Een legger kaapse wijn kostte 40 Rijksd. Die van Constantia kostte
echter 80 Rijksd. voor vreemdelingen. Maar de Kompanjie gaf niet meer
dan 25 Rijksd.[51]
Aan de Kaap kostte de Constantia, in 't klein verkocht, 2 Spaanse
dollars ([f] 6.60) per fles.
Ten slotte dit: Op 26 Julie 1703 vroeg Ds. Bek om een som als
schadeloosstelling voor het gemis van een woning. Hem werd 6 Rijksd.
per maand toegestaan[52]. Dit zal dus waarschijnlik in die tijd
ongeveer de huur van een fatsoenlik huis hebben vertegenwoordigd.
Op 26 Febr. 1710 kreeg dezelfde Ds. Bek 3 Rijksd. voor het aanschaffen
van 2 ladingen hout. Die ladingen waren stellig niet groot of de
Kompanjie heeft er zich goedkoop af gemaakt, want Valentijn zegt, dat
als iemand 't hout kopen moest om te branden, hem dit wel 5 of 6
gulden per week zou kosten.
De duurte van dit hout was misschien de reden, waarom men naar andere
brandstoffen uitzag. Valentijn ten minste zegt: »Bij Draakestein ligt
de plaats van den Borgermeester Abraham Villiers, daar men alleen zeer
goede steenkoolen uitgraaft." Later heeft men daar niet meer van
gehoord, zodat het wel schijnt of de exploitatie van de mijn geen
voldoende resultaten heeft opgeleverd.
Misschien ook is het met de mijn gegaan als met zovele andere
ondernemingen uit die tijd. Men ving met iets aan, maar had vaak òf
niet de bekwaamheid òf niet het geduld de aangevangen taak voort te
zetten.
Bij landbouwprodukten was het klimaat ook vaak een beletsel.
Zo adviseerde Rijklof van Goens, toen hij in Stellenbosch was, de
bewoners van die plaats om vlas, hennep en indigo te planten, maar de
proeven met deze teelt mislukten.
In 1726 kwam François Guillaumet als ekspert voor de zijdeteelt uit
Europa om te trachten hier een bloeiende zijde-industrie te doen
ontstaan. Maar ook dat mislukte. Het eerste jaar kreeg men 8 pond
zijde. Maar nooit heeft men het verder gebracht dan 10 pond per jaar.
Zó graag had men die teelt hier zien gelukken, dat men zelfs eieren
van de zijderups aan de burgers uitreikte. In hoever dit later het
monopolie van de Kompanjie zou getroffen hebben, is natuurlik niet te
zeggen, maar ze zou er wel weer een middel op gevonden hebben.
In 1735 moest men echter de proef opgeven als mislukt.
De teelt van Angora-geiten werd in 1724 begonnen, maar ook in 1735
opgegeven, daar ze als niet lonend genoeg werd beschouwd.
In 1705 wendden de Heren Zeventien pogingen aan om de boeren er toe te
brengen zich op de teelt van wolschapen toe te leggen.
De vrees voor schurft bij de schapen was echter groot en het schaap,
dat men wilde invoeren, scheen daar meer vatbaar voor te zijn dan de
soort, die men had en die men voor 't vlees hield.
W. A. van der Stel begon echter met de proef in ernst en het scheen
wel, of hij die zou doen gelukken ook; maar juist toen werd hij
teruggeroepen.
Isaac Taillefer, een Hugenoot, was begonnen met hoeden te maken van
Kaapse wol, maar toen hij stierf, hield deze industrie op.
Met de wijn-produktie ging het ook al niet naar wens.
In 1672 was de eerste brandewijn aan de Kaap gestookt[53]. Maar de
algemene opinie hierover was nog minder gunstig dan die over de wijn.
In 1719 vroegen de Heren Zeventien om monsters van wijn. Zes halve
amen werden gezonden, maar toen die in Amsterdam aankwamen, werd de
wijn ongeschikt voor 't gebruik bevonden.
Men probeerde later nog de verzending in grotere vaten en in flessen.
Maar de uitkomst was telkens dezelfde.
Alleen in de produktie van koren had men eindelik zijn doel bereikt,
namelik om de Kaap te maken tot een land, dat meer zou doen dan in
zijn eigen behoeften voorzien.
Men was eerst verplicht geweest rijst van Java in te voeren en de
mensen waren daar langzamerhand zó aan gewoon geraakt, dat men geen
energieke pogingen deed om de koren-produktie te vermeerderen.
In 1676 onder Isbrand Goske had men zelfs gevraagd om de prijs van de
rijst te verminderen. Gelukkig was dit geweigerd.
Vooral Simon van der Stel heeft zijn best gedaan om het voorgestelde
doel te bereiken en bij het begin der achttiende eeuw was men zover,
dat geregeld koren werd uitgevoerd.
Een enkele maal, zoals in 1700, was men nog verplicht, wegens
misgewas, rijst in te voeren, maar in 1706, na een zeer regenachtig
oogstseizoen, dat veel schade had gedaan aan 't koren, kon men toch
nog 1400 mudden naar Batavia zenden.
Van die tijd af was de strijd gewonnen[54]. De enige strijd, die er
nog voortdurend op dit gebied bleef bestaan, was die over de prijzen,
die de Kompanjie zou betalen. Het koren, dat uit Bengalen en Surate
werd ingevoerd op Java, kon daar goedkoper verkocht worden en dit gaf
vaak aanleiding tot pogingen om de prijzen van 't kaapse graan te
verminderen.
Deze pogingen leden echter steeds schipbreuk, wat ik boven vermeldde.
Hoewel de boeren te kampen hadden met allerlei ziekten van 't vee,
zoals het mond- en klauwzeer, dat in 1723 voor de eerste maal
verscheen, de paardeziekte, die in 1719 in Zuid-Afrika kwam enz., is
de eerste helft der achttiende eeuw bijna geheel vrij geweest van de
sprinkhaneplaag.
In 1695 hadden ze hun verschijning gemaakt aan de Kaap en niet meer
vóór het jaar 1746 keerden ze weer. Dit was dus een groot voordeel
voor de landbouw en dientengevolge ook voor de veeteelt.
De wilde-dieren-plaag, die soms de veeteelt zoveel schade had gedaan,
was nog niet geheel uitgeroeid, maar in elk geval lang niet zo
algemeen meer als het geval was geweest.
Op 29 Julie 1705 schrijft Tas in zijn dagboek: »Wij vinden op ons land
dicht na 't land van Botma vers leeuw of tijgerspoor."
Op 4 Februarie 1706 vermeldt hij, dat er 7 wilde honden onder de
schapen waren gekomen en daar schade hadden aangericht. Maar het feit,
dat hij dit zo uitdrukkelik vermeldt, bewijst wel, dat het een niet zo
algemeen voorkomend geval meer was.
Toch, zodra men van de dorpen verwijderd was, schijnt men nog al wat
gevaar te hebben gelopen, tenminste Valentijn verhaalt op blz. 113 van
zijn werk over verschillende gevallen van ontmoetingen met leeuwen op
weg van de Kaap naar Stellenbosch en Draakestein.
De premies voor het doden van wilde dieren werden in 1739 verminderd,
wat ook bewijst, dat er niet meer zó'n last van ondervonden werd.
