Nu ik uiteen gezet heb, uit welke personen de Kaapse maatschappij van
de eerste helft der achttiende eeuw bestond en onder welke invloeden
van binnen en van buiten ze zich langzamerhand had gewijzigd, wil ik
trachten een beeld te scheppen van het huiselik en maatschappelik
leven aan de Kaap in die tijd.
In de allereerste plaats dienen we dan onze aandacht te vestigen op de
huizen van die tijd.
Een schets van de huizen van Kaapstad in de tweede helft der 18de eeuw
zegt het volgende:
»Wanneer men oppervlakkig ziet, heeft geen plaats meer het voorkomen
van welvaart dan de Kaap. De huizen zijn niet zonder zwier; zommigen
zelfs met pracht gebouwd; van buiten met wit of geel en op enige
weinige oude na, alle vierkant; velen met platte daken, waar op men
wandelende een aangenaam gezicht over het land of de baai heeft;
sommigen hebben twee, andere drie verdiepingen; velen hooge stoepen
en alle schuiframen. Van binnen is de bouworde algemeen ingericht
naar het klimaat. Eerst heeft men een lange breede gaanderij, aan
welker achtereinde vier of zes slavinnen op kleine houten bankjes
zitten te naaijen of te breijen. Deze gaanderij waarin men meest zit,
eet, ontbijt en leeft, is het gewoon vertrek. Ter wederzijde heeft
men kamers, die allen, evenals de gang zelve, met groote vierkante
roode steenen, bevloerd zijn, hetwelk, gevoegd bij de hoogte der
verdiepingen, veel koelte geeft. Een klein vertrek, dat in de
gaanderij uitkomt en waarin eetwaren, tafelgoederen en droge provisiën
bewaard worden, noemt men de dispens, en de keuken, die achter in
het huis is en overal op een binnenplaats uitkomt, heet de kombuis.
In weinige huizen vindt men stookplaatsen, doch dezen beginnen
langzamerhand veld te winnen. Boven is het vrij algemeen slechter
betimmerd; al het fraaije van het huis en de meubelen vindt men omlaag
voor het oog blootgesteld. Dit voorkomen van welvaart in de huizen
vertoonen ook de tafels, die met een aantal schotels, aangenaam
en kostbaar klaargemaakt, opgevuld, en omringd zijn van slaven van
welken sommigen met een groen tak, of wel met een waaijer van
paauwen-vederen, de vliegen van de spijzen houden en anderen de
aanzittende gasten bedienen. Op een afstand staan weder anderen, die
de schotels verruilen of dranken aanreiken, die men niet op tafel
vindt; alles zodanig ingericht, dat men bij de voornaamste lieden in
de Republiek noch beter eet, noch beter gediend is."
In de loop van een halve of driekwart eeuw was er al aardig wat
veranderd in de stad, want in 1714 schrijft Valentijn over de huizen
in Kaapstad:
»Zij zijn meest van Kaapze klippen gebouwt en doorgaans daarom maar
van eene verdieping."
Meestal zijn ze met riet gedekt. Ze hebben »twee Zaletten aan de
straat, en verscheide middel- en agterkamers en ook veeltyds een
groote plaats agter"[28].
Toch waren niet alle huizen zo eenvoudig meer, want dezelfde schrijver
verhaalt ons, dat het huis van Henning Husing en dat van de Fiskaal
Blesius in 1705 reeds twee verdiepingen hadden.
Dat van Husing kan wel een mooi huis geweest zijn, daar het, de voor
die tijd enorme som van tien duizend Rijksdaalders, gekost had.
De stoep rond het huis bestond uit rode tegels, helder geschuurd of
uit blauwe van Robben-eiland.
Buiten Kaapstad zelf waren de huizen natuurlik niet zo mooi, hoewel ze
niettemin op sommige plaatsen er vrij fraai uitzagen.
Sparrman vertelt, dat de meeste huizen wit gepleisterd waren van
buiten en sommige groen geschilderd. Want zegt hij: »De geliefkoosde
kleur voor kleren, boten, schepen en huizen is groen bij de
Hollanders."
