem vermaagschapt en wilden hem dus sparen; maar de heer

Zelfverloochening zeide: „Indien zulke booswichten binnen Menschziel

geduld worden, dan leg ik mijn post neer!” Hij ontrukte hem dus aan het

volk en sloeg hem de hersens in. De dappere daad van den kapitein hoorde

de Prins en deze verhief hem tot den adelstand. Ook de heer Vastewil

ontving lof voor zijn ijver.

Nu grepen die twee een bijzonderen moed en vielen samen op Gevoelsleven

en Wettisch aan, hen inkerkerend tot ze stierven. Maar Ongeloof was zulk

een looze vos, dat ze hem niet machtig konden worden wat zij ook deden.

Hij en enkele anderen bleven daarom nog over totdat Immanuel zelf hen

zou verdelgen. Toch bleven zij in kuilen en spelonken, en werden ze soms

gezien, dan zette de gansche stad hen na. Ja, zelfs wierpen de kinderen

hen met steenen. Nu geraakte Menschziel in een staat van vrede en rust;

haar vorst bleef bij haar, de kapiteins ondersteunden haar, de soldaten

deden hun plicht en zij zelve dreef veel koophandel met een vergelegen

land. [Jes. 33 : 17.] [Phil. 3 : 20.]

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 50 / 56 题