Voor 't doden van een leeuw werd in plaats van 17 rkd. tans 10 rkd.;
voor het doden van een luipaard 6 rkd. in plaats van 10 rkd. en voor
't doden van een hyena 2 rkd. in plaats van 3 rkd. betaald.
Bovendien moesten de gedode dieren zelf aan 't Kasteel of aan de
Drostdij te Stellenbosch worden vertoond. Deze maatregel was nodig
geworden, doordat slimme boeren een vrij voordelige handel hadden
weten te drijven in huiden van de bovengenoemde dieren met de
Hottentotten, die het wild soms dagreizen ver van het distrikt, waar
de huid werd afgeleverd, hadden gedood.
Wat Thunberg en Stavorinus vertellen, dat namelik de leeuwen enz.
_levend_ moesten afgeleverd worden om de premie te krijgen, is
natuurlik een sprookje[55].
Deze premies werden betaald uit een belasting, die bekend is onder de
naam van leeuw- en tijgergeld. Stavorinus vertelt, dat dit voor iedere
burger 4 rijksdaalders voor leeuwegeld en 2 gulden voor tijgergeld
bedroeg.
Kolbe noemt ook nog de wilde olifanten, elanden en bokken, die soms
veel schade konden doen aan 't koren.
Heel wat moed en behendigheid moet er toe nodig geweest zijn om deze
wilde dieren zover uit te roeien, als we de middelen in aanmerking
nemen, die de Kapenaars van die tijd ten dienste stonden tot dat doel.
Want zelfs in 1792 nog spreekt Cornelius de Jong zijn verbazing er
over uit, dat men toen zulke uitstekende geweren had aan de Kaap, dat
het mogelik was een bok op 80, 90, ja zelfs op 100 passen te doden.
Als dat in die tijd nog zo'n verbazing kon wekken, behoeven we niet te
vragen, hoe de wapens een kleine honderd jaar vroeger waren.
Toch dorst men met zulke middelen op de olifantsjacht gaan.
Thunberg ontmoette in 1773 een zekere Jacobus Botha, die toen 81 jaar
was. Hij had veel geld verdiend met de verkoop van olifantstanden, die
de Kompanjie tegen 1 gulden per pond opkocht.
De moed, waarvan ik zo even sprak, was een hoofdtrek van het karakter
van de Kolonisten. Door hun voortdurend leven in de openlucht, omringd
door gevaren van wilde dieren en Bosjesmannen, werden hun zenuwen
gestaald en zij werden de beste pioniers, die men zich denken kon.
De Voortrekkers van Bloedrivier en Vechtkop hadden hetzelfde
onbuigzame en taaie karakter van de achttiende-eeuwers nog, dat hen in
staat stelde daden te volbrengen, die door alle eeuwen heen met
bewondering zullen worden aangehoord en ons gewone stervelingen zullen
doen uitroepen: »En in die dagen waren er reuzen op aarde."
Door hun trekken kregen de kolonisten een hekel aan alles, wat naar
dwang zweemde. Ze wilden liefst maar zo ver mogelik af zijn van de
stad, waar de handelaars woonden, die altijd trachtten misbruik te
maken van hun lichtgelovigheid en onwetendheid.
Wat ze nodig hadden, werd dus door hen niet in de eerste plaats in
Kaapstad gekocht of zelfs maar uit Kaapstad verkregen.
Als ze samenkwamen in de dorpen tot het vieren van het nachtmaal, dan
was daar allicht te krijgen, wat ze nodig hadden.
Kolbe verhaalt, dat bij de kerk van Draakestein een soort markt was,
waar de boeren kruidenierswaren enz. kochten, als ze daar kwamen.
Verder had men de rondtrekkende kooplieden, die natuurlik de boeren
even hard beet namen, maar deze voelden zich, ook al werden ze beet
genomen, niet zo hulpeloos overgeleverd aan de listen en lagen van
geldgierige kooplui, zolang ze maar op hun eigen grond en in hun eigen
omgeving waren.
Hierboven deelde ik met een enkel woord mee, dat in 1742 de eerste
slagerswinkel te Stellenbosch werd geopend. De primitieve toestand van
het winkelwezen komt ook duidelik uit, wanneer men de bepalingen
leest, die daarbij werden gemaakt.
Pieter Wium was de slager, die in de winkel zou wonen. Hij moest twee
keer per week op Woensdag en Zaterdag, gezond, vers schapevlees te
koop aanbieden tegen 2 st. per pond en een schelling voor 4 pond en
hij zou voor die prijs aan niemand mogen weigeren vlees te verkopen.
Vier keer per jaar zou hij op dezelfde kondities ook rundvlees moeten
verkopen.
Indien hij zich niet aan deze voorwaarden hield, zou hij 25 rkd. boete
moeten betalen aan de armekas.
Maar niet alleen Stellenbosch was nog in zijn eerste
ontwikkelingsperiode, Kaapstad was ook bij lange na nog niet, wat men
een »stad" kon noemen.
Valentijn spreekt nog steeds, zoals ik vroeger opmerkte, over het
»vlek".
En hoe de toestanden er waren, blijkt b.v. ook uit het »Journal", waar
we aangetekend vinden, dat er in 1710 besloten werd een behoorlike
muur om de begraafplaats te bouwen, daar deze open lag en men varkens
en andere dieren wilde beletten de grond om te wroeten en zo de lijken
te schenden.
En zelfs in 1792 zegt Cornelius de Jong nog: »De Kaap, niet bestraat
zijnde, is in den regentijd een algemeene dijk, hetwelk de laarzen
zeer noodzakelijk maakt. De goten, die wijd zijn, midden door de
straten loopen en meesttijds het water niet kunnen verzwelgen moet men
bij sterken regen overspringen"[56].
Toch volgde men in het huiselik leven de hoofse zeden van de Europese
steden.
Voor dat men aan tafel ging, bracht een slavin bij ieder der gasten
een bekken water en een handdoek en datzelfde gebeurde, als ze
opstonden. In de huizen van de rijken stond zelfs achter iedere stoel
een slaaf met een palmblad om koelte toe te wuiven of om de vliegen te
verdrijven, die plaag, waarover zo vele reizigers aan de Kaap al
geklaagd hebben[57].
De gastvrijheid der buitenlieden, waarover ik vroeger gesproken heb,
bestond echter in Kaapstad niet. Men kon er onderdak krijgen, maar
tegen betaling.
Velen in Kaapstad leefden zelfs van dit houden van kosthuizen en
konden dus onmogelijk zo vrijgevig zijn met hun gastvrijheid als de
lieden buiten de stad.
Het gebrek aan winkels van allerlei waren werd aan de Kaap goed
gemaakt door verkopingen, die vaak door de zeelieden werden gehouden.
Officieren waren gewoon te hunnen eigen bate allerlei dingen te koop
aan te bieden.
Als ze uit Holland kwamen, hadden ze gewoonlik wijn, bier, hammen,
kazen, tabakspijpen enz. te koop en wanneer ze uit Indië kwamen,
verkochten ze vaak katoen, sits, rijst, tee enz.
Niet alleen hollandse, maar ook engelse officieren deden dit. Deze
laatsten boden meestal fijn en grof ijzerwerk, vooral matrozemessen en
scharen te koop aan.