Sommige huizen waren toen reeds (1772), met platte leien gedekt in
plaats van met stro.
Dit schijnt echter nog slechts sporadies te zijn voorgekomen, want op
een andere plaats zegt dezelfde schrijver, dat zeer vele huizen nog
met riet gedekt waren en zelfs de kerk, wat hem gelegenheid geeft om
te zeggen, dat de Hollanders niet meer zorg besteedden aan Gods huis
dan aan hun eigen.
Trouwens de beschrijving van de huizen van Kaapstad, die ik boven
aanhaalde, ging niet algemeen door, want mensen van mindere stand
moesten zich tevreden stellen met kleinere huizen, die bestonden uit
een galerij, een kamer aan iedere kant en de keuken achter[29].
Men ziet echter, dat ze wel volgens hetzelfde plan waren ingericht.
De kosten zelfs van deze huizen waren nog hoog genoeg.
Een rieten dak van een dubbelhuis kostte 300 of 350 Rijksdaalders[30].
Daar stond tegenover, dat een dak vrij lang duurde, wel van 20 tot 30
jaar[31].
Buiten Kaapstad had men natuurlik bij de boerderijen korenhopen staan,
zoals men die tegenwoordig nog bij hollandse boerderijen ziet.
Tot 1706 had men die onbedekt gelaten, maar in dat jaar vielen er zeer
zware regens en die deden veel schade aan het opgestapelde graan,
zodat men toen begon ze van een dak te voorzien, om het koren tegen de
regen te beschermen[32].
Bij de boerderij lag ook meestal een soort van kraal, waarin het koren
werd gedorst.
Een bepaalde ruimte werd goed effen gemaakt en daarop kwam dan een
laag van koeiemest en gehakt stro, die men liet verharden.
Dit werd de dorsvloer. Het koren werd in een cirkel op de grond
uitgespreid en dan werden binnen de omheining, die gewoonlik van
dorenstruiken was gemaakt, eenige paarden losgelaten. In het midden
van de kring stonden een of meer slaven met lange zwepen, die de
paarden moesten aanjagen. Door het trappen der paarden werd dan het
koren zo ongeveer uitgedorst.
De methode was verre van zindelik, maar ze was vlug en kostte niet
veel moeite.
Als men meende, dat het koren bijna allemaal uit de aren was, werd het
bijeengeveegd en dan werd het in de wind opgeworpen om zodoende het
kaf er uit te doen verdwijnen.
Men ziet, dat het bij dit alles zeer primitief toeging.
Bij de huizen stonden verder de slavewoningen, die, in de tijd toen
men nog de zinkplaten van tegenwoordig niet tot zijn beschikking had,
vanzelf zeer gebrekkig waren[33].
De gastvrijheid van de bewoners van de Kaapkolonie wordt door alle
reizigers om 't zeerst geroemd.
Het was een gastvrijheid, die niet bestond in veel _woorden_, maar die
zich uitte in daden.
Woorden verspilde de boer niet veel, vooral ook omdat er zo verbazend
weinig onderwerpen waren, waarover hij kon spreken met zijn bezoekers,
als dat niet even als hij boeren waren.
Kranten bestonden niet aan de Kaap. Zelfs een postdienst was in 1795
nog onbekend. Boeken waren slechts bij uitzondering aanwezig.
De Bijbel en het gezangboek van Willem Sluyters waren de enige boeken,
die men kende.
Een enkele, zoals Adam Tas, mocht daarop een uitzondering maken (zie
zijn dagboek), maar die uitzonderingen waren hoogst zeldzaam. Van
alles, wat er buiten zijn eigen kringetje gebeurde, wist de boer dus
zo goed als niets.
Nu en dan mocht hij eens wat nieuws horen van een andere boer, die een
reis naar Kaapstad had gedaan, maar dat was de enige kans, die hij
had.
Wanneer dus reizigers uit Europa, 't zij Hollanders, Engelsen of
Zweden bij hem kwamen, dan waren zij voor hem als wezens uit een
andere wereld.
