(In den klokketoren.)
(Het tooneel is klein. In het midden bevindt zich een trap, die omlaag
leidt. Dieper in den fond een trapje, dat nog hooger gaat,—in den
torenzolder. Er zijn diepe nissen met galmgaten, waardoorheen men in
een grijsrooden avondhemel kijkt. Boven het tooneel hangt de groote
klok, waarvan alleen de onderkant met den klepel te zien komt. Het
klokketouw hangt er naast. De toren is van ruwe steen.)
(Als het scherm opgaat, zit Hans, de klokkeluider, in een der galmgaten
en tuurt naar buiten. Hij draagt een grijzen mantel los over de
schouders, een bruine kiel, hier en daar versteld, een grijze kuitbroek
en lage schoenen met gespen. Peinzende oogen, fijn gebouwd lichaam.)
HANS. (Mijmerend, starend in de wolken:) Wolken! Jullie bent als
onvervulbare wenschen, onbereikbaar hoog drijvend op vleugelen van den
luimigen wind. Waar komen jullie vandaan, waar ga je heen? (Dan, zacht
verlangend:) Gaaike .... Gaaike .... Gaaike .... Kom bij mij, Gaaike
.... Mijn toren is van ruwen steen, maar de vensters zijn kostbaar! Kom
bij mij, Gaaike .... Gaaike!
(Achter het tooneel klinkt een duivelslachje.)
HANS. (Stokt, luistert.) Wat is dat? Wie lachte daar? Was het de
torenhaan, die knarste? (Mijmerend:) De haan, die het hoogst van allen
staat en toch niet kraaien kan van vreugde. Dat komt er van, als je met
goud besmeerd bent! Je blinkt wel mooi, maar kraaien kun je niet,
alleen maar knarsen .... Gaaike.
(Boven op den torenzolder ratelt wat. Er piept een rat.)
HANS. Ratten op zolder? (Hij gaat de trap op, die naar den zolder
leidt.)
SATAN. (Springt uit een zijnis het tooneel op, buigt zich over de
leuning van de trap. Fluisterend:) Snuf!
SNUF. (Wipt uit den benedentrap, zijn guitaar los in de hand.
Rondziend:) Waar is ....?
SATAN. (Snel:) Ik heb hem even naar boven gestuurd. Is alles geregeld?
SNUF. (Knikt.) Ik heb me onzichtbaar gemaakt en het zwaantje hier naar
toe gelokt. Hoor maar! Ze komt er al aan!
SATAN. Prachtig. Is de rest ook in orde?
SNUF. Alles klopt. De koets wacht aan den rand van het bosch. Als ik
fluit, zóó .... (hij fluit zacht) zal ze op de stad aanrijden, de
lichten ontstoken, dat ze van verre al te zien is.
SATAN. En de sleutel van de schatkamer?