Dit werd door de Kompanjie toegelaten op voorwaarde, dat ze 5 percent
van de verkoopsprijzen aan de fiskaal betaalden.
Vermakelikheden waren er ook nog niet veel. Als de kanonnen van
Robben-eiland de komst van een schip aankondigden, liep jong en oud
uit om te zien, welk schip het was en als het voor anker kwam, dan was
iedereen nieuwsgierig om het nieuws te horen, dat door de van boord
komenden zou worden meegedeeld.
Maar als er geen schepen kwamen, was het leven vrij eentonig.
Onder Van Assenburg werd het de gewoonte, dat de burgers met hun
vrouwen een bezoek aan 't kasteel brachten op Nieuwjaarsdag en op zijn
verjaardag tussen 10 en 11 's morgens. Ze werden dan uitgenodigd daar
het middagmaal te gebruiken en bleven de gehele dag tot 's avonds 9
uur.
Eens zelfs gaf hij bij een dezer gelegenheden een stieregevecht te
zien op 't plein van het Kasteel. Dit viel echter bij de vreedzame
Kapenaars niet biezonder in de smaak en werd daarom nooit herhaald.
Onder de huiselike vermaken waren vooral bekend het schaak-,
kaart-[58] en damspel. 's Avonds, als men z'n vrienden ging bezoeken,
werd er muziek gemaakt en vaak ook werd er gedanst. Maar men maakte er
geen nachtwerk van, zoals tegenwoordig.
Want om negen uur begon ieder zich gereed te maken om naar huis te
gaan. De slaven stonden met brandende lantarens gereed om de heren en
dames naar huis te geleiden, daar straatverlichting nog onbekend was.
In Stellenbosch had men van 1 tot 14 Oktober kermis. Die was in 1686
ingesteld. Van alle kanten kwamen de mensen dan toegestroomd. Uit
Kaapstad kwamen niet alleen de stedelingen maar ook de schepelingen
van de in de Tafelbaai liggende schepen. Het was dan een tijd van
grote vreugde en vrijheid. Ieder mocht gedurende deze tijd kopen en
verkopen zonder enige beperking.
In 1706 werd echter deze kermis voor goed afgeschaft.
De regering in Indië had namelik verboden verder bij te dragen aan de
schietwedstrijden en ook was het niet meer veroorloofd wijn of bier
uit te delen op kosten van de Kompanjie, zoals tot dusver de gewoonte
was geweest.
Vooral het schijfschieten of papegaaischieten was een belangrijk punt
van 't programma.
Men zette een houten vogel (papegaai) op een stang en dan moest door
de personen, die hun inleggeld[59] hadden betaald, getracht worden,
die vogel eraf te schieten.
Verschillende prijzen werden daarbij uitgeloofd.
Wie de kop er afschoot, kreeg 1 rkd. Voor de rechtervleugel kreeg men
4 schellingen, voor de linkervleugel 3 schellingen, voor de staart 2
schellingen, voor een splinter 1 schelling. Wie de hele vogel eraf
schoot kreeg 25 rkd. van de Kompanjie en bovendien de inleggelden.
Verder was er ook een wedstrijd in 't pistoolschieten op een schijf.
Wie de papegaai afschoot, was koning van 't voetvolk en wie 't wit van
de schijf raakte, was koning van de ruiterij.
Het volgend jaar mocht de koning eerst schieten, zelfs vóór de
Goeverneur. Hij behoefde dan ook nog geen inleg te betalen[60].
De afschaffing van de kermis in Stellenbosch was volstrekt niet naar
de zin van de bewoners en een opstootje was er het gevolg van. De
afschaffing bleef echter gehandhaafd.
Bij gebrek aan andere amusementen maakte men van een vendutie zooveel
mogelik een pretje.
»Bij alle verkopingen, die op 't land geschieden, worden de
liefhebbers met eeten en drinken verzien, en zommigen ook voor niet
met al gehuisvest, terwijl by degenen, die aan de Kaap voorvallen de
kopers enkelijk met een glas wyn en een pyp tabak onthaalt worden, ten
einde de kopers door den wyn aangemoedigt wat rykelyker in 't bieden
zyn zouden"[61].
Bij verschillende plechtige gelegenheden, zooals de viering van 't
Nieuwe jaar, trachtte men wat meer leven te brengen in de kleine
maatschappij door schoten te lossen.
Dit werd echter in 1715 verboden wegens 't brandgevaar. Op 17 Mei 1714
kort na aankomst van De Chavonnes was er brand op 't kasteel gekomen
dicht bij 't kruitmagazijn. Slechts met moeite had men die brand
geblust[62].
Geen wonder ook, dat het streng verboden was op straat een pijp te
roken. Zeelieden, vooral, als ze half dronken waren, gingen wel eens
wat roekeloos om met hun pijp en een enkele vonk was genoeg om de
rieten daken in 't droge seizoen in brand te steken, zoals men in 1710
te Stellenbosch tot zijn schade ondervond.
Op overtreding van dit rookverbod stond zelfs een pak slaag met een
dik touw[63]. De politie moest ook opletten, of er ergens brand was.
Des avonds ging de z.g. ratelwacht de stad door. Als er brand was,
liet hij zijn ratel klinken en riep luid: »Brand, brand!" door de
straten. Dan ging hij naar het Burger-Wachthuis, waar de brandspuiten
werden bewaard en op het brandalarm werd de trommel geroerd en de
klokken van kerk en kasteel werden geluid.
Om zich aan de eentonigheid van het alledaagse leven te onttrekken,
bestond bij de landbewoners de gewoonte, de jaardagen van ouden van
dagen in biezonder hoge ere te houden.
Elk jaar gingen ze 4 of 6 weken lang op reis om allerlei familieleden
te bezoeken en op die reis werd dan natuurlik heel wat nieuws verteld
en gehoord en de tocht maakte een onderwerp van gesprek uit gedurende
de rest van 't jaar.
De boeren bij Kaapstad hadden ook veelal enige slaven, die viool
speelden. Er werden geregeld op de plaatsen danspartijen
georganiseerd, waar menigeen zijn betere helft vond.
Als een jongen 15 jaar oud was, werd hij als volwassen beschouwd. Bij
begroetingen enz. werd hij geheel als man behandeld.
Dan werd hij ook ingeschreven om militaire diensten te verrichten. Als
een vader twee zonen had, die dienst konden doen, dan was hij zelf
vrij[64].
Liefdadigheidsinstellingen voor wezen waren er niet. Arme wezen werden
door welgestelde lieden als hun eigen kinderen aangenomen.
Aan de opvoeding der jeugd werd ook nog niet veel zorg besteed.
In 1683 werd te Stellenbosch de eerste school gesticht. Men leerde er
lezen, schrijven en de beginselen der cijferkunst. Het voornaamste
deel van het onderwijs was dat in de godsdienst. Op 13-jarige leeftijd
werden de leerlingen volleerd geacht. Dan deden ze een soort van
eksamen voor het consistorie, waardoor ze lidmaten van de Kerk konden
worden. Ze moesten daartoe de Bijbel kunnen lezen, de heidelbergse
Katechismus opzeggen en een weinig schrijven. Vooral ook moesten ze
echter psalmen kunnen zingen.
