[51] ~Een middernachtelijke uitval~ schetst den overmoed, waarin het
behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijn
~verdedigingswapenen~.
Niet lang daarna werden de kapiteins met de kloeksten in de stad het
samen eens om een uitval te wagen. Zij wilden des nachts het leger van
Diábolus overvallen. ’t Was jammer, dat zij het in den nacht deden; want
de nacht is altijd de beste tijd voor den vijand en Menschziel nadeelig.
Maar hun moed was zeer groot en de laatste overwinningen lagen nog zoo
versch in het geheugen.
Toen de bepaalde nacht daar was, wierpen de dappere kapiteins het lot
wie van hen het eerst zou uittrekken om op Diábolus en zijn leger aan te
vallen. Allen waren even vurig en even dapper; allen hadden hun leven
en al hunne kracht voor de goede zaak over. De eer van hun koning en het
welzijn der stad gold hun boven alles. Daarom moest het lot beslissen
wie vooraan trekken zou. Het lot viel op kapitein Geloof. Hij zou met de
kapiteins Ondervinding en Goede Hoop de voorhoede aanvoeren. Zoo
geschiedde het. Zij deden een uitval op het leger, dat zich tegen hen
verschanst had, en vielen juist midden in het kamp hunner vijanden.
Diábolus en zijne mannen, zeer gewoon aan den nachtelijken arbeid,
maakten dadelijk alarm en waren onmiddellijk gereed hun slag te leveren,
even alsof zij een overval hadden verwacht. Van beide zijden werd zwaar
gevochten; de helletrom werd lustig geroerd, terwijl de trompetten een
aangenaam geluid gaven. Kapitein Onverzadelijk wachtte reeds op roof.
De kapiteins van den Prins vochten dapper, zelfs beter dan men van hen
zou verwacht hebben in hun nog zwakken gezondheidstoestand; zij
verwondden velen en maakten, dat het gansche leger van Diábolus de
vlucht moest nemen. Maar toen die kloeke helden kapitein Geloof,
Goede-Hoop en Ondervinding den vijand najaagden en er velen in de pan
hakten, struikelde de eerste en viel, waardoor hij zich dusdanig
bezeerde, dat hij niet kon opstaan vóor kapitein Ondervinding hem hielp.
Het volk geraakte daardoor in verwarring en de arme Geloof was zoo vol
pijn, dat hij bij iederen voetstap luidkeels jammerde. Dit deed de beide
andere kapiteins verflauwen, want zij meenden, dat kapitein Geloof het
besterven zou, en nu had ook het andere volk geen lust tot vechten meer.
Diábolus, die alles opmerkte hoewel hij tot op het uiterste was
gebracht, zag dat er een groot rumoer onder degenen was, die hem
vervolgden en maakte daaruit op, dat de kapiteins verwond of gedood
waren. Eerst stond hij stil, toen gebood hij om te keeren en viel zijne
vervolgers met zulk een helsche razernij aan, dat het hem gelukte
tusschen de drie kapiteins in te komen. Daar hakte hij er zoo razend en
wild op los, dat het volk met bloed en wonden bedekt, in wanorde en
moedeloosheid teruggeslagen, blijde was de poort weder te kunnen
bereiken en behouden binnen de stad te komen. Het overige leger van den
Prins, ziende hoe slecht de voorhoede gevaren was, trok nu ook terug en
allen gingen de Mondpoort weder binnen. Hiermede eindigde deze
schermutseling; maar Diábolus was zoo in zijn schik met deze nachtelijke
overwinning, dat hij zich verbeeldde nu binnen weinige dagen geheel
Menschziel aan zich te zullen onderwerpen. Daarom trok hij den volgenden
dag rondom de stad en eischte met groote driestheid, dat men hem
dadelijk liet binnentrekken en zich aan hem overgaf. Ook begonnen de
Diábolus-mannen daarbinnen weer eenigen moed te scheppen.
De manhaftige burgemeester gaf evenwel een kloek antwoord. Hij gaf aan
den reus te verstaan, dat als hij iets won, het dan door geweld zou
moeten gebeuren, want zoolang hun vorst Immanuel in leven was, waren zij
besloten Menschziel nooit aan een ander over te geven. Daarop begon de
heer Vastewil te spreken, en zeide: „Diábolus, gij meester en heer van
de spelonk der duisternis en vijand van alle goed! Wij, arme inwoners
der stad, dragen te veel kennis van uwe wetten en uwe regeering, van uw
oogmerk en bedoelen dan dat wij ons aan u zouden kunnen onderwerpen.
