Dr F. W. C. Krecke, _Handboek der Algemeene Natuurkundige Aardrijkskunde_,
vijfde uitgave. -- _Patria Belgica_, publié sous la direction d'Eug. Van
Bemmel. 3 deelen. 1873-75. -- Émile De Laveleye, _De Landbouwkunst in de
Nederlanden; I. België_. 1865. -- Alf. Jourdain et L. Van Stalle,
_Dictionnaire encyclopédique de géographie historique du royaume de
Belgique_. 2 deelen. 1896. -- Dr H. Blink, _Onze Aarde. Handboek der
Natuurkundige Aardrijkskunde_. 1890. --El. Reclus, _Nouvelle Géographie
Universelle_. IV. 1879. -- Cd Busken-Huet, _Het Land van Rubens_. 1881. --
Jules Cornet, _Premières notions de Géologie_. 1903. --Fr. von Hellwald,
_Die Erde und ihre Volker_. 1878. -- Henry Havard, _La Terre des Gueux_.
1877. -- Prof. H. Kern, _Opmerkingen over het Nederlandsch volkskarakter_,
nr 8 van _Studies in Volkskracht_. 1904. --Ant. Sanderus, _Flandria
illustrata_. 1641. -- Luigi Guicciardini, _Descrizione de tutti i
Paesi-Bassi_.1567.
EEN BLIK OP DE GESCHIEDENIS DER VLAAMSCHE GEWESTEN TOT WATERLOO DOOR PAUL
FREDERICQ
Ruwe volksstammen bewoonden oudtijds Belgiës bodem, alsdan deels moerassig
aan de kust en in het lage binnenland, deels heuvelachtig en met bosschen
bedekt naar het Zuiden en het Oosten toe. Omstreeks 't jaar 50 vóór
Christus' geboorte werden die «Barbaren» ontdekt en onderworpen door Julius
Cæsar, den beroemden veldheer der Romeinsche Republiek, die ons in het
verhaal zijner krijgstochten het eerste volledig en schilderachtig tafereel
leverde van de toenmalige bewoners van ons Vaderland.
Alzoo werden, in de laatste jaren der negentiende eeuw, de negers van
Middel-Afrika aan de watervallen der breede Congo-rivier door Stanley en de
Belgische officieren van koning Leopold II ontdekt en in den stroom der
beschaving getrokken.
Tusschen die twee ontdekkingen in van wilde stammen ligt onze geheele
geschiedenis van België, die een tijdverloop van nagenoeg twee duizend
jaren omvat.
In zijne gedenkschriften roemt Cæsar den moed dier Belgische volksstammen:
_Horum omnium fortissimi sunt Belgae_ (de Belgen zijn de dapperste aller
bewoners van Gallië). Maar die Keltische of Gallische Belgen, door Rome
veroverd, leerden en spraken weldra Latijn, de taal hunner beheerschers en
beschavers, en zij werden de voorvaderen der Walen; terwijl later
aangekomen Germanen, vooral Franken, en ook voor een deel Friezen en
Saksen, de stamvaders der Vlamingen werden.
Onder die Franken stonden mannen op als Hlodowig (Clovis), koning van
Doornik, die het koninkrijk _Francia_ stichtte en zijne hoofdstad naar
Parijs overbracht; Karel met den strijdhamer (_Martellum_), die in 732 bij
Poitiers de wassende zee van den aanspoelenden Islam stuitte; en Karel de
Groote (_Carolus Magnus)_, die in 800 tot Keizer van 't Westen werd
gekroond. Dat waren de eerste groote Vlamingen uit den voortijd.
Het machtig Rijk van Karel den Groote viel aan brokken en de Schelde werd
de grens tusschen _Francia_ en _Alemania_. Aan beide oevers van den kalmen
stroom ontstonden het graafschap Vlaanderen (863) en het hertogdom
Lotharingen, die beide eerst geheel en al onder den invloed der Germaansche
beschaving stonden, zelfs in de Waalsche gewesten, vooral te Luik en te
Doornik.
