[62] ~De mannen des bloeds~. Dit is eene nieuwe uitvinding van Satan.
Hij beproeft door vervolging de ziel te kwellen en afvallig te maken.
Eerst deed hij het met den twijfel in iederen vorm, en geheel geeft
hij dit wapen nooit op; maar nu moet een ander beproefd, waarvan hij
beter gevolg verwacht -- uitwendige folteringen, vuur en zwaard,
brandstapel en moordschavot. Maar dit is dan ook de laatste toevlucht
van eene slechte zaak. Als alle argumenten vruchteloos blijken, dan
blijft woest geweld over. De geschiedenis des Bijbels en der kerk
beide leeren dit. Daarop wordt hier in den vorm van de kapiteins der
bloedmannen gewezen, waarvan Kaïn de eerste en de Paus de laatste is.
Toen nu de tiran weder aan Hellepoortsheuvel was gekomen, vergezeld van
zijn ouden vriend Ongeloof, daalde hij onmiddellijk in den put neer en
daar voor eene poos met hunne gezellen hun treurig lot beklaagd hebbende
en tevens het groot verlies, dat zij leden, overdacht, zoo werden zij
eindelijk woedend en zwoeren, dat zij zich wreeken zouden over het
verlies der beroemde stad Menschziel. Daarom beraadslaagden zij al
dadelijk weer over hetgeen gedaan kon worden; want hunne holle buiken en
verslindende keelen lieten hun dag noch nacht met rust. Iedere dag
scheen hun een halve eeuw. Zij besloten daarom andermaal de stad
Menschziel aan te tasten met een gemengd leger van Twijfelaars en
Bloeddorstigen. Laat ons dit volk nader beschrijven.
De Twijfelaars dragen hunnen naam naar hunne natuur zoowel als van het
koninkrijk, waar ze geboren zijn. Het komt met hunnen aard overeen
iedere uitspraak en ieder woord van Immanuel in twijfel te trekken, en
hun land heet het land der Twijfeling, liggende naar het noorden
tusschen het gewest der Duisternis en de Vallei der schaduwen des doods.
Van het land der duisternis en de Vallei der schaduwen des doods wordt
somtijds gesproken als van hetzelfde gewest; maar dat is onjuist. Ze
liggen dicht bij elkaêr, maar het land der Twijfeling ligt daar
tusschen. ’t Was dus al soortgelijk volk als dat van de laatste maal.
De Bloeddorstigen zijn een volk, dat zijn naam heeft naar de boosheid
hunner natuur en de woede, die in hen is tegen de stad Menschziel. Hun
land ligt onder de Hondster en door haar worden zij ook geregeerd. De
naam van die streek is de provincie Walg-van-het-Goede; zij ligt verre
van het land der Twijfelaars, maar grenst er aan éene zijde toch aan,
aangezien beide landen uitkomen aan Hellepoortsheuvel. Toch kunnen zij
zich best met de Twijfelaars vereenigen omdat zij gelijken haat
koesteren tegen Immanuel.
Uit deze twee landen riep Diábolus eene lichting op van 25000 man, n.l.
10000 Twijfelaars en 15000 Bloeddorstigen. Verschillende generaals
werden over hen aangesteld, maar de oude Ongeloof was weder
veldmaarschalk. Vijf van de zeven kapiteins, die den vorigen tocht mede
gemaakt hadden, werden nu ook aangesteld; de anderen werden verlaagd tot
vaandeldragers. De Twijfelaars stonden nu onder de vorsten Beëlzebul,
Lucifer, Apollyon, Legioen en Cerberus.
Maar Diábolus rekende deze Twijfelaars volstrekt niet voor de
voornaamsten; want hij had hunne dapperheid wel beproefd maar die te
licht bevonden; daarom diende hun aantal alleen om zijn leger te
vergrooten; maar zijn grootste vertrouwen stelde hij op de
Bloeddorstigen. Dat waren zeer ruwe gasten en hij wist wat al
schelmstukken zij vroeger gepleegd hadden. Deze nu stonden onder de
bevelhebbers Kaïn, Nimrod, Ismaël, Ezau, Saul, Absalom, Judas en Paus.