Toen wij eertijds toelieten, dat gij ons verschalktet als een vogel, die
den strik nog nooit heeft gezien, waren wij zonder kennis en
ondervinding; maar sedert wij overgebracht zijn uit de duisternis tot
het licht, zijn wij ook overgebracht uit de macht des satans tot God. En
ofschoon wij door uwe listen en de sluwheid der Diábolus-mannen van
binnen veel verlies geleden hebben en in groote zwarigheid zijn
gebracht, zullen wij echter nooit onze wapens afleggen en ons aan zulk
een tiran als gij zijt overgeven. Neen, dan sterven wij liever bij de
verdediging van het laatste bolwerk.”
Deze ernstige redevoering van den Burgemeester alsook de woorden van den
heer Vastewil, deed Diábolus al vrij wat bedaren, ofschoon hij spoedig
daarop in nieuwe woede ontstak. Ook werden de inwoners er door versterkt
en was het als een pleister op de wond van kapitein Geloof. Inderdaad in
zulk een benauwden tijd waren zulke moedige woorden der hoofden des
volks als waterdroppelen op een dorstig land.
De heer Vastewil toonde zich intusschen ook een man in daden, want
terwijl de kapiteins en soldaten in het veld waren, hield hij de wacht
in de stad, en waar hij een Diábolus-man vond, daar moest deze de kracht
zijner hand en de scherpte van zijn zwaard ondervinden. Hij verwondde
onder dit gespuis Spotter, Overmoed, Neuswijs en Murmureerder; dit waren
heeren, en verscheidene van het mindere soort kwamen er niet beter af.
De aanleiding, die hij daartoe kreeg was de afwezigheid der kapiteins,
waarvan deze vagebonden gebruik wilden maken om een oproertje te
verwekken. Daarop waren de anderen in allerijl naar hunne holen
teruggekropen.
[Afbeelding: DE VAL VAN KAPITEIN GELOOF.]
Deze moedige daad van den heer Vastewil woog eenigszins op tegen de
nederlaag der kapiteins en deed Diábolus weten, dat Menschziel zoo
gemakkelijk niet te nemen viel. De tiran klapwiekte trotsch met zijne
vleugelen en maakte zich tot een nieuwen aanval gereed. Waar ik hen eens
geslagen heb daar kan ik het meer doen, dacht hij. Dies beval hij zijn
volk zich tegen een bestemd uur op den dag gereed te houden, en al hunne
macht aan de Voelpoort te concentreeren om te beproeven of men daar ook
inbreken kon. Het wachtwoord, dat hij aan de zijnen gaf, was „Helsch
vuur”. „Laat toch”, zeide hij, „wanneer wij in de stad mogen
binnendringen, ’t zij een gedeelte onzer macht of het geheele leger, dat
woord niet worden vergeten, laat er niets anders binnen de stad gehoord
worden dan „helsch vuur! helsch vuur!” Laat de trom zonder ophouden
worden geslagen, en alle vlaggen uitwaaien! Houdt u mannelijk tegen
Menschziel en overwint!”
Toen het bestemde nachtelijk uur geslagen was en alles gereed, deden zij
een onverwachten aanval op de Voelpoort, en stieten eindelijk na eene
hevige worsteling die poort wijd open. Ach, deze poort was zeer zwak en
daarom het gemakkelijkst in te nemen. Toen de tiran het zóover gebracht
had, stelde hij daar zijne kapiteins Pijniger en Zonder-rust, terwijl
hij zelf zich verder in de stad waagde. Maar ’s Prinsen kapiteins kwamen
op hen af en maakten het hun lastig genoeg, zich flink verwerende.
Evenwel drie hunner, de beste en kloekmoedigste, waren verwond en
onbekwaam dienst te doen zooals zij begeerden, en de overigen hadden
hunne handen vol met de Twijfelaars en hunne aanvoerders. Zoo worstelde
het al voort in de straten der stad en de kapiteins ziende, dat zij het
niet konden uithouden, begaven zich in allerijl naar het kasteel, als de
voornaamste sterkte der stad. Dit wilden zij tot elken prijs voor hunnen
vorst behouden; het was het kroondomein.
Daar nu de kapiteins in het kasteel waren gevloden nam de vijand zonder
veel tegenstand bezit van de stad en verspreidde zich daar in alle
hoeken, onophoudelijk roepende: „Helsch vuur, helsch vuur!” zoodat een
wijle door de gansche stad niets anders gehoord werd dan deze legerkreet
vergezeld van Diábolus trom. Nu hingen er wel donkere wolken boven
Menschziel en had het niets anders dan zijn ondergang voor oogen.