In 1714 werd te Kaapstad een latijnse school gesticht. Doch buiten
deze scholen was er geen gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs
door de hele Kolonie.
Maar al deed de Kompanjie niet veel voor het onderwijs aan de kinderen
van haar ambtenaren of de vrijboeren, haar jonge ambtenaren echter,
die nog geen gezinshoofden waren, werden door haar met de plak
geregeerd.
Ik sprak vroeger over het kosthuis, dat de Kompanjie had gesticht voor
de jongelui in haar dienst.
De regels, die ze voor hen had gemaakt, waren o.a.: »De tafel
mocht niet langer dan een half uur duren. De jongelui moesten
precies op tijd aan tafel zijn en als iemand later kwam, dan was de
kosthuishouder niet meer verplicht hem eten te geven, maar hij moest
wachten tot het volgende maal (Deze maaltijden waren om 11 v.m. en 6
n.m.). Geen ongetrouwde ambtenaar mocht in een kosthuis van eigen
keuze zijn, uitgezonderd zij, die familie in de stad hadden.
Er moest voor en na 't maal een gebed uitgesproken worden. Wie aan
tafel vocht of vloekte, moest eerst bestraft worden door de
kosthuishouder en als dit niet hielp, dan zo nodig door de Politieke
Sekretaris gerapporteerd worden aan de Goeverneur"[65].
Misschien was de strenge en ingetogen levenswijze, waaraan men
zich aan de Kaap hield ook voor een zeer groot deel te danken aan
de Kalvinistiese levensbeschouwing van de oude Hollanders, die
allerlei dingen als duivels beschouwden, welke belijders van andere
godsdiensten vrij onschuldig achtten.
Daarom betwijfel ik ook, of het kaartspelen wel zo algemeen was als
Thunberg ons zou willen doen geloven.
Het feit, dat Adam Tas in zijn dagboek vertelt, dat hij met vrienden
en kennissen kaartspeelt, bewijst ook niet veel. Hij was in menig
ander opzicht heel wat vrijer in zijn denken en overtuigingen dan de
meesten van zijn tijdgenoten.
Eigenaardig is wel, dat de Kalvinisten volgens Thunberg[66] Kerstmis
volstrekt niet vierden, maar dat ze dan werkten als gewoonlik.
Nieuwjaarsdag werd door hen als vakantiedag gevierd in zoverre, dat ze
naar hun buren gingen om hun geluk te wensen.
Bruiloften werden, vooral als de bruid en bruidegom soms dagen en
weken moesten reizen voor ze 't Huwelikshof te Kaapstad bereikten,
vanzelf niet met veel vertoon gevierd.
Valentijn vertelt alleen, dat men er in zoverre een soort van
plechtige tint aan gaf, dat men altijd zwarte ossen gebruikte om de
wagen van bruid en bruidegom te trekken. Dit gold echter ook voor 't
vervoer van een dode, waar de kleur dan ook meer geschikt was, naar 't
mij voorkomt.
Toch ging een trouwplechtigheid, vooral van lieden uit Kaapstad, niet
geheel ongemerkt voorbij. Op de avond van de dag, dat men, zoals het
heette »voor Commissarissen" geweest was, gaf men gewoonlik een
soupee, dat het »Commissaris Maal" heette. Dit soupee werd met een
bal besloten. Op deze bals waren de slaven, die vaak zeer muzikaal
waren, de muziekanten. De eigenlike huweliksinzegening had meestal
plaats op Zondag.
Bij een sterfgeval gaf de koster daarvan gewoonlik kennis aan vrienden
en bloedverwanten en nodigde hen tot de begrafenis uit.
Aan de dragers werd een zekere som geld betaald en opdat ze in
behoorlik kostuum zouden zijn, kregen ze ook een paar zwarte
handschoenen en een lange zijden lamfer.
Als het lijk het huis was uitgedragen, werden door de koster de namen
der bloedverwanten en vrienden opgelezen in de volgorde, waarin zij de
kist zouden volgen. Hij moest dan nauwkeurig overwegen of die orde wel
goed was, want als iemand niet de plaats kreeg, die hem toekwam, was
dit een grote belediging. Vóór 1754 werd zeezand gestrooid langs de
weg van 't sterfhuis naar 't kerkhof. Na de begrafenis werden allen
bedankt voor hun tegenwoordigheid en uitgenodigd naar het sterfhuis te
gaan om daar een en ander te gaan gebruiken.
Hier werden wijn, brandewijn, bier, tee, koffie, kaas, gevogelte,
tabak, pijpen, enz. aangeboden en men deed zijn best om dit maal zo
goed mogelik te doen zijn, omdat het »de laatste eer was, die men aan
de dode kon geven."
Bij de begrafenis van Johannes Heufke (1739) werd 20 rkds. uitgegeven
voor »geraspbrood, koekies, kraakelinge, eyzerkoek en verder gebak,"
2-1/2 rkd. voor »een gros lange pype," 3 rkd. 2 schellingen voor
»4000 amandel", 21 gulden voor »Hollands gebak" en 12 gulden voor
»Caabs gebak."
Een afleiding voor de Kapenaars was zeker wel een wandeling door de
prachtige Kompanjiestuin, waar vele schrijvers van spreken als van een
van de wereldwonderen.
Anderen zijn niet zó uitbundig in hun lof, maar dat hij de moeite van
het bekijken waard was, is zeker.
Valentijn is er biezonder over verrukt. Hij vond er allerlei gewassen,
die hij nooit te voren had gezien en dat er degelik werk werd gedaan,
blijkt ook wel uit wat hij vertelt over de arbeid van de baas-tuinier
en eveneens uit de lange lijst van planten, die hij opgeeft, die alle
door de zorg van die tuinier òf een naam hadden gekregen òf
geklassificeerd waren.
Een wandeling door deze tuin nu was zeer aangenaam, omdat men er niet
alleen allerlei groenten, maar ook veel bloemen en vruchten zag.
De tuin stond onder scherp toezicht, maar het grote euvel der
maatschappij, de omkoopbaarheid van haar ambtenaren, had zich zelfs
onder de slaven verspreid.
Ziehier wat Valentijn zegt[67]:
»Maar men mag niet het allerminste afplukken, waar op swaare straffen
staan gelijk er ook doorgaans over al zeer veel spions van slaven zyn,
die daar net op weten te passen. Ook hoort men zeer zelden daar af en
als dat bij ongeluk al eens geschied koopt zulk een onvoorzigtige dit
liever met een steekpenning aan die slaaven te geven, af, dan dat hy
sich voor de verbolgentheid en gramschap van den Thuinier of van den
Heer Gouverneur, bloot zou stellen." Voor druiven was dit verbod niet
overal even streng als in de tuin van de Kompanjie naar het schijnt,
want hij vervolgt op bladzijde 22 van genoemd werk: »Men mag van de
zelve, als men in een wijngaard is, zooveel als men er begeert om niet
eten; doch de bossen, die men mede neemt, moet men betaalen."
De zorg voor de bomen en de moeite, die men nam om de aanplant te
bevorderen en de vernieling ervan tegen te gaan, blijkt echter overal
en steeds even groot te zijn geweest als in de tuin te Kaapstad.