Omtrent 't jaar 1000 werd integendeel de Fransche beschaving
overheerschend. Het Duitsche Rijk was verdeeld en onmachtig geworden. De
Fransche Kroon begon hare staatkundige, intellectueele en kunstheerschappij
in West-Europa. Doch, in 't gebied van Schelde en Maas, waren bloeiende
handels- en nijverheidssteden geboren, die een onafhankelijk leven wilden
leiden tusschen Duitschland en Frankrijk.
Vooral de Dietsche gewesten streefden naar eene eigene Vlaamsche beschaving
en in het midden der 13de eeuw verkondigde een West-Vlaming, Jacob van
Maerlant, aan zijn volk in de moedertaal de geheimen van den godsdienst,
van de natuurwetenschap en van de wereldgeschiedenis, zooals men ze alsdan
slechts in de geleerde taal van den tijd, in 't Latijn op de Hoogescholen
in andere landen leeren kon. Brugge, Gent en Ieperen, weldra ook Antwerpen,
Leuven, enz., werden brandpunten van nijverheid, handel en stoffelijken
welstand, vrijheid, volksverlichting en kunst.
En toen de overmoedige Fransche Koning in 1300 het graafschap Vlaanderen op
den impopulairen landheer inpalmde en aldus een begin scheen te maken met
de trapsgewijze verovering van ons tegenwoordig vaderland, stonden weldra
de Vlaamsche ambachtslieden en boeren op het slagveld der Gulden Sporen, te
Kortrijk (1302), om Vlaanderen en de naburige streek voor Fransche
annexatie te redden. Breidel en De Coninc, Willem van Gulik, Zannekijn, de
twee Arteveldes, Pieter Van den Bossche, Frans Ackerman en zooveel andere
helden zijn dan de groote Vlamingen, die «de koningen doen beven» en aan de
onderdrukte bevolkingen van Frankrijk en van Engeland tot lichtbaken in de
duisternis dienen, zooals de gelijktijdige Waalsche kroniekschrijver
Froissart met ontzetting te boek stelde.
De Vlaamsche lakenweverij bevoorraadt geheel Europa. De hallen, belforten
en stadhuizen komen prachtig uit den grond te Ieperen, te Brugge, te Gent
en in de kleinere gemeenten. De halle van Ieperen is het grootste
burgerlijk gebouw der middeleeuwen. De didactische dichterschool van
Maerlant en de mystieke prozaschrijvers met den grooten Brabander Jan van
Ruusbroec aan het hoofd leveren het geestesvoedsel in de moedertaal aan de
Vlamingen, terwijl de verfransching in de hoogere standen reeds aan 't
woekeren is.
[Illustration: Standbeeld van Jacob van Artevelde te Gent]
[Illustration: Halle te Ieperen]
In de 15de eeuw is er behoefte aan toenadering en eenheid. Een
vorstengeslacht uit Frankrijk afkomstig, de vier hertogen van Bourgondië,
stichten die eenheid op de puinhoopen der gemeentevrijheden. Onder hunnen
krachtigen schepter rijst in 't Westen eene nieuwe mogendheid op, die men
eerst met den aarzelenden naam van _Landen van herrewaarts over_, weldra
met dien van _Nederlanden_ aanduidt, naar de «lage landen bij de zee»,
tusschen Frankrijk, Duitschland en Engeland. Groote bouwmeesters,
beeldhouwers en schilders maken den naam van Vlaming vermaard over Europa.
De Van Eycks, Memlinc, zooveel anderen behooren tot de schitterende
Brugsche schilderschool, wier houten paneelen nu nog het sieraad zijn der
kerken en der museums in de geheele wereld. Glansrijk bloeit de bouwkunst
in de stadhuizen van Brussel, Leuven, Aalst, enz., terwijl de meesterlijke
beeldhouwwerken, waarvan zoovele in den beeldenstorm van 1566 vernietigd
werden, nieuwe wegen openen voor die edele kunst in West-Europa. Doch onder
de Franschgezinde hertogen wordt de volkstaal niet in eere gehouden. De
Vlaamsche letterkunde kwijnt, terwijl eene Fransche hofletterkunde bloeit
met Jean le Bel van Luik, Jean Froissart van Valencijn, Georges Chastellain
van Aalst en Philippe de Comines van Komen.