Om deze reden nu horen we meestal van reizigers, dat ze grote moeite
hadden om enkele woorden aan de boeren te ontlokken. Daarom ook juist
werden ze meestal voor veel dommer gehouden dan ze waren.
Want inderdaad dom waren ze in 't geheel niet. Ze bezaten geen
boeke-kennis, maar als 't op gezond verstand aankwam, hadden ze hun
meester niet.
In hun voortdurende strijd met wilde dieren, met ontvluchte slaven of
Bosjesmannen werd hun geest gescherpt en door het bestuur der
Kompanjie werden ze er ook dikwels toe gebracht om hun natuurlik
verstand tot minder eerlike middelen te gebruiken om aan gehele
ondergang te ontkomen.
Maar dat was _hun_ schuld niet.
En Bernardin de St. Pierre is voorzeker dichter bij de waarheid, als
hij in 1771 schrijft van hen: »Deze mensen, tevreden met huiselik
geluk, het zeker gevolg van een deugdzaam leven, zoeken geen
verstrooiing in romans of toneelvoorstellingen," dan Captain Percival,
die op blz. 204 en 205 van zijn »Account of the Cape of Good Hope"
een oordeel neerschrijft over de kaapse boeren en boerinnen, dat te
schandelik is om het hier te herhalen, maar dat, helaas, door zeer
veel schrijvers van later tijd is overgenomen, zij het dan ook in wat
zachter vorm.
Toch moet erkend worden, dat het oordeel van Bernardin de St. Pierre
ook niet al te letterlik moet opgevat worden.
Sparrman vertelt b.v. dat, toen hij op een boerderij kwam en daar een
en ander vertelde omtrent het land, waar hij vandaan kwam en wat hij
aan de Kaap kwam doen, de boerin van verbazing de handen ineen sloeg
en uitriep, dat ze niet kon begrijpen, hoe het mogelik was, dat iets
anders dan absoluut gebrek aan de allernoodzakelikste levensbehoeften
in eigen land iemand er toe kon brengen om naar een land als de Kaap
te komen.
Maar laat ik op hun gastvrijheid terugkomen.
De opvatting, die ze daarvan hadden, was zo buitengewoon breed, dat we
onwillekeurig terug moeten denken aan de oude Germanen, bij wie ze als
de hoofddeugd werd beschouwd.
Als een boer een gast zag aankomen, ging hij hem tegemoet, drukte hem
de hand, vroeg hem naar zijn gezondheid en bood hem ogenblikkelik
voedsel en verfrissende dranken aan.
Let wel, het was niet eerst een angstvallig vragen, wie de aankomer
was, om te weten te komen, of men hem zou ontvangen of niet.
Neen, daarnaar vroeg men niet. Hij was een _gast_ en dat was genoeg.
Een breder en schoner opvatting van gastvrijheid is zeker wel niet
mogelik!
Dan werd de gast binnengeleid door de voordeur, die dikwels versierd
was met een hangslot in de vorm van een of ander dier, welke sloten
aan de Kaap vrij algemeen waren en uit China waren ingevoerd[34], en
vervolgens maakte hij kennis met de vrouw des huizes, die, als ze
gezeten was, niet opstond, maar met een hoofdknik de gast begroette.
Hij werd onthaald op wat er in het huis te krijgen was en men
beschouwde dit als iets, dat vanzelf sprak. Het aanbieden van geld
voor deze gastvrijheid werd als een belediging beschouwd.
Des avonds werden van het gehele huisgezin de voeten gewassen. Deze
gewoonte was wel noodzakelik, daar zelfs de meisjes de gehele dag
blootsvoets liepen.
Dit gebruik heeft lang stand gehouden, tot zelfs onder voortrekkers.
Mevrouw Generaal Piet Joubert, nu pas overleden, vertelt in haar
herinneringen (in de »Volkstem" verschenen) dat zij voor de eerste
maal in haar leven een paar kousen aankreeg op haar trouwdag.
Aan de gast werd eveneens deze eer bewezen en daarna ging men ter
ruste.
De mannelike leden van het gezin drukten de gast de hand en de
vrouwelike gaven hem een kus.
