HANS. (Komt aarzelend door de fond-deur binnen.)

ANNE-MARIE. (Ziet hem.) Nu? Is hij al gevonden?

HANS. Ze zijn .... aan het dreggen .... in de gracht.

GAAIKE. (Krimpt ineen).

ANNE-MARIE. Dwaasheid! Hij zal ineens weer voor ons staan! Je zult het

zien, m’n kind! Wat zegt u, graaf?

HANS. (Starend:) Als hij .... morgen .... ook nog niet gevonden wordt

.... zal het wel te laat zijn.

ANNE-MARIE. Troost haar maar wat, graaf. Hans de klokkeluider was ....

was een speelkameraadje van haar en .... (Hans duidend haar te

troosten:) Nu, ik laat jullie maar alleen! (Met een aanmoedigenden knik

naar Hans, af.)

HANS. (Aarzelend, onzeker op Gaaike afgaand:) Gaaike .... Schrei je?

Hans de Klokkeluider · 第 41 / 64 题