ZIJN LEVENSEIND.

Lijden om des gewetens wil bleef Bunyans deel tot het einde. Zijn

weinige gehechtheid aan de staatskerk en zijne evangelische getrouwheid

brachten hem dikwijls in onaangenaamheden met de overheid, en deze heeft

hem meer dan eens van zijne goederen beroofd. Zijn kerkgebouw werd zelfs

eene wijle gesloten en hij moest zijne vergaderingen in het open veld

houden.

Temidden van al deze onzekerheid voor de toekomst vermaakte hij aan

zijne innig geliefde vrouw alles wat zijn eigendom was bij een document,

dat gedagteekend is van den 23^{sten} December 1685. Hij, „John Bunyan,

kopersmid, gaf, door innige liefde gedreven, aan haar alle goederen, die

hij bezat, zoowel roerend als onroerend, en alle schuldvorderingen, waar

die ook mochten gevonden worden.”

Aldus op alles voorbereid was hij tijdig en ontijdig in zijn Meesters

werk. Zijn roem groeide telkens aan. Van alle zijden werd het hem

moeielijk gemaakt door overstelpende bezigheden. Hij werd beter met

boeken vertrouwd, en zijne groote kennis der menschelijke maatschappij

bracht hem eigenaardige voordeelen aan. Alles werd tot zijn doel

aangewend; hij kon alles gebruiken; menigmaal werden onderwerpen uit het

dagelijksch leven aangehaald om als illustratiën te dienen, en niet

minder staatkundige gebeurtenissen of de geschiedenis van den dag. Als

hofprediker van den Lord Mayor van Londen, tot welk ambt hij eens

geroepen werd, of als gast der eenvoudige hutbewoners in afgelegen

dorpen, wien hij na het landelijk maal het Evangelie prediken zou,

altijd was hij dezelfde, altijd bleek zijne vurige begeerte om anderen

nuttig te wezen en tot God te leiden.

In het voorjaar van 1688 leed hij veel door de zweetziekte,[2] en het

scheen zelfs, dat hij er aan sterven zou. Gedeeltelijk herstelde hij wel

weer, en eindelijk meende men zelfs, dat hij zijne volle kracht

terugbekomen had. Maar zijn einde was op handen en het duurde niet lang

of het kwam. Eer zelfs dan hij of zijne zoo innig aan hem verkleefde

echtgenoote vermoed hadden, want hij stierf waar zij hem niet bijtijds

kon bereiken, twee dagreizen van huis.

[2] Deze vreemde ziekte, die slechts een verloop van enkele uren had,

meestal met doodelijk einde, sleepte omstreeks dien tijd in Engeland

vele honderden ten grave.

Hij was door een jongeling zeer dringend verzocht eene poging te doen om

hem met zijn vader te verzoenen, die gedreigd had hem te zullen

onterven. Daar was in het geheel geen kans op dan alleen door een

persoonlijk bezoek, en daartoe moest Bunyan eene reis ondernemen van

Bedford naar Reading, een afstand van vijftig mijlen.[3] Hij ondernam

dien tocht te paard en slaagde zoo goed in zijne opofferende

onderneming, dat de vader er in toestemde zijn zoon te vergeven en de

bedreiging introk. Zeer verblijd over den goeden uitslag, besloot Bunyan

Londen op de terugreis aan te doen, waar die jongeling woonde. Hij wilde

hem zelf de goede tijding brengen. Het weder was buitengewoon onstuimig

en de reis viel hem zuur. Toen hij de woning van zijn vriend Shaddoks op

Sneeuwheuvel bereikte, overviel hem de koorts, en ofschoon er eerst alle

hoop was op zijn herstel, stierf hij tien dagen later. De datum is

onzeker, daar de opgaven verschillen tusschen den 12^{en}, 17^{en} en

31^{sten} Augustus 1688.

[3] Ongeveer achttien uren.

[Afbeelding: BUNYANS GRAF IN BUNHILL FIELDS.]

Bunyans dood was een waardig besluit van zijn leven. Zijne lenden waren

omgord en zijne lamp brandende. Hij bleef getrouw tot den dood. Hij

blies den laatsten adem uit, verzegelende, dat God waarachtig is. „Wat

zoudt gij beter voor mij kunnen begeeren,” zeide de stervende tot de

omstanders, „dan wat God mij te zien geeft in het heerlijk visioen,

waarmede Hij mij verwaardigt? Mijne begeerte is, dat gij heilig moogt

leven en _eenmaal komen om het te zien_. Ik ga naar den Vader van onzen

Heer Jezus Christus, die mij zonder twijfel uit kracht van het

verzoenend bloed van zijnen Zoon, aannemen zal, ofschoon ik een zondaar

ben. Weent niet over mij. Wij zullen elkander eerlang weder ontmoeten om

het nieuwe lied te zingen en eeuwig samen gelukkig te zijn.” Hij wist,

dat hij in den hemel een beter en onsterfelijk leven tegemoet ging.

Het lichaam werd te Bunhill Fields begraven temidden van vele treffende

bewijzen van algemeene liefde en eerbied. Te Bedford was de smart hevig,

in het bijzonder bij de gemeente, die nu herderloos was, maar niet

minder in heel den omtrek. Het was nog geen veertien dagen geleden, dat

zij hunnen herder, leeraar, vriend en stadgenoot hadden zien wegrijden

op zijn Samaritanentocht der barmhartigheid naar Berkshire, en toen zag

hij er niet minder sterk uit dan vroeger, een krachtig, flink gebouwd

man van zestig jaren. Sommigen hunner hadden hem eerbiedig goeden dag

gezegd, anderen meer familiaar en vriendschappelijk gegroet.

En nu was hij reeds dood en begraven. Bij zijne bijzondere

vriendelijkheid voor een verstootene had hij zijn leven ingeboet. In den

dienst van zijnen Heer en Heiland was hij ingesluimerd en tot zijne

vaderen vergaderd. Grootmoedige, eerwaardige Bunyan! Gij rust van uwen

arbeid en uwe werken volgen u na. Uw loopbaan was moeielijk, maar gij

waart standvastig. Gij werdt zwaar beproefd en diep bedroefd, maar gij

bleeft getrouw. Uw pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende loopt

evenwijdig met uw eigen, bewonderenswaardigen, onnavolgbaren droom, van

het begin af tot aan het zegevierend en God verheerlijkend einde.

[Afbeelding]

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 15 / 56 题