„HOUD MOED! MENSCHZIEL!”
Nu waren er nog een stuk of drie personen, die uit het land der
Twijfelaars afkomstig waren, en na den nederlaag hier en daar
rondgedoold hebbende, het eindelijk weer waagden de stad binnen te
komen. Zij wisten, dat er nog oude Diábolus-mannen in Menschziel
verborgen zaten. Ze durfden nergens anders aankloppen dan bij deze,
daar de burgers hen niet geduld zouden hebben. Weldra ontmoetten zij in
een achterhoek zekeren ouden schelm, die den naam droeg
Twijfelaar-aan-het-kwaad. Bij hem moesten ze wezen, want hij was een
echte Diábolus-man.[65] Deze schurk verwelkomde hen, beklaagde hun
rampspoed en gaf hun ververschingen. Nadat dit geschied was vraagde hij
hun, of zij allen uit éene stad waren, en zij antwoordden: „Neen, zelfs
niet uit dezelfde provincie.” „Ik,” zeide de een, „ben nog een
overgeblevene van de Twijfelaars aan de Verkiezing en deze mijn maat
behoort onder de Twijfelaars aan de Roeping.” -- „En ik,” zeide de
derde, „ben een Twijfelaar aan de Zaligheid, terwijl wij nog een gezel
hebben uit de Twijfelaars aan de Genade.” Zij waren allen den ouden gast
even welkom en hij ondervroeg hen verder naar het leger en den strijd,
waarvan zij hem volledig bescheid gaven. „’t Was toch een flink leger
van tienduizend Twijfelaars”, zeide de oude weer, „hoe kwam het dat gij
zoo dra op de vlucht gingt?” -- „Onze generaal,” antwoordden zij, „was
de eerste, die het op een loopen zette.” -- „Die lafaard! Wie was hij?”
-- „Wel, hij is vroeger Burgemeester van Menschziel geweest. Maar noem
geen lafaard; want niemand heeft ooit Menschziel meer kwaad gedaan dan
hij. Hij heet Ongeloof. Hadden ze hem gekregen dan zou hij stellig
opgehangen zijn!” -- „Ik zou wel willen,” antwoordde de oude schurk
weder, „dat deze 10000 Twijfelaars hier binnen de stad lagen en dat ik
hun aanvoerder ware!” -- „O, mocht dat eens waar zijn!” riepen zij, en
wel zóo luid, dat Twijfelaar-aan-het-kwaad hen vermaande toch zachtjes
te spreken. -- „Waarom?” vraagden de Twijfelaars van buiten. „Wel, omdat
de Prins zelf, de Oppergeheimschrijver en al hunne kapiteins en soldaten
zich tegenwoordig binnen de stad ophouden. En bovendien is er een zekere
heer Vastewil, een gezworen vijand van ons; deze is bewaarder der
poorten, en zoekt allerlei slag van Diábolus-vrienden op om ze te
dooden. Als hij u in den neus krijgt dan zijt gij weg al was ook uw
hoofd van goud.”
[65] ~Het complot wordt ontdekt~. Die oude Twijfelaar aan het kwade
huisvest toch nog verborgen in de ziel en houdt bij zich in huis de
vreemde Twijfelaars op on onthaalt hen. De twijfel in den vorm van
ketterij komt nu nog voor den dag. ’t Is een overblijfsel van ’s
vijands leger, maar ’t schijnt onschuldiger. Er is zelfs eene gedaante
der godzaligheid, een omloop of bedekking van waarheden, maar een kern
van leugen, die door Gods Woord openbaar wordt gemaakt en naar eisch
bestraft.
[Afbeelding: DE SAMENZWEERDERS GEVANGEN GENOMEN.]
Maar ziet, terwijl zij spraken stond een getrouw soldaat van den heer
Vastewil, die Naarstigheid heette, al luisterend onder den luifel van
dit oude huis en hoorde alles wat er verhandeld werd. Die soldaat was
een man, op wien de heer Vastewil staat maken kon en die hem innig
liefhad. Hij ging onmiddellijk naar zijn overste, en vertelde hem alles.