Kapitein Kaïn was over twee benden, nl. de Vurige en de Nijdige
Bloeddorstigen. Zijn vaandel had een roode kleur en zijn wapen was een
moordknods. [Gen. 4 : 8.]
Kapitein Nimrod was ook over twee benden, te weten de Wreedaardige en de
Sluipende Bloeddorstigen. Zijn vaandel was ook rood en zijn wapen de
groote Bloedhond. [Gen. 10 : 8, 9.]
[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF EN KAPITEIN GEDULD VERSTERKEN DE STAD.]
Kapitein Ismael was ook over twee benden, n.l. de Spottende en de
Lasterende Bloeddorstigen. Ook zijn vaandel was rood en zijn wapen:
iemand, die Abrahams Isaäk bespotte. [Gen. 21 : 9, 10.]
Kapitein Ezau had ook twee benden, n.l. de Murmureerende Bloeddorstigen
en de Wraakgierige Bloeddorstigen. Eveneens was zijn vlag rood, maar
zijn wapen was: iemand, die heimelijk loerde op Jakobs ondergang. [Gen.
27 : 41-45.]
Kapitein Saul voerde het bevel over de Bloeddorstigen, die zonder reden
gebelgd waren, en diegenen, welke helsche woede openbaarden. Zijn rood
vaandel was versierd met drie bloedige pijlen op David geworpen. [1 Sam.
18 : 10; en 19 : 10; en 20 : 33.]
Kapitein Absalon bestuurde de Bloeddorstigen, die om wereldsch voordeel
wel een vader wilden vermoorden, en de mannen des bloeds, die
vriendelijk met iemand omgaan tot zij hem het zwaard in het hart steken.
Zijn rood vaandel voerde ten wapen een vadermoorder. [2 Sam. 15.]
Kapitein Judas was gesteld over de voor geld verradende Bloeddorstigen
en hen, die dit verraad plegen met een kus. Zijn rood vaandel droeg ten
wapen dertig zilverlingen en een strop. [Matth. 26 : 14-16, 49.]
Kapitein Paus had maar éene bende, want hij weet alle geesten tot een
éen te brengen als zij onder hem dienst nemen. Ook zijne vlag was rood
en zijn wapen vertoonde een brandstapel met een martelaar daarop.
[Openb. 13 : 7, 8.]
De reden nu waarom Diábolus zoo spoedig met deze nieuwe legermacht kwam
opdagen was, dat hij zulk een groot vertrouwen stelde in deze mannen des
bloeds; want hoewel zijne Twijfelaars hem tevoren veel dienst bewezen
hadden zoo waren zij minder betrouwbaar gebleken; maar dit volk kon,
naar hij dacht, de proef doorstaan. Hij wist dat deze mannen als
bloedhonden zich vastklemden aan alles wat onder hun bereik kwam, al
ware het vader of moeder, zuster of broeder, ja al ware het de vorst der
vorsten in eigen persoon. Zelfs was het hun eenmaal gelukt Immanuel uit
het koninkrijk Aardbodem te verdringen, waarom zouden zij nu niet
hetzelfde doen met de stad Menschziel?
Toen nu dit groote leger door generaal Ongeloof aangevoerd optrok, was
juist de heer Toezicht uit Menschziel op kondschap uitgegaan, en bracht
hij dan ook onmiddellijk tijding van hunne komst. Dadelijk werden de
poorten gesloten en alles op voet van oorlog ingericht.
Diábolus legerde zijne nieuwe Twijfelaars bij de Voelpoort en de
Bloeddorstigen voor de Oog- en Oorpoorten. De heer Ongeloof zond nu in
naam van Diábolus, van zichzelven, van de Bloedmannen en alle anderen
eene opeisching aan Menschziel zoo heet als gloeiend ijzer, dreigende
bij weigering aanstonds geheel Menschziel te verbranden. Het was er nu
niet zoozeer om te doen de stad te veroveren dan wel om haar uit te
roeien van onder de levenden. Al wilden zij zich overgeven, dat was nog
niet genoeg; zij wilden het bloed der lieden van Menschziel uitzuigen;
wanneer zij geen bloed slurpten, konden zij niet leven. Daarom had
Diábolus ook die Bloedhonden tot het allerlaatste bewaard, om als alles
vruchteloos bleek door hen de stad te verdelgen. [Jes. 59 : 7.] [Jer.