Simon van der Stel had 16.000 eiken op de Tafelberg geplant. En hoewel
er 4000 door bavianen vernield werden, groeiden de andere goed, zodat
bij het eind van zijn bestuur in 1699 sommige reeds 36 voet hoog
waren[68].
W. A. van der Stel volgde in dit opzicht het voetspoor van zijn vader.
In 1700 zond hij 12.000 jonge eiken naar Stellenbosch en 8000 naar
Draakestein.
Ds. Hercules van Loon zou het oppertoezicht hebben over 't planten.
Maar de burgers zorgden er niet goed voor.
Niet alleen, dat ze er weinig zorg aan besteedden, maar de boomen
werden opzettelik vernield of voor brandhout gebruikt[69]. Van der
Stel zag zich daardoor genoodzaakt weer de oude strafbepaling van 40
jaar te voren in 't leven te roepen, waarbij aan iemand, die een tuin
of boom beschadigde, 12 maanden dwangarbeid werd opgelegd.
De boomaanplant bleef echter zeer langzaam gaan. De boeren
verontschuldigden zich door te zeggen, dat er zoveel vogels in de
bomen woonden, die veel schade aan 't koren deden.
De straffen bleven daarom steeds zwaar, want men moest hout hebben en
wilde dus de burgers dwingen om, als ze dan zelf geen bomen plantten,
tenminste die aanplanting niet te doen mislukken[70].
Het gebeurde eens zelfs, dat men zo weinig hout had, dat er niet
genoeg was om de kruiwagens van de Kompanjie te herstellen, die
daaraan dringend behoefte hadden.
Van Mauritius had men lange tijd veel hout gekregen, maar in 't begin
der achttiende eeuw had men daar met allerlei tegenspoeden te kampen.
Orkanen vernielden veel bomen en ontsnapte slaven staken vaak de
gebouwen van de Kompanjie in brand.
Het valt dus niet te verwonderen, dat het aankweken van bomen een
levenskwestie werd.
Kolbe verhaalt, dat een rijk burger een dienaar van de Kompanjie had
weten over te halen hem wat eikenloof te bezorgen.
Deze burger moest zelf een boete van 125 rijksd. betalen en de dienaar
werd levenslang naar Robben-eiland verbannen.
In 1740 werd zelfs de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger twee
jaar als veroordeelde in ketenen op de openbare werken zou moeten
arbeiden.
De aanbrenger, wiens naam geheim werd gehouden, kreeg een beloning van
20 rkds.
Deze straffen zijn buitensporig zwaar in onze ogen, maar we moeten
niet uit het oog verliezen, dat de manier van straffen van die dagen
in het algemeen heel wat verschilde van die van onze tijd.
Sommige van die straffen zijn trouwens ook heel zonderling.
Zo lezen we, dat in 1739 een bootsman had gevloekt. Waarschijnlik
stond dit feit niet op zich zelf. Ten minste de zeelieden van die tijd
moeten dan wel veel deugdzamer geweest zijn dan de tegenwoordige. Maar
in elk geval deze vloeker werd gehoord door iemand, die daar dadelik
een aanklacht over indiende. Nu werd hij veroordeeld om drie
achtereenvolgende Zondagen bij de ingang van de kerk te staan met een
bord met het opschrift »Godslasteraar" op zijn borst.
Ik ben geneigd aan te nemen, dat, als de kerkgangers de woorden hadden
kunnen verstaan, die hij onderwijl dacht, maar niet uitsprak, het
getal van drie Zondagen met verscheidene zou vermeerderd zijn.
Zodra men zich vergreep aan de goederen van de Kompanjie zelf, werden
natuurlik de strengste straffen toegepast.
Toen b.v. in 1737 verscheidene schepen van de Kompanjie strandden en
bijgevolg veel wrakgoed aanspoelde, werd ieder, die men betrapte op
het meenemen van die goederen van het strand, zonder enige vorm van
proces opgehangen. Voor dit doel had men opzettelik enige galgen op
het strand opgericht.
Voor de onhandelbare jeugd had men eveneens een paardemiddel.
Zo werd op 15 Oktober 1720 door Jan Nel, diaken van Stellenbosch, aan
de overheid een rekwest gezonden, waarin hij klaagde over de stoutheid
van een jongen van 12 jaar, die door de schoenmaker, bij wie hij in de
leer was, niet getemd kon worden. Hij vroeg dan ook eerbiedig om dit
jongmens voor enige tijd aan boord van een schip te brengen[71].
Nu geloof ik niet, dat men uit het bovenstaande mag afleiden, dat er
van de zeelieden van die tijd zulk een uitstekende invloed uitging,
maar het dikke pektouw zal waarschijnlik de grote deugdvormer zijn
geweest.
Deze aanvraag staat volstrekt niet op zich zelf. Ik heb ook op andere
plaatsen voorbeelden gevonden van toepassingen van soortgelijke
vonnissen.
Men moest echter wel trachten goed te maken door overmatig strenge
straffen, wat men aan politie-kontrôle te kort kwam.
Onder Simon van der Stel had men reeds een burgerwacht gehad, die 's
nachts de stad patroeljeerde en op 't eind der 17de eeuw werden ook in
Stellenbosch en Draakestein veldwachters aangesteld, maar de
uitgestrektheid van de kolonie was te groot om een behoorlik toezicht
uit te oefenen.
De ongelukkigen, die in handen der Justitie vielen, moesten daarom
boeten voor degenen, welke ontsnapten.
Een merkwaardig kenmerk van de straffen van die tijd is hetzelfde, dat
helaas nog zoveel hedendaagse straffen dragen, n.l. dat ze zo weinig
het karakter hebben van een goedmaken door arbeid voor de gemeenschap,
wat de misdadiger tegen die gemeenschap heeft misdreven.
Het brute uitblussen van het leven van het individu of het verminken,
waardoor het in het eerste geval geheel en in het tweede geval vaak
gedeeltelik voor arbeid ten behoeve van de gemeenschap werd ongeschikt
gemaakt, was zeer algemeen.
Een uitzondering hierop maakten de verbanningen naar Robben-eiland,
waar de dwangarbeiders b.v. een zeer nuttig werk deden door het
branden van kalk uit de zeeschelpen (Valentijn).
Stavorinus zegt, dat op datzelfde eiland veel kalksteen werd gehakt
voor Kaapstad.
Nu we ons bezighouden met de straffen, die op misdadigers werden
toegepast, zal het zeker niet ondienstig zijn een paar woorden te
wijden aan het stelsel van slavernij, dat voor veel van de misdaden
verantwoordelik was.
Wij zijn in de twintigste eeuw allen te zeer overtuigd van het
schandelike van slavernij en van de slechte invloed, die hij op de
maatschappij heeft, dan dat het nodig zou zijn, dit hier in den brede
te betogen.
Ik zal me dus bepalen tot enkele grepen uit het leven der slaven aan
de Kaap in die tijd.
De maatschappelike positie van de slaven was in de eerste tijd van de
nederlandse volksplanting ver van slecht. Integendeel.