De heer Vastewil kende Twijfelaar-aan-het-kwade best; in den tijd van
den afval waren ze goede vrienden, maar nu wist hij hem niet te wonen;
daarom was hij zeer verheugd, dat Naarstigheid zijne woonplaats had
ontdekt. Zoo gingen zij beiden dan naar de aangewezen plaats en toen
vernam de heer Vastewil met eigen ooren wat er verhandeld werd. Hij
aarzelde nu niet langer, maar trapte de deur open en legde de hand op
het gespuis, waarna Getrouwe, de cipier, geroepen werd om hen naar de
gevangenis te brengen. Nadat dit geschied was kreeg de Burgemeester er
’s morgens bericht van en hij verheugde zich zeer over deze zaak, niet
alleen omdat dit drietal was gevat, maar ook omdat die oude schavuit nu
in den kerker zat, want hij was een groote onruststoker in Menschziel
geweest en voor den Burgemeester persoonlijk een groote kwelling.
Nu moesten die vijf lieden ook onderzocht worden, en op den bestemden
dag vergaderde het hof en werden zij voor de balie gebracht. De heer
Vastewil had macht genoeg om hen zonder vorm van proces stillekens van
kant te helpen; maar het dacht hem meer tot eer van den Prins te wezen,
tot troost van Menschziel en tot ontmoediging van den vijand, wanneer
hij hen in het openbaar richtte. Toen de rechters dan gezeten en de
getuigen bezworen waren, werden de gevangenen onderzocht. De rechters
waren dezelfde, die Onwaarheid en Onbarmhartig met al de hunnen
onderzocht en gevonnisd hadden.
[Afbeelding: NAARSTIGHEID STAAT OP DE WACHT.]
Eerst was de beurt aan den Ouden Twijfelaar-aan-het-kwaad; hij had de
andere Twijfelaars geherbergd en verzorgd; men beval hem zijne
beschuldiging te hooren, terwijl hij de vrijheid kreeg zich ook te
verantwoorden. Zijne beschuldiging luidde:
„Gij, Twijfelaar-aan-het-kwaad, wordt beschuldigd een inkruiper in
Menschziel te wezen, dewijl gij van nature een Diábolus-man zijt, iemand
die medegewerkt hebt tot het verderf der stad. Gij wordt hier ook
beschuldigd, dat gij ’s konings vijanden hebt begunstigd en opgehouden,
ja ze in uw huis hebt geherbergd en vriendelijk verzorgd, hun eten en
drinken verleenende, in strijd met onze goede wetten. Gij hebt gewenscht
aan het hoofd van een leger Twijfelaars te staan binnen de stad
Menschziel om Diábolus macht hier weder groot te maken en de stad in
zijne handen te spelen. Wat is uw antwoord?”
„Mijnheer,” zeide hij, „ik begrijp de beteekenis van deze
beschuldiging niet. Want de man, die door u beschuldigd wordt, heet
Twijfelaar-aan-het-kwaad; ik heet daarentegen Nauwkeurig-Onderzoek. Er
moet dus een groot misverstand wezen, daar ik, vredelievend mensch, die
bang ben van iemand kwaad te denken, hier voor de rechters ben geroepen.
Ik vertrouw, dat de heeren dat onderscheid zullen inzien; ik geloof
toch, dat men wel ter dege nauwkeurig onderzoek mag instellen zelfs
onder de slechtste menschen zonder daarom strafschuldig te zijn.”
Toen sprak de heer Vastewil, want hij was een der getuigen: „Mijne
Heeren, Eerwaardige rechters, Magistraten van de stad Menschziel! gij
hebt allen gehoord met uwe ooren, dat deze gevangene zijn naam ontkent
en daarmede zijne beschuldiging meent te ontloopen; maar ik weet wie hij
is en hoe hij heet. Ik heb hem meer dan dertig jaar gekend; want hij en
ik waren tot mijne schaamte vroeger gemeenzame vrienden, toen Diábolus
heerschappij voerde over onze stad.
Ik getuig, dat hij een Diábolus-man is van natuur, een groote vijand van
onzen Prins Immanuel en de stad Menschziel. Hij heeft in den tijd van
den opstand zeker twintig nachten in mijn huis gelogeerd. Ik heb hem nu
in langen tijd niet gezien en geloof ook, dat hij bij de komst van
Immanuel zijne vroegere woning heeft verlaten. Maar hij is de man en
niemand anders!”
