HOOFDSTUK XIV.

„ZIET, HIJ BIDT.”

Nadat de stad Menschziel al dien tijd in dezen droevigen staat verkeerd

had en geen rekwest, aan hun vorst gezonden, noch rechtstreeks

beantwoord was, kwamen de inboorlingen, namelijk de oudsten en

opperhoofden samen, en na hunne ellende beweend, en het droevig oordeel,

waaronder zij zuchtten, beklaagd te hebben, vatten zij nogmaals het

voornemen op alles in een dringend verzoekschrift aan Immanuel bloot te

leggen. Maar nu stond de heer Vreeze Gods op en zeide, dat hij te weten

was gekomen, dat hun Heer en Vorst nooit een verzoekschrift van dezen

aard aannam dan wanneer het gegeven was door de hand van den

Oppergeheimschrijver. „Om deze reden”, sprak hij, „hebt gij nog geen

gehoor ontvangen.” Toen zeiden zij, dat zij dan een rekwest zouden

opstellen en verzoeken dien Edelman daaronder zijne handteekening te

plaatsen, maar ook dit had hij geweigerd; waarop de heer Vreeze Gods

weder aanmerkte, dat hij stellig wist, dat de Oppergeheimschrijver nooit

zijne hand zette onder eenig rekwest in welker samenstelling hij niet

zelf de hand gehad had. „Onze Vorst kan in dit opzicht niet bedrogen

worden, want hij kent het schrift en het werk van zijn Geheimschrijver

uit alles wat men hem voorlegt,” zeide hij. Deze hooge personage woonde

in het kasteel met de andere hoofden.

Men bedankte daarom den heer Vreeze Gods voor zijn raad, en de hoofden

begaven zich onmiddellijk naar de kamers van den Oppergeheimschrijver,

hem nauwkeurig met het doel van hunne komst bekend makende, en hem

verzoekende toch uit hun naam een rekwest op te stellen aan Immanuel,

den zoon van den almachtigen El-Schaddaï, en aan hun Koning en Heer, die

zijn eeniggeboren zoon was.

Toen zeide die edelman tot hen: „Welk verzoekschrift is het, dat gij

door mij begeerdet op te stellen?” Maar zij antwoordden: „Onze Heer weet

beter dan wij hoe wij er aan toe zijn, en hoe wij van onzen Vorst zijn

afgeweken en ontaard. Ook weet gij in welk een oorlog wij gewikkeld zijn

en welk een leger tegen ons Menschziel is opgetrokken, zoodat wij nu

voortdurend op voet van oorlog leven. Mijnheer weet bovendien welk een

onmenschelijke behandeling onze mannen, vrouwen en kinderen onder hunne

handen hebben te doorstaan, en hoe onze inwonende Diábolus-mannen thans

met trotschheid door onze straten wandelen. Laat daarom onze heer naar

de wijsheid Gods, die in hem is, een verzoekschrift opstellen voor zijn

ellendige knechten, aan den grooten Immanuel.”

„Goed”, antwoordde de Oppergeheimschrijver, „ik zal het verzoekschrift

opstellen en er ook mijne handteekening onder plaatsen.”

Toen zeiden zij: „Wanneer mogen wij het komen halen?”

Maar hij antwoordde: „Gij zelf moet bij het opstellen tegenwoordig zijn,

ja, gij zelf moet uwe begeerten daarin uitdrukken. Wèl zal de hand en de

pen mijne zijn; maar de inkt en het papier moeten van u wezen, hoe kunt

gij anders zeggen, dat het uw verzoekschrift is? Ik behoef het voor

mijzelven niet te doen, want ik heb niets misdaan.”

Hij voegde daar nog bij: „Geen verzoekschrift gaat in mijn naam naar den

Vorst, en evenmin tot zijn Vader, dan wanneer het volk daarin zijn

gansche hart en ziel heeft uitgedrukt; want die moeten er bij ingesloten

worden.”

Zoo stemden zij dan van ganscher harte met deze woorden in, en een

verzoekschrift werd klaar gemaakt.

Maar nu was de vraag: „Wie zal het wegbrengen?” De Oppergeheimschrijver

raadde aan, dat kapitein Geloof dit doen zou, omdat hij een welbespraakt

man was.

[Afbeelding: DE VERWOESTING IN MENSCHZIEL.]

Zoo lieten zij hem dan roepen en droegen hem dit werk op. „Wel”, zeide

deze, „ik neem gaarne dat werk op mij en hoewel ik kreupel ben, zal ik

het toch zoo spoedig doen als mij mogelijk is.”