Daar dit gold voor de oudere zowel als voor de jongere vrouwelike
leden van 't gezin, zegt Le Vaillant hiervan zeer guitig »dat dit een
voorrecht was, waaraan plichten waren verbonden"[35].
Sparrman is vol lof over de ontvangst bij een boer, die hij Van der
Spoei noemt.
Te voren had hij over de ontvangst bij een ander geklaagd, maar hij
vertelt er zelf bij, dat daar de baas niet thuis was, zodat hij
feitelik gastvrijheid van de slaven genoot. Geen wonder, dat het eten
enz. dat men hem aanbood, niet al te goed was.
In 't algemeen was het voedsel, dat de boeren zelf gebruikten, zeer
voedzaam, te voedzaam zelfs, zodat zich na hun dertigste jaar steeds
een neiging tot zwaarlijvigheid vertoonde.
Daar kwam natuurlik ook bij het gebrek aan beweging. Dit gold vooral
voor de vrouwen.
Zij hadden hun slaven en slavinnen en deden de hele dag niet veel
anders dan bevelen geven. In koud weer zaten ze met de voeten op een
stoof en in elk jaargetijde stond de nooit lege koffiepot onder haar
bereik en werd geregeld duchtig aangesproken. Dat in warm weer de
niet-noodzakelikheid van arbeid soms tot luiheid werd, is duidelik.
Ik geloof echter niet, dat het algemeen was, dat die luiheid zover
ging als in 't geval van de boer in de Karroo, waarvan Sparrman
vertelt.
Deze reiziger was ongelukkig genoeg juist bij een boer aan te komen om
de weg te vragen, toen deze zich gereed maakte zijn middagdutje te
genieten.
Zonder op te staan wees hij met de voet de richting, waarin Sparrman
gaan moest en sliep toen weer in, zonder zich met hem verder te
bemoeien[36].
De dagverdeling van de boeren was als volgt:
Vroeg in de morgen stond men op en nadat men koffie had gedronken,
deed men samen het morgengebed, waarbij dan gewoonlik ook een psalm of
een gezang uit het boek van Willem Sluyters werd gezongen.
Dan ging men naar de kralen om te zien of met het vee nog alles goed
ging en als het in de oogsttijd was, werd een paar uur voor het
ontbijt gewerkt aan het binnenbrengen van 't koren of 't persen van de
wijn.
Het ontbijt werd gebruikt om 7 uur. Dan werkte men in de drukke tijd
door tot 11 uur en gebruikte het middagmaal. Om vier uur at men weer
en om 8 uur werd het avondmaal gebruikt[37].
Daarna had men weer een godsdienstoefening voor het gehele gezin en om
9 uur lag ieder in bed.
Vooral in de zomer was het de gewoonte om na het middagmaal een
slaapje te doen. Ieder ging naar een donker gemaakte kamer en vermeed
op die manier de ergste hitte van de dag.
Dit was zozeer een algemene gewoonte geworden, dat in de tweede helft
der achttiende eeuw zelfs de winkels in Kaapstad van 1 tot 3 uur in de
namiddag gesloten waren, omdat de winkeliers evenveel recht hadden op
een middagdutje als andere mensen!
We hebben gezien, hoe de huizen er van buiten uitzagen. We willen nu
nagaan, hoe 't met de meubelen stond.
Le Vaillant zegt: »Al de meubelen zijn getuigen van eenvoudige en
edele smaak. Er zijn geen tapisserieën en enkele schilderijen en
spiegels vormen de voornaamste ornamenten."
Veel van de meubelen in de 17de en 18de eeuw waren gelijk aan die in
Engeland en Holland gedurende diezelfde eeuwen.
Maar van het metalen vaatwerk kwam er veel uit het Oosten. Zo vinden
we b.v. opgetekend een order voor metalen potten, pannen enz. ten
behoeve van het hospitaal onder Simon van der Stel.
De woorden van Le Vaillant gelden echter weer alleen hoofdzakelik van
Kaapstad. Op de boerderijen was men niet zo goed voorzien, vooral niet
op de boerderijen, die ten oosten van Stellenbosch lagen.