De kolonie was eigenlik bijna zonder slaven begonnen. In 1657 bestond
de hele bevolking uit 134 personen, vrouwen en kinderen meegerekend en
er waren maar 8 slaven. In 1658 echter nam een hollands schip »de
Amersfoort" een portugees slaveschip en bracht de overlevende slaven
van dat schip aan de Kaap.
Van Riebeeck had reeds de Heren Zeventien gevraagd om slaven, maar de
eerste troep kwam er op bovengenoemde manier.
Er werd in die tijd geen onderscheid gemaakt tussen mensen en mensen
om de kleur alleen. Huweliken tussen Europeanen en vrijgemaakte slaven
van zuiver ras waren verboden, maar blanken mochten wel trouwen met
vrijen van gekruist ras. Dit bracht natuurlik, vooral in de eerste
tijden, toen het getal der kolonisten nog zo klein was, grote
voordelen mee. Bij het bouwen van het fort en in 't algemeen ten
opzichte van de verdediging tegen de inboorlingen voornamelik was het
gewenst zich zo sterk mogelik te maken. Men legde daarom in die tijd
een heel andere maatstaf aan dan honderd jaar later. In Van Riebeecks
tijd plaatste het Kristen-zijn blank en zwart op dezelfde lijn.
Andere maatregelen uit die tijd wijzen er eveneens op, hoe bang men
was voor de inboorlingen.
In 1677 werd b.v. de doodstraf gesteld op 't verkopen van geweren of
ammunitie aan Hottentotten. Zelfs was het een strafbaar feit de
Hottentotten in geld te betalen voor hun werk, zogenaamd omdat ze er
de waarde niet van kenden, maar eigenlik, omdat ze met geld zich
misschien gemakkeliker geweren enz. konden aanschaffen. Het was
eveneens verboden om ze te betalen in halfbloed schapen, omdat men dan
niet kon nagaan, welke dieren van hun kudden door hen waren gestolen
en welke niet.
Dit laatste is volkomen te begrijpen.
In 1691 waren er ongeveer 50 vrije negers in de kolonie en zij hadden
dezelfde politieke vrijheden als de Europeanen.
Watermeyer zegt ook: »In het grootste deel van de eerste eeuw van het
hollandse bewind was het leven van de zwarte even heilig als dat van
de blanke en de wreedheden, waarvan wij huiveren, van mensen, die op
Bosjesmannen jacht maakten als op wilde beesten, kwamen niet voor dan
in het einde van de achttiende en in het begin van de 19de eeuw.
Van de stichting van de kolonie tot 1750 waren zulke enormiteiten
nauweliks bekend."[72]
Thunberg verhaalt, dat een slaaf over zijn meester kon klagen tegen de
Fiskaal en dat dan de meester vaak boete moest betalen. Een slaaf kon
echter overigens geen getuigenis geven en was altijd te onderscheiden
van een vrijgelatene, doordat de laatste kousen, schoenen en een hoed
droeg, terwijl de slaven dit niet mochten doen[73].
Kinderen, die in 't slavehuis der maatschappij geboren waren, moesten
volgens de wet van 1721 gedoopt worden. De opzichter en bij diens
afwezigheid de zieketrooster moest peet staan en de kinderen moesten
naar school en kerk worden gezonden. Op die manier werd hun de weg
naar vrijheid opengesteld. Want één der voorwaarden daarvoor was ook,
dat ze Kristenen moesten zijn.
Natuurlik betekende dit niet, dat ze in elk opzicht, ook voordat ze
vrij waren, behandeld werden, zoals een werkgever tegenwoordig zijn
arbeiders behandelt.
Zo vind ik b.v. in het »Journal" opgetekend op 19 Des. 1705, dat het
ondeugdelike vlees zou worden afgekeurd en aan de slaven zou worden
gegeven.
Die konden er zich dus ziek aan eten, maar toch zal deze maatregel, al
was 't alleen maar uit eigenbelang, niet altijd toegepast zijn. Men
waagde een te grote som geld door het leven van een slaaf in gevaar te
brengen.
In 1698 kostten, volgens Leguat, negerslaven van 60 tot 80 rkds.
Drie kwart eeuw later schijnen ze al enorm in prijs te zijn gestegen.
Want Sparrman zegt, dat een slaaf die goed mennen en rijden kon 500
Rkds. kostte. Een, die pas van Madagascar kwam, kostte van 100 tot 150
Rkds.
Het gewone voedsel der slaven bestond uit rijst en vooral uit veel
vis. Dat was een zeer goedkoop voedingsmiddel, daar b.v. onder W. A.
van der Stel steeds een gedeelte der slaven bezig was om vis te vangen
voor hun lotgenoten. Dit kostte de eigenaar niets.
Het schijnt, dat men gedurende de eerste halve eeuw wel wat al te
gereed is geweest om slaven de vrijheid te geven, wat echter geen
gunstige gevolgen had. Meestal waren het mensen, die uit zich zelf
nooit aan 't werk gingen dan in de uiterste nood en voor wie vrijheid
synoniem was met nietsdoen.
Toen men dit inzag, moest men tegen de vagebondérende vrijgemaakten
natuurlik maatregelen nemen.
In 1708 trad Cornelis Joan Simons, officier van de vloot, op als hoge
kommissaris. Hij paste aan de Kaap toe het indiese gewoonterecht, dat
geen volbloed negerslaaf mocht vrijgemaakt worden, zonder dat de
eigenaar de zekerheid gaf, dat de vrijgemaakte persoon niet binnen 10
jaar ten laste van 't armefonds zou komen.
Was dit het geval toch, dan geraakten ze ipso facto weer in slavernij.
Een eigenaardige manier van vrijwording, die de trots der Nederlanders
op hun vrijheid aan 't licht brengt, was deze: Als een slaaf als
bediende meekwam naar Nederland, was hij vrij, zodra hij landde. Het
feit alleen, dat hij op de vrije bodem van de Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden was geweest, was genoeg om hem van alle banden
der slavernij te verlossen.
De invloed van de slavernij op de bevolking aan de Kaap is niet
gunstig geweest en dit is al vroeg, doch niet vroeg genoeg, ingezien.
Op 25 Februarie 1743 betreurde Van Imhoff het in zijn memorandum, dat
in 't begin niet meer blanken waren uitgezonden. Zij, die er waren,
hadden een afkeer van handearbeid gekregen. De invoer van slaven had
hen steeds in hun luiheid gestijfd.
Blanke handwerkslieden eisten buitensporige prijzen voor hun werk.
Metselaars en timmerlui kregen dikwels een rijksd. of 9 schellingen
per dag boven de kost en werkten dan nog zo langzaam, dat ze in een
bepaalde tijd slechts de helft van het werk deden, dat hun Europese
kollega's in die tijd afmaakten.
Op de boerderijen waren blanke arbeiders eenvoudig niet te krijgen,
hoeveel geld men ook bood.
In 1716 reeds schijnen de Heren Zeventien min of meer gevoeld te
hebben, dat er iets niet in orde was, ten opzichte van de
werkkrachten, want ze vroegen uitdrukkelik aan de Politieke Raad, wat
hij beter achtte, de invoer van Europese arbeiders of die van slaven.
Er was, helaas, echter maar één lid, dat toen toonde helder genoeg van
blik te zijn om te zien, dat alleen europese arbeiders een kolonie
konden vormen. Aan de kortzichtigheid van de andere leden is het te
wijten, dat de toestand toen niet verbeterd is.