De inhoud van het verzoekschrift was als volgt:

„O, onze Heer en souvereine Vorst Immanuel, machtige lankmoedige Prins!

Genade is op uwe lippen uitgestort, en bij u is genade en

schuldvergiffenis ofschoon wij tegen u hebben gerebelleerd. Wij, die

niet meer waard zijn uw Menschziel genaamd te worden, of uwe zegeningen

voortaan te genieten, smeeken u en uwen Vader met u, onze overtredingen

uit te delgen. Wij belijden, dat gij alle recht hebt ons te verwerpen;

maar och, doe dat niet om uws naams wil: Zie onze ellende aan en laat

uwe ingewanden over ons rommelen!

„Wij zijn van alle kanten ingesloten, Heer; onze eigen afdwalingen

kastijden ons; de Diábolus-mannen binnen onze stad verschrikken ons, en

het leger uit den bodemloozen afgrond onderdrukt ons. Uwe genade kan ons

redden, maar anders weten wij niet waarheen ons te wenden.

„Bovendien, genadige Vorst, hebben wij onze kapiteins verzwakt en zijn

ze ontmoedigd, krank en sommigen hunner zelfs ernstig gewond door de

kracht van den tiran. Ja, zelfs diegenen onzer kapiteins, waarop wij

eertijds ons vertrouwen het meeste stelden, zijn verminkt. Onze vijanden

daarentegen zijn vol leven en gezondheid, zij beroemen zich ons weldra

als een buit te zullen verslinden. Ze zijn op ons aangevallen met vele

duizenden Twijfelaars, die allen even grimmig en onbarmhartig zijn en

ons tegenstaan zoowel als u.

„Onze wijsheid is weg, onze kracht is weg, omdat Gij van ons zijt

weggegaan. Wij hebben niets meer wat wij het onze kunnen noemen dan

zonde, schande en schaamte voor uw aangezicht. Heb medelijden met ons, o

Heer, heb medelijden met uwe ellendige stad Menschziel en red ons uit de

handen onzer vijanden. Amen.”

Met dit verzoekschrift vertrok de dappere kapitein Geloof. Hij ging de

Mondpoort uit en het gelukte hem in alle stilte het hof van Immanuel te

bereiken.

Hoe het kwam weet ik niet, maar het kwam uit en bereikte zelfs de ooren

van Diábolus. Dat hij er kennis van kreeg bleek duidelijk hieruit, dat

hij de stad dreigde en riep: „Gij hardnekkige en oproerige Menschziel,

ik zal u dat verzoekschriften indienen wel afleeren!” Ja, hij wist ook

wie de overbrenger geweest was en dat maakte hem beide bang en woedend.

Dies beval hij dat zijn tamboer weder de trom zou roeren, iets dat

Menschziel dan al zeer slecht verdragen kon.

Toen nu de trom was geroerd en de mannen van Diábolus bijeengeroepen,

sprak de reus hen aan: „O, gij stoutmoedig Diábolus-volk! u zij bekend,

dat er in deze oproerige stad verraad is gesmeed; want ofschoon zij in

onze macht zijn, hebben die ellendige inwoners van Menschziel zich

verstout naar het hof van Immanuel om hulp te zenden. Dit zeg ik u om u

te leeren op uwe hoede te zijn. Daarom, mijne getrouwen, beveel ik u

haar te meer te kwellen. Rooft hare vrouwen en maagden, slacht hare

kinderen, slaat haar ouden den schedel in en steekt haar zelve in brand.

Gij kunt haar niet te veel kwaad doen; ik zal u beloonen.”

Dit was zijn bevel, maar er gebeurde nog iets tusschen dit voornemen en

de uitvoering, waarop de reus niet gerekend had en dat de inwoners van

Menschziel maar nauwelijks hadden durven hopen. Pas had Diábolus dit zoo

besteld of hij marcheerde op het kasteel aan en eischte dat op. Maar de

heere Vreeze Gods antwoordde daarop, dat noch hem, noch zijnen

volgelingen de poorten zouden worden geopend, en sprak de overtuiging

uit, dat Menschziel na nog eene wijle geleden te hebben, verlost,

versterkt, volmaakt en bevestigd zou worden.

Toen zeide Diábolus: „Geef mij dan de mannen over, die het rekwest

hebben overgeleverd en vooral kapitein Geloof, die het aan uw Prins

gebracht heeft. Als ik dien slaaf in handen heb dan zal ik de stad

verlaten.”