Ook waren b.v. de meubelen meestal kostbaarder en rijker in
Stellenbosch dan in Fransche Hoek. En dit was geen wonder. De
bevolking van Fransche Hoek bestond in 't begin der achttiende eeuw
bijna uitsluitend uit Hugenoten, die uit hun land gevlucht waren met
achterlating van al hun have en goed.
Daardoor waren zij veel armer dan de bewoners van Stellenbosch en
hadden dus geen geld om dure meubelen aan te schaffen.
Zij moesten zich behelpen in velerlei opzichten, zowel als de boeren
in het binnenland.
Meestal kwamen de verder af wonende boeren slechts ééns in hun leven
in Kaapstad, dat was, wanneer ze voor 't Huwelikshof moesten komen om
te trouwen. Geen wonder, dat ze dus vaak hun eigen meubelmakers
moesten wezen. Als we bedenken, dat zelfs in Stellenbosch eerst in
1742 de eerste _slagers_winkel werd geopend, dan kan het geen
verwondering wekken, dat meubelmakers geheele onbekend waren buiten
Kaapstad.
Ruwe houten stoelen met zittingen van riempjes, door de boeren zelf
gesneden en tafels, door hen zelf getimmerd, vormden zowat het enige
meubilair in de woonkamer, terwijl de slaapkamers voorzien waren van
»katels" (ledikanten), die eveneens het werk van de boer zelf waren.
Aardewerk was grotendeels onbekend in de huizen van de boeren. Op de
lange en moeilike reis over de ruwe en hobbelige wegen van Kaapstad
naar hun boerderij brak het bijna allemaal, als ze nog de moeite deden
om het mee te brengen.
Het werd gewoonlik op zeer doelmatige wijze vervangen door houten
vaatwerk of door kalebassen, die voor allerlei doeleinden gebruikt
werden.
Over de eerste rij bergen was geen enkele winkel van manufakturen,
kruideniers-waren of aardewerk.
Alles, wat op dit gebied nodig was, moest dus òf door de boer zelf
meegebracht worden, als hij eens per jaar misschien eens een wagen met
produkten wat dichter naar de beschaafde wereld bracht, òf het moest
verkregen worden van de rondtrekkende »smousen", die echter in die
tijd ook nog vrij zelden zich vertoonden ver van Kaapstad.
Het merkwaardige van 't geval was, dat deze lieden, die in zulke
armoedige omstandigheden leefden, vaak rijk konden genoemd worden.
»Daar zijn plaatsen van 4000, 5000, 10.000, ja van 20.000 Kaapse
guldens ijder tot 16 stuivers gerekend," zegt Valentijn.
En Sparrman deelt mee, dat eigenaars van honderden schapen rondliepen
met lappen op hun ellebogen. De kinderen waren vaak in schapevachten
gehuld als de Hottentotten[38].
Hij vond maar één man in de gehele kolonie, die wol wist te spinnen.
Ze moesten ook hun eigen schoenen maken natuurlik. Nu, leer hadden ze
genoeg, want wild was er nog in overvloed en ossen hadden ze ook veel.
Als merkwaardigheid deel ik mee, dat Sparrman eens een boer ontmoette,
die schoenen aan had, welke van leer van een leeuwehuid vervaardigd,
gemaakt waren. Het was zeer zacht en buigzaam[39]. Dit zal echter wel
een uniek geval zijn geweest.
Voor kleren gebruikte men ook vaak leer, zelfs ongelooid in plaats van
geweven stoffen om de veel grotere duurzaamheid.
Doch gewoonlik bezaten de boeren behalve hun gewone werkpak, dat
meestal zijn ontstaan aan huisvlijt te danken had, een blauw pak, dat
alleen voor de dag kwam, als ze naar een nachtmaal of naar Kaapstad
gingen en in 't laatste geval nog eerst, als ze bij de ingang van de
stad waren[40]. Dat duurde dan misschien hun gehele leven.