Behalve de slaven speelden de Hottentotten een grote rol als
werkkrachten.
Op de boerderijen gebruikte men meestal rondtrekkende Hottentotten. Ze
gingen van plaats tot plaats om 't koren zo spoedig mogelik te maaien.
Kolbe zegt, dat dit nodig was, daar de Z.O. wind anders daaraan veel
schade kon toebrengen[74].
Daar deze Hottentotten dus veel met de boeren omgingen, leerden ze
spoedig Hollands. Leguat verhaalt, dat in 1698 alle Hottentotten, die
hij ontmoette, reeds Hollands spraken.
Behalve voor het werk op de boerderijen, werden de Hottentotten verder
voor allerlei huiswerk gebruikt.
Na de eerste pokke-epidemie in 1713 werd dit echter geheel anders.
Daar deze ziekte in 't slavehuis van de Kompanjie was ontstaan,
meenden de Hottentotten, dat de Hollanders hen betoverd hadden en de
weinigen, die niet ten prooi vielen aan de ziekte, trokken weg.
Daardoor was er plotseling een groot gebrek aan bedienden ontstaan en
de prijs der slaven steeg aanmerkelik.
Gelukkig kregen in 1714 van 150 tot 200 soldaten van 't garnizoen
verlof om bij de boeren in dienst te treden. Dat maakte het gebrek aan
Hottentotten enigszins goed.
Behalve deze verschillende werkkrachten werden volgens Mrs. Trotter
ook Chinese veroordeelden, die uit Indië waren gezonden, als
metselaars en steenbakkers gebruikt aan de Kaap.
Dat de Hottentotten zeer in trek waren als werkkrachten is niet te
verwonderen, als men in aanmerking neemt de goedkoopte van hun arbeid.
Valentijn zegt ervan: De Hottentotten krijgen als loon alle week een
stuk tabak »mitsgaders spijs en drank (hoewel sommige van hen
vreeselijk veel konnen eeten)". Na verloop van een jaar kregen ze nog
een »keten van kopere koralen" en een speenlam[75].
Uit de opmerking over 't eten van de Hottentotten schijnt men te mogen
opmaken, dat Valentijn meende, dat ze een biezonder grote weldaad
genoten, als ze de kost kregen voor hun werk.
Barrow deelt mee, dat een os of een paar koeien of een dozijn schapen
ter waarde van 40/- of 50/- het gewone loon van een heel jaar was,
doch dat de boeren dan dikwels een bedrag voor tabak en brandewijn van
dezelfde grootte van de Hottentot te vorderen hadden[76].
Maar Barrow is.... Barrow en een zeer grote mate van voorzichtigheid
is altijd aan te raden bij het aannemen van zijn mededelingen als die
kans hebben de reputatie van de hollandse kolonisten aan de Kaap te
benadélen.
Hoe welwillend de regering tegenover de Hottentotten stond, moge ten
slotte uit het volgende blijken: In 1701 kreeg een troep soldaten
bevel om te trachten de Bosjesmannen te achterhalen en van hen 't
gestolen vee terug te krijgen. Daarbij werd uitdrukkelik bepaald, dat
dit vee dan aan de eigenaars zou worden teruggegeven, _wie ze ook zijn
mochten_.
Blanken en Hottentotten genoten in dit opzicht volkomen gelijke
bescherming.
* * * * *
Ten slotte een enkele opmerking over een der middelen van bestaan in
Kaapstad.
Vroeger heb ik er op gewezen, dat de Heren Zeventien vreemdelingen
volstrekt niet met gunstige ogen zagen aankomen in de Kaap.
Vandaar dan ook, dat het kaapse _Goevernement_ niets wou verkopen aan
vreemdelingen, maar zij mochten vrij in herbergen komen en ze konden
groenten, varkens en gevogelte kopen van de burgers en soms zelfs
sloten de autoriteiten, als de Kompanjie ten volle voorzien was, de
ogen voor de verkoop van vee.
Dat deze verkoop nog al wat te betekenen had voor Kaapstad blijkt uit
de volgende cijfers:
Tussen 1652 en 1700 kwamen er gemiddeld jaarliks 40 schepen (33
nederlandse, 4 engelse en 3 andere) aan de Kaap.
Gemiddeld hadden die 147 man aan boord en ze bleven van 2 tot 3 weken
op de rede liggen. Er kwamen dus jaarliks aan de Kaap meer dan 5000
vreemdelingen, die voedsel nodig hadden gedurende hun verblijf en ook
gewoonlik heel wat mee op reis namen.
Het aantal schepen, die in Kaapstad aanlegden, steeg voortdurend,
zodat er gedurende de eerste helft van de 18de eeuw jaarliks zelfs 75
schepen (57 hollandse, 15 engelse en 3 andere) het anker uitwierpen.
Ten gevolge van de ongunstige jaren 1714 en volgende werd in 1720 een
plakkaat uitgevaardigd, handelende over de verkoop van vlees aan
vreemdelingen en in Februarie 1723 kwam er zelfs een uitdrukkelik
verbod om vers vlees en groenten te verkopen aan vreemdelingen onder
straffe van deportatie naar Europa en een boete van 350 rijksdaalders.
Men wist het plakkaat echter zo te verklaren, dat het scheen in te
houden, dat er eerst verlof van de Raad moest verkregen worden. Voor
de verkoop aan engelse schepen, die de beste klanten waren, kreeg men
altijd verlof, zodat het met dit plakkaat ging als met zoveel andere
van de Kompanjie: Ze werden eenvoudig behandeld als scheurpapier.
Aan het eind van dit hoofdstuk wil ik spreken over enkele kerkelike
zaken aan de Kaap.
Het spreekt vanzelf, dat ik me in dit opzicht ook weer zal moeten
beperken. Trouwens de boeken van Spoelstra en Dreyer, die speciaal
over dit onderwerp handelen, geven zulke uitvoerige inlichtingen, dat
het onmogelik zou zijn veel nieuws te vertellen.
Ik zal ook niet in allerlei biezonderheden treden, maar alleen enkele
grepen doen.
In de allereerste plaats dan wijs ik op de positie der predikanten.
Ook in dit opzicht kan ik de Kompanjie niet bewonderen.
Ze had zich het recht voorbehouden Predikanten te benoemen en aan te
stellen voor de Kaap zonder beroep door Gemeente of Kerkeraad.
Dit had natuurlik bedenkelike zijden, vooral in betrekking tot de
geestelike verstandhouding tussen herder en gemeente.
Een andere schaduwzijde van deze wijze van benoeming was, dat de
predikanten geheel behandeld werden als dienaren van de Kompanjie niet
alleen, maar zich zelf ook in de meeste gevallen als zodanig
gedroegen. Dat wil zeggen, dat ze meestal fel tegen de boeren gekant
waren, als die de ambtenaren aanvielen, want ze beschouwden dit ook
als een aanval op hen. Dit kon natuurlik niet meewerken om een goede
verhouding tussen hen en hun gemeentenaren in 't leven te roepen.
Trouwens innigheid bestond tussen predikant en gemeente heel weinig.