Daarop trad iemand uit zijn gevolg op, n. l. Slecht, en sprak: „Mijnheer

biedt u zeer veel aan; het is immers beter voor u, dat éen mensch

sterve[52] dan eene gansche stad verloren ga.” Maar de heer Vreeze-Gods

vraagde: „Hoe lang zou Menschziel buiten den poel blijven, zoo zij haren

kapitein Geloof aan Diábolus had overgegeven? Zoo gaat dan de stad

verloren als Geloof verloren gaat; als de een weg is moet de andere

wijken.” Toen Slecht daarop niets antwoordde sprak de burgemeester: „O

gij verwoester! het zij u bekend, dat wij naar uwe woorden niet hooren

zullen. Wij zijn besloten zoolang er éen kapitein, éen man, éen slinger,

éen steen overblijft, u tegenstand te bieden!”

[52] ~Het is beter dat éen mensch sterve~! Deze Kajafas-raad is

duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de

hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus.

Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom

legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof,

de hand waarmede men Christus aangrijpt.

[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF ONTVANGT HET VERZOEKSCHRIFT.]

Maar Diábolus antwoordde: „Hoopt gij nog? Wacht gij nog? Ziet gij nog

uit naar hulp en verlossing? Gij hebt naar Immanuel gezonden, maar uw

goddeloosheid kleeft aan uwe zoomen, en uwe onnoozele verzoekschriften

beduiden toch niets. Hoeveel zondt gij er vroeger reeds op? Denkt gij,

dat gij het nu winnen zult? Gij zult bedrogen uitkomen; want niet alleen

ik ben tegen u, maat Immanuel evenzeer. Ja, Hij is het zelf, die mij

tegen u heeft uitgezonden. Waar hoopt gij dan nog op? Door welke

middelen wilt gij het ontkomen?”

De burgemeester antwoordde: „Voorwaar, wij hebben gezondigd, maar

daaruit zult gij bij Immanuel geen voordeel trekken; want in groote

getrouwheid heeft hij gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins

uitwerpen.” Hij heeft ook gezegd, dat alle zonde en lastering den

menschen zal vergeven worden. Daarom durven wij niet wanhopen; maar

willen blijven uitzien, wachten en hopen op onze verlossing.”

Intusschen was kapitein Geloof van Immanuels hof wedergekeerd en droeg

een pakket onder den arm. De heer burgemeester zulks verstaande onttrok

zich aan het geraaskal van den woedenden tiran, en liet hem tegen de

muren van het kasteel praten. Hij sloop weg naar het verblijf van den

kapitein en vraagde naar de reis en den welstand van het hof, alsmede

welk nieuws hij medebracht. Ach, de tranen stonden hem in de oogen.

Maar kapitein Geloof zeide: „Houd moed, mijnheer, alles zal nog wel

terecht komen.”[53] Dit zeggende haalde hij zijn pakket voor den dag en

deed het open, waaruit de burgemeester en de anderen opmaakten, dat er

goede tijding was. Daar nu de tijd des welbehagens daar was, zond hij om

alle kapiteins en oudsten der stad, die in het kasteel hun verblijf

hielden of op wacht waren. Daarop kwamen allen en verwelkomden hem,

waarna hij uit zijn pakket verscheidene brieven voor den dag haalde. De

eerste was voor den burgemeester.

[53] ~Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen~. Het

geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij

Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit

wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het

getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht.

De Prins was zeer vergenoegd, dat deze edelman zijn ambt zoo getrouw had

waargenomen in alle gewichtige aangelegenheden, die hem in Menschziel

waren opgedragen. Ook gaf hij hem zijn welgevallen te kennen over zijne

kloekmoedigheid en getrouwheid voor den Prins tegen Diábolus. Aan het

slot stond, dat hij weldra zijn loon ontvangen zou.

De tweede brief was voor den heer Vastewil, waarin te kennen gegeven

was, dat zijn Vorst Immanuel wel verstaan had, hoe dapper hij voor zijn

heer geweest was in zijn afwezen en toen zijn naam in verachting was bij

de Diábolus-mannen. Ook dat hij zich zoo flink gehouden had in het

opsporen en ophangen der Diábolus-mannen, die in hunne holen lagen. Hem

zou eveneens zijn loon niet ontgaan.

De derde brief was voor den Onderleeraar, waarin vermeld stond hoezeer

de Prins zich verheugde, dat hij zoo eerlijk en getrouw zijn ambt had

waargenomen in het bestraffen en vermanen en waarschuwen. Ook gaf de

Vorst zijn welgevallen te kennen over den vast- en bededag toen

Menschziel het verdorven had en dat hij daarbij de hulp van kapitein

Boanerges had ingeroepen. Alles wist de Prins en voor alles zou de

Onderleeraar beloond worden.