[Illustration: Keizer Karel V]
Zoo breekt de zestiende eeuw aan. De Duitsche Habsburgers, evenals de
Bourgondische hertogen, door een huwelijk in onze geschiedenis getreden,
komen op den troon en de derde van hun geslacht, een Gentenaar, vereenigt
op zijn hoofd de kronen van de Nederlanden, van Spanje en van het Duitsche
Rijk: 't is Keizer Karel of Karel V, die geheel West-Europa tot in 1555
beheerscht. De fraaie kunsten vervolgen hunnen bloei: Quinten Matsijs en
zijne Antwerpsche schilderschool zijn de erfgenamen der Brugsche meesters;
te Oudenaarde, te Gent, te Middelburg rijzen prachtige stadhuizen op en
Erasmus, van Rotterdam, die, eilaas! zijne moedertaal veracht en in het
geleerde Latijn schrijft, is de intellectueele koning van Europa, iets als
Voltaire tijdens de 18de eeuw. Op œconomisch gebied staan de rijke
nijverige Nederlanden aan de spits in 't Westen en Antwerpen wordt de
grootste handelshaven, het Londen van den tijd, en tevens de hoofdstad der
pas uitgevonden boekdrukkunst in het Noorden.
Doch, naast den ouden strijd voor de staatkundige vrijheid, begint nu een
kamp voor de nieuwe vrijheid van denken en gelooven. De volksletterkunde
fleurt weer op en weerspiegelt de hartstochten van de godsdienstige
twisten: de schoolmeesteres Anna Bijns, van Antwerpen, in hare mannelijke
_Refereynen_ tegen Luther en de «vermaledide Luterisce secte» en de
Brusselsche edelman Philips van Marnix van Sint-Aldegonde in zijnen
_Byenkorf der H. Roomsche kercke_ en in zijn _Wilhelmus_ staan vooraan in
de rangen der geusche en antigeusche letterkunde van den tijd.
[Illustration: Marnix van St-Aldegonde]
Onder Philips II, die van Spanje uit, onze Nederlanden op zijn Spaansch wil
onderjukken, breken de Nederlandsche beroerten uit (1566). De opeenvolgende
bedrijven van dat bloedig heldhaftig treurspel zijn: het Eedverbond der
Edelen, de Beeldenstorm, Alva's schrikbewind, de verwoesting van Antwerpen
en van andere bloeiende steden door de Spanjaarden, de tijdelijke
verzoening van katholieken en protestanten bij de Pacificatie van Gent,
hunne spoedige afscheuring in de vijandige Unies van Atrecht en van
Utrecht, de moord van den Prins van Oranje, de val van Antwerpen (1585),
voorafgegaan door dien van al de Vlaamsche en Brabantsche steden en van het
verraad der Waalsche Malcontenten.
[Illustration: Willem De Zwijger]
Van die scheuring af dagteekent eerst de verdeeling der Nederlanden in twee
afzonderlijke Staten, die tot aan den slag van Waterloo naast elkander,
doch schier vreemd aan elkander, een afzonderlijk leven hebben geleid. Het
is het groote keerpunt, het beslissend uur in onze vaderlandsche
geschiedenis.
De handel, de nijverheid, de vrijheid, de letterkunde, de wetenschap
verhuisden naar het Noorden met de tienduizenden protestantsche Vlamingen
en Brabanders (en ook minder talrijke Walen), die er de wijk nemen, omdat
Zuid-Nederland zijne onroomsche kinderen geene plaats meer onder de zon
aanbood; en daar stichtten zij, eendrachtig met de Hollanders, de Zeeuwen,
de Stichtschen, de Gelderschen, de Friezen en de Groningers de heldhaftige
Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden tusschen Schelde en Eems aan de
kust der Noordzee. Te gelijk waren de Zuidelijke gewesten, vooral Brabant
en Vlaanderen (eens de rijkste en bloeiendste der zeventien provinciën vóór
de godsdienstige beroerten) nu diep vervallen tot de verarmde, ontvolkte en
uitgeputte Spaansche of Katholieke Nederlanden. Het groote bloeiende
Dietsche rijk van de hertogen van Bourgondië en van Keizer Karel was in
twee helften van elkander losgescheurd.
