TWEEDE TAFEREEL

(In den klokketoren.)

(Het tooneel is klein. In het midden bevindt zich een trap, die omlaag

leidt. Dieper in den fond een trapje, dat nog hooger gaat,—in den

torenzolder. Er zijn diepe nissen met galmgaten, waardoorheen men in

een grijsrooden avondhemel kijkt. Boven het tooneel hangt de groote

klok, waarvan alleen de onderkant met den klepel te zien komt. Het

klokketouw hangt er naast. De toren is van ruwe steen.)

(Als het scherm opgaat, zit Hans, de klokkeluider, in een der galmgaten

en tuurt naar buiten. Hij draagt een grijzen mantel los over de

schouders, een bruine kiel, hier en daar versteld, een grijze kuitbroek

en lage schoenen met gespen. Peinzende oogen, fijn gebouwd lichaam.)

HANS. (Mijmerend, starend in de wolken:) Wolken! Jullie bent als

onvervulbare wenschen, onbereikbaar hoog drijvend op vleugelen van den

luimigen wind. Waar komen jullie vandaan, waar ga je heen? (Dan, zacht

verlangend:) Gaaike .... Gaaike .... Gaaike .... Kom bij mij, Gaaike

.... Mijn toren is van ruwen steen, maar de vensters zijn kostbaar! Kom

bij mij, Gaaike .... Gaaike!

(Achter het tooneel klinkt een duivelslachje.)

HANS. (Stokt, luistert.) Wat is dat? Wie lachte daar? Was het de

torenhaan, die knarste? (Mijmerend:) De haan, die het hoogst van allen

staat en toch niet kraaien kan van vreugde. Dat komt er van, als je met

goud besmeerd bent! Je blinkt wel mooi, maar kraaien kun je niet,

alleen maar knarsen .... Gaaike.

(Boven op den torenzolder ratelt wat. Er piept een rat.)

HANS. Ratten op zolder? (Hij gaat de trap op, die naar den zolder

leidt.)

SATAN. (Springt uit een zijnis het tooneel op, buigt zich over de

leuning van de trap. Fluisterend:) Snuf!

SNUF. (Wipt uit den benedentrap, zijn guitaar los in de hand.

Rondziend:) Waar is ....?

SATAN. (Snel:) Ik heb hem even naar boven gestuurd. Is alles geregeld?

SNUF. (Knikt.) Ik heb me onzichtbaar gemaakt en het zwaantje hier naar

toe gelokt. Hoor maar! Ze komt er al aan!

SATAN. Prachtig. Is de rest ook in orde?

SNUF. Alles klopt. De koets wacht aan den rand van het bosch. Als ik

fluit, zóó .... (hij fluit zacht) zal ze op de stad aanrijden, de

lichten ontstoken, dat ze van verre al te zien is.

SATAN. En de sleutel van de schatkamer?

Hans de Klokkeluider · 第 12 / 64 题