Het hof sprak toen tot den gevangene: „Hebt gij niets meer te zeggen?”
-- „Ja, Mijneheeren,” zei hij, „want al wat daar tegen mij is ingebracht
komt slechts uit éen mond; het is niet wettig iemand ter dood te brengen
op eene getuigenis van minder dan twee.”
Toen stond Naarstigheid op en zeide: „Mijneheeren, toen ik op zekeren
nacht op wacht stond hoorde ik om den hoek der Kwade straat in het huis
van dezen grijsaard praten; ook bemerkte ik dat daar buitenlanders bij
waren, die niet veel goeds in den zin hadden.” Ik dacht: wat hoor ik
daar toch? en zachtjes nadertredende, dicht bij het venster van zijn
huis om goed te luisteren of ik het niet wèl had, dat daar eene
samenrotting plaats had van Diábolus-mannen. Ik hoorde nu eene
uitlandsche taal, maar daar ik veel gereisd heb, verstond ik die wel.
Zulk eene taal hoorende in zulk een armoedig kot als waar deze mensch
woont, zoo legde ik mijn oor aan een kier van het luik en vernam toen
het volgende. Deze oude heer Twijfelaar-aan-het-kwaad vraagde aan de
andere Twijfelaars wat zij voor volk waren, waar zij vandaan kwamen en
wat zij hier deden? En zij antwoordden op al die vragen. Hij vraagde
mede hoe sterk zij geweest waren, en zij zeiden: tienduizend man. Hij
vraagde hun ook waarom zij geene meerdere mannelijke aanvallen op
Menschziel beproefd hadden? Zij zeiden, omdat hun kapitein zoo
bloohartig was, dewijl hij op de vlucht was gegaan in plaats van voor
zijn vorst te strijden. Toen wenschte die oude schelm daar, (ik heb het
nauwkeurig gehoord) dat al die tienduizend Twijfelaars in de stad
mochten wezen, en dat hij aan hun hoofd mocht zijn gesteld om met hen
overwinningen te behalen. Hij gebood hun ook zeer stil te spreken en
zich zeer verborgen te houden; want zeide hij, „als ze u vinden en
krijgen, dan moet gij er aan als was ook uw hoofd van enkel goud.”
Hierop zeide het hof: „Wel Twijfelaar-aan-het-kwaad, hier is nu de
tweede getuige tegen u en zijne getuigenis is volkomen in orde. Hij
zweert, dat die mannen bij u waren, dat gij ze vriendelijk ontvingt en
met hen beraadslaagdet in stilte opdat het niet gehoord werd.”
Hij antwoordde: „Dat die mannen in mijn huis kwamen is waar; maar is het
dan eene misdaad vreemdelingen te herbergen? Wat dien wensch aangaat,
dat een leger Twijfelaars in de stad mocht komen daarvan is niets tegen
getuige gezegd. Wel wenschte ik dat volk daar, om gevat te worden ten
goede van Menschziel, en den raad, dien ik hun gaf, komt alleen omdat ik
zoo ongaarne zie dat menschen gestraft worden; ik gun niemand iets
kwaads, zelfs niet aan de vijanden.”
Maar de Burgemeester antwoordde, dat het wel eene deugd was
vreemdelingen te herbergen, maar geen vijanden van den koning, dat was
verraad; maar dat het in ieder geval voldoende is een Diábolus-man te
wezen om des doods schuldig te zijn.
„Ik zie wel,” sprak hij, „hoe deze zaak zal afloopen; ik moet sterven
wegens mijn naam en mijne herbergzaamheid!”
Toen werden de buitenlandsche Twijfelaars voor het gerecht geroepen.
Eerst kwam Twijfelaar aan de Verkiezing voor. Zijne beschuldiging werd
gelezen, en daar hij een buitenlander was, bracht een tolk die in zijne
taal over; te weten, dat hij een vijand van Immanuel was, een hater van
de stad Menschziel en hare wetten.[66]
[66] ~Twijfelaar aan verkiezing~, ~Roeping~ enz. Bunyan heeft hier het
oog op Rom. 8 : 29. De trap, die hier voorgesteld wordt en door de
ziel langzamerhand verstaan, geeft de daden Gods aan beginnende bij de
eeuwigheid, de verkiezing of voorverordineering, en eindigend evenzeer
in de eeuwigheid -- de verheerlijking! Men lette evenwel op het
onderscheid, tusschen aan eene zaak te twijfelen, omdat zij ons nog
niet recht duidelijk is, en haar geheel te betwijfelen.