Verbazend is het getal der mannen van beteekenis, die, van Zuidelijke
afkomst, de grootheid en den roem der Noordelijke Republiek hebben helpen
vestigen. Wij noemen slechts de philologen Daniël Heinsius van Gent,
Bonaventura De Smet (Vulcanius) van Brugge en Justus Lipsius van Overijsche
(bij Brussel), die later tot de Roomsche kerk terugkeerde en het sieraad
der Leuvensche hoogeschool werd; den grondlegger der wetenschappelijke
plantenkunde Rembert Dodoens (Dodonæus) van Mechelen; den wiskundige Simon
Stevin van Brugge, den leermeester van Prins Maurits, zoon van Willem den
Zwijger; den boekdrukker Louis Elzevier van Leuven; den zeevaarder Izaäk Le
Maire van Doornik, die in 1615 de zeestraat naar hem genoemd bij de
Zuidpool ontdekte; de groote financiemannen en kooplieden Balthazar
Moucheron en Willem Usselinckx van Antwerpen, beide zoo zeer bemoeid in de
Oost- en West-Indische Compagnies; de geografen Joost de Hont en Philips
van Lansbergh van Gent en Jan de Laet van Antwerpen; de historieschrijvers
Jean le Petit van Bethune (Fransch-Vlaanderen) en Emmanuel van Meteren van
Antwerpen; de schilders Gerard de Lairesse van Luik, Frans Hals van
Mechelen en Karel van Mander van Meulebeke (bij Tielt); den dichter Jacob
van Zevecote van Gent en aller dichtren prins Joost van den Vondel, geboren
te Keulen uit Antwerpsche ouders; een leger van godgeleerden en
predikanten, waaronder de beroemde Gomarus van Brugge, die eene
beslissende rol speelde op de Synode van Dordrecht in 1618; een leger van
staatslieden met Willem den Zwijger, te Brussel grootgebracht, en den
Brusselaar Marnix van Sint-Aldegonde aan hun hoofd; enz., enz.
De Leidsche hoogeschool, in 1575 gesticht, wordt de eerste van Noord-Europa
en hare beste professoren zijn bij den aanvang in meerderheid
Zuid-Nederlanders. Openbare liefdadigheid en volksonderwijs worden
ingericht als in geen ander land van Europa.
De Hollandsche schilderschool ontwikkelt eene eenige oorspronkelijkheid met
Rembrandt, Hals, Ruysdael, Dou, Pieter de Hooch, Jan Steen, Vermeer en
zooveel andere onsterfelijke meesters.
De kleine provinciestad Amsterdam is eene wereldstad geworden; de oudere
Hollandsche, Zeeuwsche en Utrechtsche steden moeten alle hunne wallen
uitzetten en zien hunne bevolking en hunnen welstand verbazend stijgen. De
Nederlandsche Republiek wordt de eerste handels- en koloniale mogendheid
der wereld in de 17de eeuw.
Intusschen zieltoogt het door geweld katholiek gebleven Zuid-Nederland. In
de Vlaamsche en Brabantsche steden, die door de gedwongene protestantsche
uitwijking de bloem hunner burgerij en handswerklieden hebben verloren,
staan een derde der huizen te koop of te huur en vinden er geene
liefhebbers, zoodat de kloosterlingen der plattelandsche abdijen, welke in
den burgeroorlog verwoest waren geworden, geheele stadswijken voor een
appel en een ei meester worden en zich in iedere stad komen nestelen.
Buiten de steden zijn hoeven, stallingen, schuren en kasteelen in puin
gelegd; de onbebouwde verlatene akkers groeien vol distels, ginststruiken
en ander wild gewas. Wolven loopen het ontvolkte platte land af. De Schelde
is gesloten en Antwerpen houdt op eene zeehaven te zijn gedurende meer dan
twee eeuwen. De gewetensdwang en de geestelijke censuur op de boeken
belemmeren elke ontwikkeling van den menschelijken geest. Het onderwijs der
Jezuieten, Augustijnen en nonnen verkwezelt en verfranscht de hoogere
standen, en de volksschool ligt in eene erbarmelijke verwaarloozing
gedompeld. Terwijl in Holland de gouden eeuw der Nederlandsche letteren
schittert met Vondel, Hooft, Bredero, Cats en Huygens, levert de
letterkunde in Vlaamsch België niets anders op dan Pater Poirters en Willem
Ogier. Alleen op het gebied der fraaie kunsten, ten dienste meestal van
kerken en kloosters, leeft een tijdlang nog de oude verbazende kracht van
den Vlaamschen stam voort. De prachtige Antwerpsche schilderschool met
Rubens, Van Dijck, Jordaens, Teniers, enz. is de laatste glorievonk van het
uitdoovend nationaal genie.