Diábolus kwartierde zijne soldaten bij de burgers in, ja zelfs het huis
van den Onderleeraar was zóo vol van deze buitenlanders, dat zij er
kwalijk in konden, en niet beter ging het met de woningen van de heeren
Burgemeester en Vastewil. Ach, er was geen hut, stulp of schuur, die
niet van dit ongedierte wemelde; zelfs dreven zij hier en daar de
inwoners der stad uit hunne woningen, waar de Twijfelaars zich te bed
legden en aan tafel zetten. Ach, arm Menschziel, nu smaakt gij de
vruchten der zonde en welk een venijn er stak in de vleiende woorden van
Vleeschelijke Gerustheid! Alles waar zij de hand aanlegden beschadigden
zij; zelfs staken zij de stad op sommige plaatsen aan brand; kleine
kinderen werden in stukken gescheurd. Dat kon nu niet anders gaan, want
welke barmhartigheid, welk medelijden of welk geweten kan men bij een
buitenlandschen Twijfelaar onderstellen? Ook werden vrouwen en maagden
geschonden en beestachtig mishandeld, zoodat er sommigen zelfs van
stierven en onbegraven langs de straat lagen.
Nu scheen Menschziel dan ook niets anders te wezen dan een hol der
draken, een voorportaal der hel, eene plaats van uiterste donkerheid. Nu
lag Menschziel daar als een huilende wildernis, bedekt met doornen en
distelen, allerlei onkruid en onreinheid, terwijl de inwoners er
ellendig aan toe waren. Ook den heer Geweten hadden zij verwond en zijne
wonden waren zóo ingekankerd, dat hij dag noch nacht rusten kon, maar
als voortdurend op een pijnbank lag. Hadde El-Schaddaï hem niet bewaard,
dan zouden ze hem zeker doodgeslagen hebben. Den heer burgemeester
mishandelden zij zoo vreeselijk, dat ze hem bijna de oogen uitsloegen,
en ware de heer Vastewil niet in het kasteel geweken, dan was ook hij
omgekomen, want hun voornemen was hem in stukken te houwen. Zij zagen
hem dan nu ook aan als een der ergste vijanden van Diábolus.
Dagen achtereen kon men nu Menschziel doorwandelen, dat men nauwelijks
éen godsdienstig man in de stad ontmoette. Welk een treurige toestand!
Overal zag men niet anders dan Twijfelaars. Rood-rokken en zwart-rokken
liepen bij troepen door de straten en vervulden de huizen met hun
liederlijke liederen, leugenachtige verhalen en lasterlijke taal tegen
El-Schaddaï en zijn zoon. Ook leefden de Diábolus-mannen in de wallen en
holen op, en kwamen zelfs open en vrij voor den dag, wandelend in
gezelschap der Twijfelaars. Ja, zelfs hadden zij meer vrijmoedigheid om
zich in het openbaar te vertoonen dan de inboorlingen zelven.
Toch waren Diábolus en zijne mannen niet met Menschziel tevreden. Zij
werden daar geenszins behandeld als de kapiteins en soldaten van
Immanuel. De burgers toonden hun overal een stuursch gelaat, en nooit
kregen zij iets voor hun levensonderhoud of zij moesten het met geweld
halen. Men verbergde alles voor hen wat men maar eenigszins kon, en wat
men niet verbergen kon stond men tegen wil en dank af. Zij hadden dat
vreemde volk gaarne zien heengaan, maar, ach arme! zij waren nu hunne
gevangenen en werden tot alles gedwongen. [Rom. 7.]
De kapiteins lieten ook uit het kasteel telkens hunne slingers op hen
spelen, hetgeen den vijand zeer verbitterde. Wel is waar ondernam
Diábolus het dikwijls de poorten van het kasteel open te breken; maar de
heer Vreeze Gods was poortwachter gemaakt, en hij was een man van beleid
en dapperheid, daarom trachtten zij tevergeefs zoolang hij leefde dit
werk ten uitvoer te brengen. Daarom bleven alle aanvallen van Diábolus
vruchteloos. Ik kon somtijds den wensch niet onderdrukken, dat deze man
het geheele bestuur van Menschziel op zich genomen had!
[Afbeelding: MENSCHZIEL INGENOMEN.]
Zoo ging het in de stad wel omtrent twee en een half jaar. Menschziel
was nu het tooneel van den oorlog; de inwoners waren in verborgen
plaatsen en holen gedreven en alle heerlijkheid lag in het stof. Welke
rust kon er nu zijn? Welken vrede kon men genieten? Welke zon zou nu
schijnen? Hadden de vijanden nog buiten de muren en poorten gelegen, dan
zou die tijd voldoende geweest zijn om hen uit te hongeren; maar nu
waren zij binnen de stad, deze was hun legerplaats, zij maakten
daarbinnen hunne loopgraven en sterkten tegen het kasteel. Zij hielden
daar huis tot zij alles weggeroofd zouden hebben en wachtten er op het
kasteel te verbreken en te verwoesten. Ach, welk een armzalige plaats
was nu dat eertijds zoo gelukkig Menschziel!