De rechter vraagde hem of hij wilde pleiten: maar hij antwoordde, dat
hij bekende een Twijfelaar aan de Verkiezing te zijn. Dat was zijn
godsdienst, waarin hij opgebracht was, en moest hij nu om zijn
godsdienst sterven, zoo stierf hij als martelaar.
Daarop werd hem gezegd, dat het in twijfel trekken der Verkiezing gelijk
stond met het loochenen van een groot en voornaam leerstuk van het
Evangelie. Het was een verwerpen van de alwetendheid, macht en
souvereiniteit van God, die met zijne schepselen handelde naar zijn
welbehagen. Daardoor zou men de stad Menschziel doen struikelen in haar
geloof en maken, dat zij hare zaligheid zocht in de werken en niet in de
genade. Daarom moest hij naar de landswet sterven.
[Afbeelding: DWAASHEID OPGEHANGEN.]
Toen kwam Twijfelaar aan de Roeping en werd verhoord. Zijne
beschuldiging kwam in hoofdzaak met de vorige overeen, behalve dat hij
ook de Roeping van Menschziel loochende.
De rechter gaf ook hem gelegenheid zich te verdedigen. Hij antwoordde,
dat hij nooit kon gelooven, dat er zulk eene bijzondere en krachtige
roeping bestond als Menschziel vermeende, maar alleen een algemeene
roeping, eene roepstem van het woord, en dat God op geene andere wijze
aan de ziel werkte dan door vermaning tot het vermijden van het kwaad en
betrachten van het goed met eenige daarbij gevoegde beloften.
Daarop liet zich de rechter aldus hooren: „Gij zijt een Diábolus-man en
hebt een groot deel van de beproefdste waarheden van Prins Immanuel
ontkend; want hij heeft Menschziel geroepen en zij heeft eene zeer
bepaalde en krachtige stem van haren Vorst gehoord, door welke zij
levend geworden is en met hemelsche genade vervuld; toen is zij begeerig
geworden met haren Vorst gemeenschap te oefenen, hem te dienen, zijn wil
te doen en al hare zaligheid te verwachten van zijn welbehagen. Omdat
gij nu deze goede leer verworpen hebt zult gij den dood sterven.”
Daarop kwam de Twijfelaar aan de Genade en hoorde zijne beschuldiging
aan, waarop hij antwoordde, dat ofschoon hij al geleefd had in het land
der Twijfelaars zijn vader een farizeër was, die in zuivere vormen
leefde, en temidden zijner buren geacht was, en dat deze hem onderwees
en leerde gelooven, dat Menschziel nooit door vrije genade zalig zou
worden.
De rechter antwoordde: „De wet is in dezen zeer duidelijk, want die zegt
ten eerste: ~niet uit de werken~, ontkennenderwijs en daarna: ~uit
genade zijt gij zalig geworden~. Uw Godsdienst is naar het vleesch en
zijne werken, en de werken des vleesches behooren ten onder te worden
gebracht. Bovendien berooft gij God van zijne eere en geeft dien aan een
zondig menschenkind. Gij verklaart, dat Christus werk niet noodzakelijk,
genoegzaam en voldoende was. Gij versmaadt het werk des Heiligen Geestes
en steunt op den vleeschelijken wil. Gij zijt een Diábolus-man; de zoon
van een Diábolus-man en daarom moet gij sterven.” [Rom. 3. Efez. 2.]
Toen het hof zoover genaderd was gingen de rechters met elkander
raadplegen en keurden hen allen des doods schuldig. De Griffier
opstaande zeide tot de gevangenen: „Gij, die hier voor den rechterstoel
staat, zijt allen wettig onderzocht en schuldig bevonden aan hoog
verraad tegen Immanuel onzen Vorst en Menschziel gesmeed. Uw vonnis is
eenerlei; gij moet sterven.”