Door de weinige aanraking, die ze hadden met de beschaafde wereld,
begonnen vanzelf ook de behoeften der boeren te verminderen. Vaak
zelfs vervielen ze tot een zekere mate van slordigheid, die uitkwam in
de weinige zorg, die ze aan 't in- en uitwendige van hun woningen
besteedden.
Sparrman vertelt, dat hij bij een boer kwam, die slechts één stoel
had, waarvan dan nog een paar poten waren afgebroken en die toch zó,
als hij was, gebruikt werd, door hem tegen de muur te zetten. Dit is
echter een feit, dat niets bewijst. Dergelijke dingen komen nu nog
voor. Slordigheid zal wel even goed toen bestaan hebben als nu.
Maar, als hij dan tevens vertelt, dat 2 personen uit dezelfde schotel
aten en dat diezelfde schotel dienst deed voor alle gerechten aan 't
maal, dat verder elke gast zijn eigen mes meebracht en dat men in
plaats van een vork zich vaak van de vingers bediende[41], dan komt
het daarin duidelik uit, dat we te doen hebben met mensen, die 't zich
niet graag lastig maken en die eenvoudig zich afvragen: »Kan het zó
ook niet?" in plaats van de vraag te stellen, die de beschaafde
stedeling stelde toen als nu: »Hoort het wel zo?"
Lepels werden vaak gemaakt van de hoorns van hartebeest en gnoe.
De huisindustrie kwam verder alleen tot uiting, als de noodzakelikheid
tot het een of ander aanwezig was.
Zo maakten de kolonisten zelf hun zeep en hun kaarsen.
Van de as van het ganna-bosje maakten ze loog. Deze werd met allerlei
dierlike vetten vermengd en dan liet men het mengsel vier of vijf
dagen en nachten lang doorkoken, terwijl men van tijd tot tijd roerde
en nieuwe loog toevoegde[42].
De zeep, die niet voor eigen gebruik nodig was, werd soms naar
Kaapstad gezonden en daar ingeruild voor tee en suiker[43].
Inkt vervaardigde men ook en wel door bruine suiker met roet en water
te vermengen[43].
Hiermee is alles opgenoemd, wat in die tijd onder de naam van
Zuidafrikaanse industrie kon doorgaan.
Daaruit volgt natuurlik ook, dat een reiziger uit Kaapstad des te
liever gezien werd, naarmate hij meerdere artikelen bij zich had, waar
men op de boereplaatsen verlegen om was.
Om in 't binnenland te verkopen nam Sparrman b.v. op zijn tocht mee
koffie, sjokolade en suiker, omdat die artikelen lang niet overal
gemakkelik te krijgen waren. Daar kon een mooie winst op gemaakt
worden, maar bovendien deed men er de boeren een groot genoegen mee.
Ook nam hij naalden mee.
Die werden tegen buitensporige prijzen verkocht.
Wijlen Mevrouw Joubert, wier herinneringen ik hierboven aanhaalde,
vertelt immers ook nog, hoe ze soms uren lang naar één verloren naald
moest zoeken als kind en hoe ze zelfs aan een gebroken naald op een
steentje weer een nieuwe punt moest slijpen, omdat dit artikel zo
schaars te krijgen was.
Opmerkelik is ook, dat men een pas moest meenemen, daar de boeren last
hadden gekregen om ieder, die zonder pas reisde, naar de Kaap te
zenden.
In Kaapstad en Stellenbosch kwam het natuurlik niet voor, dat rijke
mensen zich zo moesten behelpen. Zij waren daar in kontakt met de
europese beschaving en daarom is het ook geen wonder, dat zij meer
geld besteedden aan sieraden en meubelen dan de boeren, die in 't
binnenland woonden.
Op 25 Junie 1709 werd een slaaf gehangen wegens diefstal, omdat hij in
Stellenbosch in een huis was binnengedrongen en daar had gestolen: 139
Rijksdaalders, een zilveren beurs met 8 diamanten, een met zilver
gemonteerde gordel, een vest met 24 zilveren knopen, 16 andere
zilveren knopen en een zilveren broekknoop[44].
