In „De Heilige Oorlog” bezitten wij een van de meesterstukken onder de
allegorische werken van den Onsterfelijken Bunyan. Met zijn
„Christenreis naar de eeuwigheid” vergeleken is het eene allegorie van
geheel verschillende stijl en karakter, voorstellende een andere
gestalte der bevinding. Bunyans Heilige Oorlog mag met alle recht
genoemd worden „de geschiedenis van ’s menschen ziel.”
In dit opzicht verschilt deze tegenwoordige beeldspraak van het vroegere
werk van den uitstekenden droomer; „de Christenreis” handelt over de
uitwendige omstandigheden van eens Christens pelgrimstocht, in zooverre
zij voor het geestelijk leven voordeelig of schadelijk zijn, en daardoor
invloed uitoefenen op de innerlijke gemoedswerkzaamheden van den
Christen. De _Heilige Oorlog_ behandelt de inwendige worstelingen der
ziel, en gaat vandaar tot de uitwendige gevolgen over, waar zij ’s
menschen geluk en vrede bewerken. De Pelgrimstocht beschrijft de
vijanden van buiten, die de ziel aanvallen, terwijl de Heilige Oorlog de
inwendige vijanden beschrijft, die alle menschelijk geluk, ja zijn leven
bedreigen.
Uit deze oorzaak hebben velen de gelijkenis van den „Heiligen Oorlog”
zelfs als een veel geestelijker werk dan de „Christenreis” beschouwd, en
wellicht is dit eerste daarom ook door de groote menigte minder verstaan
en gewaardeerd. Deze leerrijke gelijkenis is een ontleder van het hart
in de geestelijke ontleedkunde der ziel. Zij is een geestelijke spiegel,
die doet uitblinken wat de mensch was, wiens slaaf hij werd, welke
oorlogen en gevechten, welke worstelingen en aanvallen gewaagd en
uitgestreden moeten worden, vóor Christus weder op den troon zit in het
hart en de verloren Menschenziel kan zingen het nieuwe lied, dat de
herwonnen Menschenziel waardig is.
De twee groote denkbeelden, die het geheele werk beheerschen zijn de
Verloren en Herwonnen Menschenziel, en doen ons denken aan Miltons
Verloren en Herwonnen Paradijs. De eerste zinspeling, toegepast op de
stad Menschziel heeft het oog op ’s menschen ziel in het algemeen, maar
verder in het bijzonder op dat wezen, hetwelk ziel genaamd, ’s menschen
_ik_ aanduidt, waarop eens Gods beeld en zegel werd gedrukt. Het was
Gods handenwerk, en evenals al Gods werken, werd het „zeer goed”
genoemd. Het was onder al Gods scheppingen het naast in gelijkenis en
het innigst in liefde aan God verwant: „God schiep den mensch naar zijn
beeld.” De ziel werd geschapen om Gods tempel te wezen, de plek, waar
zijn troon stond. Het kasteel van Menschziel is het hart; de wallen zijn
het lichaam of het vleesch, en de poorten de vijf zinnen -- vandaar hun
zeer verstaanbare benamingen. De bewoners van de stad zijn het verstand,
het geweten, de wil, de lusten, de gedachten -- de duizenden gedachten,
die in de ziel rondwriemelen. Dit zijn de mannen, vrouwen en kinderen
der stad, aldaar ontvangen, geboren, gevoed, en aldus opgroeiende in
daden ten goede of ten kwade. Deze koninklijke verblijfplaats viel in de
vernielende handen van satan of _Diàbolus_ en zijne hoofdmannen; de
woorden veraanschouwelijkende van den wijsten der koningen -- die
samenvatting van de geschiedenis der menschheid: -- „Ziet, dit heb ik
gevonden, dat God den mensch goed gemaakt heeft; maar zij hebben vele
vonden gezocht.” [Pred. 7:29.]
Dit droevig einde van de gevallen Menschenziel wordt nu aanleiding tot
de openbaring van Gods heerlijkheid. Dit breken van het heilig verbond
tusschen God en den mensch brengt al dadelijk den Zone Gods in het
geding; deze komt de gevallen creatuur te hulp. _Immanuel_ maakt nu met
zijnen Vader een verbond, dat Hij zelf de ziel onder de souvereiniteit
van God zal terugbrengen; en dit vervult Hij door zijn dood en zijne
offerande en de daarop volgende werkingen van den Heiligen Geest.
Maar intusschen heeft Satan den troon in Menschziel opgeslagen en daar
een nieuwe regeering aangesteld. De overweldiger moet verjaagd worden.
Diensvolgens begint de worsteling, en hier daalt de allegorie af tot het
bijzondere; tot uw ziel en de mijne. De ziel wordt door Christus
hernomen; maar daar zijn nog die loerende handlangers van Diàbolus, het
zaad des boozen in het hart, het overschot van het onkruid, het
overblijfsel van den „ouden mensch” en de bedorven natuur. Deze
veroorzaken menigmaal geestelijke schade aan de ziel; zij bedroeven den
Heiligen Geest, en drijven somtijds Christus weg van zijnen troon. Satan
treedt spoedig weder binnen, en moet weder verhuizen. Afwisselend geluk
en tegenspoed zijn de toestanden van ons eigen geestelijk leven,
brengende ons dichter bij Christus of houdende ons verder van Hem
verwijderd dan weleer.
Zoo is de aard van dit onnavolgbare werk -- DE HEILIGE OORLOG. Wij
wilden nu slechts de aandacht van den godzalige en den goddelooze, van
het vrijgemaakt kind Gods en den gekluisterden slaaf des satans, van den
zwakke in het geloof en den bevenden, twijfelenden Christen op dit
wondervolle tooneel van strijd vestigen.
[Afbeelding]
[Afbeelding]