22 : 17.]
Toen nu de burgers deze gloeiende opeisching ontvangen hadden,
veroorzaakte zij onder hen groote ontsteltenis, en liepen hunne
gedachten zeer door elkander. Maar in minder dan een half uur tijds
waren zij overeengekomen die opeisching tot den Prins te brengen, en
schreven daaronder: „Heere, verlos ons van de mannen des bloeds!” [Ps.
59 : 3.]
Hij nam het geschrift aan, bezag en overwoog het; ook aanschouwde hij in
gunst wat Menschziel daar zoo kort en bondig onder geschreven had. Toen
riep hij den edelen kapitein Geduld en beval hem zijne macht met zich te
nemen en goed op te letten naar dien kant, waar Menschziel nu belegerd
was. Daarna belastte de Prins, dat kapitein Goede Hope, kapitein Liefde
en de heer Vastewil de andere zijde der stad zouden bewaren. „En Ik”,
zeide de Vorst, „zal mijn standaard planten op de wallen van het
kasteel; waakt gijlieden tegen de Twijfelaars.” Ook beval hij nog, dat
kapitein Ondervinding zijn volk op de markt zou laten exerceeren, en dat
wel dag aan dag voor de oogen des volks.
Deze belegering was langdurig en de vijand deed menigen verwoeden
aanval, vooral de Bloeddorstigen, door welken zij menigmaal zeer onzacht
behandeld werden. Maar aan Oor- on Oogpoort, waar kapitein
Zelfverloochening de zorg was opgedragen, hadden zij de handen vol.
Deze kapitein Zelfverloochening was nog jong,[63] maar zeer dapper en
een burger van Menschziel evenals kapitein Ondervinding. Ook hij was
over duizend manschappen aangesteld. Deze kapitein deed nu en dan een
uitval op hen, en richtte dan veel schade onder den vijand aan; maar het
liep voor hem niet geheel zonder kleerscheuren af; want hij droeg
verscheidene litteekens.
[63] ~Kapitein Zelfverloochening~ bewijst nu goede diensten. Inderdaad
onder alle Christelijke deugden, die in het lijden geoefend worden, is
zelfverloochening wel die, welke het meest geoefend wordt, en het
eigen ik heeft daar eene leerschool om te worden verkleind en ten
onder gebracht. Zelfverloochening is de tucht des Christens.
[Afbeelding: DE AANRAKING DER LIPPEN.]
Nadat er eenigen tijd was doorgebracht waarin het geloof, de hoop en de
liefde van de stad Menschziel beproefd waren, riep Prins Immanuel op
zekeren dag zijne kapiteins en oorlogsvolk samen en verdeelde hen in
twee compagniën. Daarna beval hij hen op een bepaalden tijd zeer vroeg
in den morgen op den vijand een uitval te doen, zeggende: „Laat de eene
helft van u op de Twijfelaars aanvallen en de andere helft op de
Bloeddorstigen. Die ge van de Twijfelaars in handen krijgt moet ge
keelen zoodra het u mogelijk is; maar de Bloeddorstigen zult gij niet
dooden, maar levend grijpen.”
Zeer vroeg in den morgen had de uitval plaats. De kapiteins Goede Hoop
en Liefde, Oprecht en Ondervinding trokken op de Twijfelaars aan, en de
kapiteins Geloof, Geduld en Zelfverloochening op de Bloeddorstigen. De
eerste helft marcheerde in slagorde voorwaarts; maar de Twijfelaars
wachtten hen niet eenmaal af en gingen, gedachtig aan de laatste
nederlaag voor ’s Prinsen volk, op de vlucht. Deze zaten hen na en
doodden er velen, maar allen konden zij thans niet meester worden. Van
degenen, die ontkwamen, gingen sommigen naar huis en anderen doolden
als zwervelingen bij troepjes om. Intusschen deden zij heel wat kwaad
bij de Barbaren, die zich evenwel niet tegen hen verzetten, maar zich
gewillig tot slaven lieten maken. Daarna wilden zij zich nog wel eens
vertoonen voor de muren der stad, maar dat duurde gewoonlijk niet lang,
want als de kapiteins Geloof, Goede Hoop en Ondervinding zich maar even
lieten zien, dan liepen ze haastig weg.