[Illustration: P. P. Rubens]
Terwijl de Nederlandsche driekleur op alle zeeën en oceanen met glans en
eere wappert, terwijl de Nederlandsche Republiek de Europeesche diplomatie
beheerscht en door veldheeren als Maurits en Frederik Hendrik, door
admiralen als De Ruyter en Tromp, door staatslieden als Oldenbarnevelt en
Jan de Wit, door groote schilders en geleerden de bewondering en de afgunst
van het buitenland opwekt; terwijl eindelijk de stadhouder Willem III van
Oranje, koning van Engeland, als de redder van Europa's onafhankelijkheid
optreedt tot fnuiking der Fransche Wereldmonarchie van Lodewijk XIV; -- is
de zeventiende eeuw voor Vlaanderen het rampzaligste tijdvak onzer gansche
geschiedenis. De Spaansche katholieke Nederlanden zijn het bloedig en
weerloos slagveld der groote mogendheden geworden. Gedurende meer dan eene
eeuw, tot aan den Vrede van Utrecht (1713), werd er op onzen bodem oorlog
gevoerd om ons brokstukken van ons grondgebied te ontrooven: in 't Noorden
verloren wij aldus Zeeuwsch-Vlaanderen, Noord-Brabant, Maastricht en den
rechteroever der Maas ten gunste der Nederlandsche Republiek; in 't Zuiden,
Artois, Fransch-Vlaanderen, de helft van Henegouwen en eene strook van
Luksemburg, ten gunste van Frankrijk, dat ons land zelfs tijdelijk in zijn
geheel had ingepalmd (1700-1706). Ontelbare veldslagen en belegeringen
maakten eilaas! den naam onzer steden en onzer onbekende Vlaamsche en
Waalsche dorpen bloedig beroemd in de wereldgeschiedenis.
Ons land was op den rand van den afgrond, toen de groote mogendheden het
aan Spanje ontnamen om het, buiten onzen wil, aan Oostenrijk over te maken.
Als een lakei, die met eenen nieuwen meester ook van livrei moet
veranderen, verwisselden onze gewesten hunnen naam van _Spaansche_ met dien
van _Oostenrijksche Nederlanden_. In 't midden der achttiende eeuw kwam
eene tweede tijdelijke verovering van Frankrijk onder Lodewijk XV de
nationale rampen vermeerderen, waar de Vrede van Aken (1748) een einde aan
stelde. Dertig jaren van ongestoorden vrede volgden daarop onder de
moederlijke regeering van keizerin Maria Theresia, die eenige verademing
brachten. Ook wordt hare nagedachtenis nog in België gezegend; aan zulke
rust waren onze zwaargeteisterde voorouders niet meer gewoon. Daarenboven
toonde zich de Oostenrijksche regeering milder en verstandiger dan de
Spaansche. Het hooger en middelbaar onderwijs werden verbeterd, de landbouw
en de nijverheid aangemoedigd, de verschrikkelijke uitbreiding der
kloosters werd tegengewerkt, de opheffing der Jezuietenorde (na hare
afschaffing door paus Clemens XIV) in ons land in 1773 ook doorgevoerd en
de Academie der wetenschappen en letteren te Brussel opgericht (1772).