Als een predikant in Kaapstad een bezoek bracht aan zijn parochianen,
dan ging de schoolmeester vooruit om de mensen te waarschuwen[77]. Er
moest altijd een kloof blijven gapen tussen herders, die zich zo
gedroegen en de schapen, aan hun zorg toevertrouwd.
Mr. J. de Wet zegt[78]:
»De Kerk werd altijd zoo zeer als een deel van het geheel van 's
Compagnies bestier alhier beschouwd, dat aan de Predikanten of
Leeraars daarvan even als aan alle andere beambten hun standpunt in de
toen aangenomen klassen of rangen, onderscheiden in opperkooplieden,
kooplieden en onderkooplieden door de wet werd aangewezen!
Ieder Predikant zou gemeten worden naar den rang van onderkoopman en
als zoodanig gerechtigd zijn tot de voorrechten aan die rang
verbonden."
De geesteliken vatten in veel gevallen hun bediening op, of het een
wereldlik ambt was en beschouwden zoals de meeste ambtenaren van de
Kompanjie, de Kaap slechts als een doorgangshuis naar een betere
betrekking.
Dit had ten gevolge, dat de meesten hier zo kort mogelik bleven. Zo
had men eens in één jaar drie keer een nieuwe predikant in
Kaapstad[79].
Ik zal niet spreken over de verschillende stichtingsjaren van de
kerken in de verschillende plaatsen, evenmin als over de pogingen, die
de Hugenoten deden om hun taal te behouden. Ik wil alleen konstateren,
dat de mening, dat de Heren Zeventien hun best hebben gedaan om het
Frans te doen uitsterven in de kolonie, geheel verkeerd is. Het stierf
een natuurlike dood door het feit, dat de Fransen maar één zesde van
de totale bevolking uitmaakten. Het Hollands verdrong het Frans zelfs,
zó volkomen, dat Le Vaillant opmerkt als een biezonderheid, dat hij op
zijn reizen slechts één zeer oude man vond, die nog Frans verstond.
Dat was ruim drie kwart eeuw, nadat de Hugenoten in Zuid-Afrika geland
waren.
Men weet, dat er zeer weinig kerken aan de Kaap waren en dat het ook
lang duurde, eer nieuwe gemeenten gesticht werden. De eerste halve
eeuw was bijna om, voordat Roodezand (1743) en Zwartland (1745) hun
kerk kregen. Dat betekent dus, dat bijna 100 jaar na de stichting van
de volksplanting er in de hele kolonie nog maar 5 kerken waren. En de
zesde kwam er niet vóór 1792. Dat was die te Graaff-Reinet.
Het spreekt dus vanzelf, dat de kolonisten in de meer afgelegen
streken van de kolonie zo goed als geheel van geestelike hulp
verstoken waren.
Daarom ging van tijd tot tijd een der Predikanten »op trek" naar de
eenzame boereplaatsen om de daar wonende landlieden te stichten en hun
kinderen te dopen.
Als dan de predikant op een boereplaats was, ging het gerucht daarvan
gauw in de omtrek rond en de boeren uit de buurt kwamen naar de
plaats, waar hij was.
Het is evenwel te begrijpen, dat de afstanden het onmogelik maakten,
dit verscheiden keren per jaar te doen.
Ondanks het feit echter, dat er zo weinig kerken waren, werd er,
trouwens volkomen in de geest van de tijd, nauwlettend gewaakt, dat
geen leer, die afweek van de Nederduits Hervormde, zou gepredikt
worden.
De geschiedenis met George Schmit van de moraviese Broeders in de
eerste helft van de achttiende eeuw, is bekend.
Het duurde zelfs tot 1792 eer deze stille, vrome werkers een kerk
konden krijgen.
Ook de Lutheranen werden zoveel mogelik gehinderd in de uitoefening
van hun godsdienst.
In 1742 zonden ze een rekwest in om vrijheid te krijgen tot het
aanstellen van een predikant. Dit werd niet toegestaan. Eindelik, na
jaren lang gesmeekt te hebben om vrijheid tot uitoefening van hun
godsdienst, kregen ze die, maar men mengde die honing met gal, door te
bepalen, dat de lidmaten van die kerk voortaan niet meer zouden mogen
bevorderd worden tot de eerste posten van aanzien[80].
De lutherse en moraviese godsdienstoefeningen mochten wel gehouden
worden in private huizen, maar zelfs dan mochten geen sakramenten
worden toegediend. In die tijd meende men, dat men door zulk een
bepaling al buitengewoon verdraagzaam was.
De Lutheranen hadden zich eenvoudig te schikken en trachtten zich te
troosten, door telkens, als er een deens schip in Kaapstad kwam, de
geestelike te verzoeken aan land te komen om hun de godsdienst van hun
vaderen te prediken.
Zonderlinge toestanden werden geboren door de onverdraagzaamheid der
mensen, die voor vrijheid van geloof hadden gestreden en geleden.
Zo waren in 1674 enige Katholieken in de kolonie komen wonen. Zij
wilden hun kinderen laten dopen. Daar er natuurlik geen katholieke
geesteliken in de kolonie waren, moest dit in de hervormde kerk
gebeuren. Dit was echter nog niet genoeg, want de doopheffers mochten
alleen dàn Katholieken zijn, als de ouders eerst getracht hadden om
peten van het ware hervormde geloof te vinden en daarin niet geslaagd
waren[81].
Maar zelfs hun eigen geloofsgenoten werden door de predikanten van die
tijd met scherpe blik in hun gangen gevolgd.
Zo werd op 8 Okt. 1743 een aanklacht wegens ketterij ingebracht tegen
de zieketrooster Van Dijk. Zijn ketterij bestond hierin, dat hij het
waagde voor de vuist te preken en niet het »Onze Vader" altijd bad in
de dienst.
En hij was ook op vriendschappelike voet met de Hernhutters[82].
Deze drie punten waren reeds voldoende om hem in staat van
beschuldiging te stellen.
Ik eindig dit hoofdstuk met een aanhaling uit een rekwest van de
kerkeraad van Draakestein in 1719.
Daar de kerk bijna klaar was, vroeg deze kerkeraad verlof om in 1720
te mogen beginnen met begraven binnen en buiten de kerk en hij vroeg
ook goedkeuring van het volgende tarief voor begrafenissen:
Een graf in de kerk zou 25 Rijksdaalders kosten en een dubbel graf 50
Rkd. Deze koop gold voor 100 jaar. Men kon ook een graf huren. Dit zou
kosten 10 Rkd. voor een volwassene en 5 Rijksd. voor een kind onder 10
jaar.
Op het kerkhof was de prijs van een graf 6 Rijksd. (voor een tijdperk
van 100 jaar). Een gehuurd graf kostte 3 Rijksd.
Men rekende 2 Rijksd. voor 't gebruik van 't lijkkleed en 1 Rijksd.
voor de baar.
De koster kreeg 2 Rijksd. voor een graf _in_ de kerk en 1 Rijksd. voor
een graf _buiten_ de kerk. Als aanspreker of bidder zou hem 1 Rijksd.
per dag moeten betaald worden[83].
In het volgende hoofdstuk wens ik te spreken over het Bestuur van de
Kaapkolonie en ook met een enkel woord over de belastingen, die er
geheven werden.