Zij, die tegen de Bloeddorstigen uitgetrokken waren sloegen niemand
dood, maar zij zochten hen slechts te omringen. Deze bloedmannen, ziende
dat Immanuel niet in het veld was, meenden, dat hij ook niet in
Menschziel was, en daarom zagen zij deze vreemde handelwijze aan als
eene onhandigheid van de kapiteins. Zij verachtten hen daarom meer dan
zij hen vreesden. Maar de kapiteins wisten wel wat ze deden en
eindelijk, bijgestaan door de overigen, die de Twijfelaars hadden
weggejaagd, kregen zij ze geheel in het net en namen ze allen gevangen.
Ze zouden nu gaarne op de vlucht gegaan zijn, want hoe wreed en
hardvochtig dat bloeddorstige volk ook zij wanneer ze regeeren, zijn ze
lafhartig als ze eens gevoelen met hun meerdere kennis te maken. Zoo
werden ze dan voor den Vorst gebracht.[64]
[64] ~De mannen des bloeds worden gevonnisd~. Zeer fijn is hier de
blik van den allegorist. De inwendige zonde moet zonder genade
sterven; maar de uitwendige oorzaken tot zonde, afval of vervolging
niet alzoo; zij worden nog gespaard sommigen om tot bekeering te
komen, anderen om beter te worden ingelicht en anderen voor het
oordeel Gods. Wij zien hier drie bronnen ~onwetendheid~, ~ijver zonder
verstand~ en ~nijd~. „Ontfermt u wel sommiger”, zegt apostel Judas.
Maar let nu eens op Saulus van Tarsen, die meende Gode een dienst te
doen met de vervolging der broeders, die hij later lief kreeg. En
Jezus bad, Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
Toen deze dit volk vóor zich had, bemerkte hij dat, ofschoon zij uit één
land kwamen, zij toch in drie Graafschappen waren verdeeld. De eerste
die voorkwamen waren uit het land der Blinden; deze hadden alles wat ze
ooit misdeden in hunne onwetendheid gedaan. De tweede soort kwam uit het
graafschap der Blinde IJveraars, en zij deden alles uit bijgeloof. De
derde soort kwam uit het land der Boosheid uit de stad Nijd. Zij hadden
gehandeld uit wraakzucht en onverzoenlijkheid. [1 Tim. 1 : 13-15.]
[Matth. 5 : 44.] [Luk. 6 : 22.] [Joh. 16 : 1, 2.] [Handel. 9 : 5, 6.]
[Openb. 9 : 20, 21.] [Joh. 8 : 40-43.]
De eersten van dezen, n. l. die uit het land der Blinden kwamen, toen
zij zagen waar zij zich bevonden en tegen wien zij gestreden hadden,
beefden als een riet en stonden daar weenende voor den Prins. Zoovelen
van hen als hem om genade smeekten, die raakte hij met zijn gouden
schepter de lippen aan.
Zij, die uit het land der Blinde IJveraars kwamen, verschilden hierin
van de voorgaanden, dat zij voor hun recht pleitten, daar Menschziel
eene stad was, wier zeden en gewoonten wijd verschillend waren van alle
andere plaatsen. Zeer weinigen van deze soort konden er toe gebracht
worden hun kwaad in te zien; maar die het deden en om genade smeekten,
verkregen ook gunst van den Prins.
En nu zij, die uit de stad Nijd in het landschap Boosheid kwamen, die
weenden niet en die verdedigden zich ook niet, die hadden geen berouw,
maar stonden daar hunne tong kauwende van angst en smart, omdat zij hun
wraak op Menschziel niet konden ten uitvoer brengen. Deze laatsten nu
met al de anderen, die geen pardon vraagden voor hun misdaden, liet hij
stevig in banden slaan om zich weldra op den algemeenen gerechtsdag te
verantwoorden over alles wat zij tegen Menschziel en haren koning
bedacht en gedaan hadden. Die groote dag des oordeels zou voor het
geheele rijk des Heelals worden gehouden en ieder zich afzonderlijk
moeten vertoonen.
En hiermede hebben wij genoeg gezegd van dit tweede leger, dat tegen
Menschziel opgetrokken was.