En onmiddellijk werd tot de uitvoering van dit vonnis overgegaan. Allen
werden gekruisigd op de plaats, waar Diábolus zijn laatste leger
samentrok; alleen de Twijfelaar-aan-het-Kwaad werd aan zijne eigen deur,
op den hoek der Kwade straat opgehangen.
Zoo was Menschziel van deze hare vijanden verlost: maar nu werd
nog een strikt bevel gegeven dat de heer Vastewil met zijn dienaar
Naarstigheid nog voortvaren zouden, het overschot van het complot
op te sporen. Hunne namen waren Slecht, Goed-Verwerper, Slaafsche
vrees, Zonder-Liefde, Wantrouwen, Vleesch en Onwillig. Ook de kinderen
van Twijfelaar-aan-het-kwaad moesten worden gevat en zijne woning
afgebroken. De kinderen heetten Twijfel, Wettisch, Ongeloof,
Verkeerde-Gedachten-van-Christus, Belofte-besnoeier, Gevoelsleven en
Eigenliefde. Hunne moeder was vrouw Zonder-hoop, eene nicht van den
ouden Ongeloof en eene dochter van baas Duister.
De heer Vastewil voerde dit bevel uit. Hij ving Slecht bij den weg, en
hing hem op tegenover den Molsgang. Deze Slecht had kapitein Geloof in
Diábolus handen overgegeven. Ook Goedverwerper werd op de markt gevat en
gevonnisd. Binnen de stad leefde nu nog een arme vrome man, die
Overdenking heette. Hij had in de dagen van den afval weinig attentie
getrokken, maar nu was hij in achting. Hem werd nu al het bezit van
Goedverwerper overgegeven, zoodat hij rijk werd en met zijne vrouw
Vroom, des Griffiers dochter en zijn zoon Weldenkend in vreugde leefde.
Nu werd nog Belofte-besnoeier gevat, een groot booswicht, die heel wat
van ’s konings geld besnoeid had. Hij werd veroordeeld om te pronk te
staan en door alle inwoners van Menschziel gegeseld te worden. Daarna
moest hij hangen. Die straf was wel gestreng maar niet onverdiend; want
alle eerlijke handelaars weten welk kwaad de geldsnoeiers uitvoeren.
[Afbeelding: HUISZOEKING NAAR VLEESCHELIJK GEVOELEN.]
Men ving ook Vleeschelijk gezind en zette hem vast, maar hij brak los en
ontkwam. Die leelijkert hield zich daarna schuil binnen de stad, en
spookte des nachts rond als de lieden sliepen. Daarom werd er eene
kennisgeving uitgevaardigd, dat al wie hem in Menschziel vond, hem
vangen en dooden moest, en tot loon zou hij aan ’s konings tafel eten en
bewaarder der schatten worden. Maar hoevelen er ook op uitgingen, ze
konden hem maar niet te pakken krijgen.
Ook Verkeerde Gedachten werd gegrepen; maar deze had reeds de tering en
stierf daaraan. Eigenliefde onderging hetzelfde lot; velen in Menschziel
waren met hem vermaagschapt en wilden hem dus sparen; maar de heer
Zelfverloochening zeide: „Indien zulke booswichten binnen Menschziel
geduld worden, dan leg ik mijn post neer!” Hij ontrukte hem dus aan het
volk en sloeg hem de hersens in. De dappere daad van den kapitein hoorde
de Prins en deze verhief hem tot den adelstand. Ook de heer Vastewil
ontving lof voor zijn ijver.
Nu grepen die twee een bijzonderen moed en vielen samen op Gevoelsleven
en Wettisch aan, hen inkerkerend tot ze stierven. Maar Ongeloof was zulk
een looze vos, dat ze hem niet machtig konden worden wat zij ook deden.
Hij en enkele anderen bleven daarom nog over totdat Immanuel zelf hen
zou verdelgen. Toch bleven zij in kuilen en spelonken, en werden ze soms
gezien, dan zette de gansche stad hen na. Ja, zelfs wierpen de kinderen
hen met steenen. Nu geraakte Menschziel in een staat van vrede en rust;
haar vorst bleef bij haar, de kapiteins ondersteunden haar, de soldaten
deden hun plicht en zij zelve dreef veel koophandel met een vergelegen
land. [Jes. 33 : 17.] [Phil. 3 : 20.]