[Illustration: Jozef II]
Maria Theresia's schrandere zoon, keizer Jozef II bezocht in 1781 ons
vaderland, kort na zijne troonsbestijging. Sedert Philips II 's vertrek
naar Spanje in 1559 was hij de eerste vorst der Zuidelijke Nederlanden, die
zich gewaardigde onzen bodem te betreden en hij kwam er opzettelijk om onze
toestanden te bestudeeren. De vruchten zijner edelmoedige studiereis
bleven niet uit. Tal van hervormingen, uit Weenen naar ons land
overgebriefd, verrasten en schokten weldra keer op keer onze ingedommelde
voorouders: afschaffing der pijnbank, bedeesde verdraagzaamheid voor de
dungezaaide protestanten, opheffing der «onnoodige» kloosters, hervorming
der bisschoppelijke seminaries, herinrichting van het gerecht en van de
bestuurlijke instellingen en meer andere doortastende veranderingen,
meestal heilzame en dringende verbeteringen, die eenige jaren later door de
Fransche Omwenteling werden doorgedreven. Maar de katholieke geestelijkheid
en al degenen, die leefden van de voorrechten en misbruiken, ruiden het
verdwaasde volk op tegen die hervormingen, welke overigens door Jozef II
werden afgekondigd zonder acht te slaan op 's lands aloude grondwettelijke
waarborgen. De Brabantsche omwenteling, die belachelijke en beschamende
clericale naäperij van de groote Fransche van 1789, brak uit. Het
Oostenrijksch bewind werd omver geworpen, Jozef II stierf van verdriet,
onze voorouders op zijn sterfbed van ondankbaarheid beschuldigende, en
gedurende 360 dagen leefde ons land in eenen revolutionnairen staat van
potsierlijke onafhankelijkheid en clericale reactie onder den naam van
_États-Belgiques-Unis_, alweer eene onmachtige nabootsing van de vrije
Republiek der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die zich eenige jaren
vroeger tegen Engeland had vrijgevochten. Na minder dan een volle jaar
keerden de zegevierende Oostenrijksche legers terug; doch al de
hervormingen van Jozef II werden ingetrokken.
Maar dan begon de strijd tegen Frankrijk, die na een paar bloedige
veldtochten leidde tot de inlijving van Zuid-Nederland bij de Fransche
Republiek _une et indivisible_ onder de leus: _Liberté, Égalité, Fraternité
ou la mort_ (1794). Zuid-Nederland verdween van de kaart van Europa en werd
ingedeeld in Fransche wingewesten: _Départements de la Lys, de l'Escaut, de
la Dyle, des Deux-Nèthes, de la Meuse Inférieure, de l'Ourthe, des Forêts,
de Jemmapes, de Sambre-et-Meuse_. Dat was het tweede keerpunt in onze
vaderlandsche geschiedenis.
De kerkelijke en staatkundige instellingen, die zich sedert de middeleeuwen
gaandeweg ontwikkeld hadden, werden plotseling neergehaald en door
splinternieuwe vervangen. Al de voorrechten van geestelijkheid en adel
werden afgeschaft en door de burgerlijke gelijkheid aller inwoners
vervangen, hetgeen een niet genoeg te waardeeren hervorming was, waarvan
wij heden nog de zegeningen genieten. Doch, indien al de moderne vrijheden
werden afgekondigd, dit was slechts in de woorden en op het papier, want in
de werkelijkheid bleef de regeering almachtig; de Republiek en na haar
Napoleon I oefenden eene staatkundige dwingelandij uit, die zelden werd
geëvenaard. Daarenboven werden onze gewesten door Frankrijk letterlijk
uitgebuit.