Een vierde brief was voor den heer Vreeze Gods. Daarin stond, dat zijn

Heer had opgemerkt, hoe hij de eerste in gansch Menschziel geweest was,

die Vleeschelijke Gerustheid had openbaar gemaakt. Daarenboven gaf zijn

Heer hem te verstaan, dat hij alle tranen en klaagliederen over

Menschziel in gedachten zou houden en zijne kloekmoedige houding in de

feestzaal van Vleeschelijke Gerustheid niet vergeten. Ook dat hij de

poorten van het kasteel zoo goed had bewaard en de stedelingen geleerd

hoe zij een verzoekschrift moesten inzenden, dat kracht deed. Daarom zou

ook hij binnenkort zijn loon ontvangen.

Daarna kwam er nog een brief, die aan de gansche stad Menschziel was

geschreven, waaruit zij verstonden, dat hunne dikwijls herhaalde

verzoekschriften aan hunnen Heer bij hem in gedachtenis waren en dat zij

nu in de toekomst daarvan de vrucht zouden zien. Hun Vorst betuigde

daarin, dat het hem recht aangenaam was, dat zij hun hart en hunne

zinnen er nu ter dege op gezet hadden om in zijne wegen te wandelen, en

dat noch de vleierij noch de dreiging van Diábolus, noch al zijne

foltering hen kon bewegen zich over te geven. Onder aan den brief stond

nog, dat hun Heer de stad Menschziel achtergelaten had in de handen van

den Oppergeheimschrijver en onder het bestuur van kapitein Geloof:

„Gedraagt u naar hun onderwijs en begeeren en gij zult ter bekwamer tijd

uwen loon ontvangen.”

Nadat de brave kapitein Geloof zijne brieven aan hun adres had

afgeleverd, ging hij naar de kamer van den heer Oppergeheimschrijver en

bracht daar eenigen tijd door in een vertrouwelijk gesprek. Die twee

waren zeer met elkander vertrouwd. De Oppergeheimschrijver had den

kapitein Geloof hartelijk lief, en zond hem menige verkwikking van zijne

eigen tafel, ja, toonde hem een vriendelijk gelaat, waar de rest van

Menschziel nog bewolkt was. Toen zij nu een wijle met elkander gesproken

hadden, begaf de kapitein zich ter ruste. Doch niet lang daarna zond de

Geheimschrijver weder om hem, die na eene beleefde buiging vraagde:

„Wat heeft mijnheer tot zijn dienaar te zeggen?” Waarop de

Oppergeheimschrijver hem ter zijde nam en met groote gunstbetooning

overlaadde. Daarna sprak hij: „Ik heb u tot onderkoning gemaakt over de

gansche stad Menschziel; zoodat van dezen dag af alle inwoners der stad

op uw woord zullen opstaan en gij zult hen uit- en inleiden. Uit kracht

van uwe waardigheid moet gij ook voor uwen Vorst en de stad Menschziel

den oorlog voeren, en naar uwe bevelen zullen de andere kapiteins

handelen.”

[Afbeelding: DIÁBOLUS’ TAMBOER.]

Onder zulke omstandigheden kon het niet uitblijven of de burgers moesten

beginnen te beseffen welk een invloed deze heer kapitein aan het hof

bezat; want wie er ook ooit tot Immanuel werd afgezonden, wie hunner had

zoo spoedig en zulk een goed antwoord van daar teruggebracht als deze

kapitein? Wat doen zij nu? Nadat zij zichzelven hadden verweten, dat zij

in hunne benauwdheid niet meer gebruik van hem hadden gemaakt, zonden

zij door de hand van den Onderleeraar tot den Geheimschrijver om hem te

verzoeken, dat toch al wat zij hadden of deden gesteld mocht worden

onder het bestuur, de zorg en de hoede van kapitein Geloof.

Zoo ging dan de Onderleeraar met deze boodschap en ontving tot antwoord,

dat dit alreede was geschied, daar de heer Geloof tot Onderkoning was

aangesteld.[54] Daarop boog hij zich en ging heen om dit nieuws aan de

burgers der stad te verhalen. Maar dit alles geschiedde in het diepste

geheim omdat de vijanden nog zulk een groote macht hadden in Menschziel.

[54] ~De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat

hij begeerde~. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is

eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de

belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden.

[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF OVERHANDIGT HET VERZOEKSCHRIFT.]

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 43 / 56 题