De inlijving begon in 1794 met eene oorlogsbelasting van tachtig millioen
Fransche _livres_ op de steden, waarvan Brussel er vijf, Antwerpen tien,
Gent zeven, enz. moesten opbrengen. Al de rijkdommen in goud en zilver van
kerken, kloosters, neringen, ambachten en gilden werden aangeslagen, met
hamers aan stukken gebroken, in houten vaten gekuipt en naar Frankrijk
gezonden. De gedwongen koers van het waardeloos papieren geld (_assignats_)
en de stelselmatige afpersing van alle waren, levensmiddelen, vee, meubels,
stoffen, kunstschatten en verdere roerende eigendommen, onder den naam van
_requisities_, brachten eene onbeschrijfelijke ellende teweeg, gevolgd
door hongersnood en ziekten. Ondertusschen moesten onze wanhopige
voorouders eene officieele feestvreugde aan den dag leggen bij het planten
der vrijheidsboomen en hunne Fransche driekleur uitsteken op den _decadi_,
die den afgeschaften Zondag was komen vervangen, evenals de katholieke
kerken herschapen waren in _tempels der Rede_; de kloosters en abdijen
waren opgeheven en hunne goederen verkocht. Zoo brak de «gesloten tijd»
(1797-98) aan, die gekenmerkt werd door allerlei hatelijke of kleingeestige
vervolgingen tegen de priesters, die in 't geheim de mis lazen en de
sacramenten bedienden en die zich daardoor aan deportatie naar Cayenne
blootstelden. De ruw ingevoerde militaire loting (_conscriptie_) deed den
beker overloopen en den wanhopigen _Boerenkrijg_ uitbreken (1798-1799), die
na heldhaftigen tegenstand in het bloed gesmoord werd. Geen tijdvak onzer
geschiedenis, buiten de bloedige dwingelandij van Alva, in de 16de eeuw,
kan met de laatste jaren der achttiende eeuw onder het Fransche
schrikbewind worden vergeleken.
Het consulaat van Napoleon Bonaparte bracht eenige verademing. De vrede met
Europa, de inwendige openbare rust en de oude katholieke godsdienst werden
hersteld. Doch Napoleon zette de keizerskroon op zijn hoofd (1804) en zijne
onverzadelijke eerzucht veranderde geheel Europa, van Spanje af tot aan
Rusland, in een groot oorlogsterrein. De conscriptie eischte overal
kanonnenvleesch. De dwingelandij van den meester kende geene palen meer. De
moedertaal, reeds brutaal aan kant gezet bij den eersten dag der Fransche
inlijving, werd onmeedoogend vervolgd en uitgeroeid tot in de dagbladen,
straatnamen, uithangborden, testamenten en kwijtschriften. Vertwijfeling en
haat tegen de Fransche overheersching waren de alom heerschende gevoelens
in ons diep gezonken vaderland.
In al die rampen had Noord-Nederland ook zijn aandeel gehad. Het verzwakte
en ingedommelde gemeenebest der Zeven Vereenigde Nederlanden was, door
inwendige twisten en onder Franschen invloed, uiteengevallen en tot
vassaalstaat van Frankrijk gezonken onder den naam van Bataafsche
Republiek (1795). Napoleon veranderde haar in een _Royaume de Hollande_ met
zijnen broeder Lodewijk als koning (1806), en, toen deze niet slaafsch
genoeg aan zijne ongehoordste eischen gehoorzaamde, stiet hij hem van den
troon en lijfde Noord-Nederland bij het Fransche Keizerrijk in (1810). Op
hunne beurt waren ook de Hollandsche gewesten tot Fransche departementen
vervallen, vijftien jaren na Zuid-Nederland.
De Nederlandsche stam in Noord en Zuid scheen alsdan met eenen
onvermijdelijken ondergang bedreigd, toen Napoleon's val een historisch
mirakel mogelijk maakte: de verrijzenis der groote mogendheid van de
Bourgondische hertogen en van Keizer Karel onder den naam van _Koninkrijk
der Nederlanden_ met eenen Oranjevorst, eenen afstammeling van Willem den
Zwijger, op den troon.
Naast al hare vernederingen en onheilen had de Fransche overheersching ons
toch onloochenbare weldaden aangebracht: de gelijkheid aller burgers vóór
de wet met opheffing aller voorrechten van adel en geestelijkheid, de
heropening der Schelde (1795) na meer dan twee volle eeuwen, de scheiding
der bestuurlijke en rechterlijke machten (1796), waar Jozef II zijnen
onverdienden val grootendeels aan te danken had, de afschaffing der al te
talrijke en overrijke kloosters, de ernstige inrichting van den
burgerlijken stand, de verwereldlijking en verbetering van de openbare
liefdadigheid. Maar de vrijheid was onmeedoogend met de voeten getreden; de
moedertaal, de nationaliteit, het volksonderwijs en het Nederlandsch
karakter verwaarloosd en veracht.
Op het bloedig slagveld van Waterloo (1815) ging de zon der vrijheid en der
onafhankelijkheid op voor Europa in 't algemeen en in 't bijzonder voor ons
arme vaderland.