In de boedel van de Weduwe van Michiel Ley, die in 1719 te Kaapstad
stierf waren: »een swart ebbenhoute rustbank met een chitse sprey;
stinkhoute ledikant met blaeuw behangsel, bed en verder toebehoren;
Oost Indis kisje met koper beslag; spiegels met swart ebbenhoute
lijsten; verkeerbort; paar bever vrouwe handschoenen; handmofjes;
vaderlandse servetten; fluwele bonet; fijne Suratse combaars; damaste
samaren; roode citse samaar", enz.
Bij de allerrijkste mensen vond men soms de hoorn van een jonge
rhinoceros, gezet in goud en zilver en zó tot een beker gevormd. Die
waren zeer veel geld waard, soms wel 50 Rijksdaalders en werden zelfs
als geschenken aan koningen gegeven. Dit kwam, doordat men meende, dat
ze de eigenschap hadden, om vergif aan te tonen in dranken, die men er
ingoot[45].
Wanneer men over deze periode spreekt en dan woorden als armoede en
rijkdom gebruikt, dan dient men natuurlik goed te weten, wat daar in
die tijd mee bedoeld werd.
Over de salarissen der ambtenaren sprak ik vroeger. Daarmee heb ik
aangetoond, met hoe weinig de Kompanjie meende, dat men kon toekomen.
Als voor deze mening enige grond aanwezig was, dan moet die natuurlik
kunnen gevonden in de zeer lage prijzen voor de noodzakelikste
levensbehoeften en klederen in die tijd.
Laten we daarom even nagaan, hoe 't met deze prijzen stond.
Henning Husing had in 't begin der eeuw een kontrakt voor vijf jaren
voor de leverantie van vlees aan de Kompanjie en de burgers. Dit
kontrakt bepaalde, dat hij aan de Kompanjie vlees zou leveren voor 1
st. en 6 duiten per pond en aan de burgers voor 2 st. per pond.
Volgende kontrakten werden op dezelfde voorwaarden gesloten[46].
In 1698 waren, zegt Leguat, de levensmiddelen zeer goedkoop, want het
brood kostte maar 1 st. per pond.
Het schapevlees ging van 1705 tot 1713 nog belangrijk in prijs
achteruit, want Valentijn verhaalt, dat het in het laatstgenoemde jaar
voor de burgers maar 13 duiten per pond kostte.
Hij vertelt er tevens bij, dat de leverantie aan de Kompanjie per jaar
20 à 30.000 gulden bedroeg. Er werd dus aardig wat vlees gebruikt door
de Kompanjie.
Het is best mogelik, dat sommige reizigers veel onzindelike mensen
hebben aangetroffen; de prijs van de zeep was daar dan stellig de
oorzaak van.
Leguat zegt tenminste, dat die in 1698 drie schellingen per pond
kostte. Ik heb hiervan geen nadere bevestiging kunnen vinden, zodat
ik geneigd ben, dit voor een vergissing te houden.
Het schapevlees rees nu en dan zeer in prijs, tengevolge van ziekten
en droogte. In 1714 rees het b.v. tot 3 st. en 2 duiten per pond, een
voor die tijd buitengewoon hoge prijs.
Het koren, dat in die tijd in Nederland slechts 4 gulden per mud
kostte, was aan de Kaap steeds 7-1/2 gulden op zijn minst en gewoonlik
veel meer.
Vooral was dit natuurlik het geval in tijden van schaarste.
Zo schrijft Tas in zijn dagboek op 14 Aug. 1705, dat Hans Kasper bij
hem om koren kwam vragen en »hij wilde graag 15 guldens voor de mudde
betalen." Maar hij kreeg het niet.
Want Tas schrijft er verder bij:
»Men verteld my dat d'E. Comp. voor 't koorn tegenwoordig à 14 guldens
de mudde betaald, dan den Gouverneur is genoeg bekend als datter geene
der burgers jegenwoordig koorn heeft." »De ordinary prijs" was 8-1/2
guldens zegt hij dan.
In 1714 kwam er een onbekende ziekte onder 't vee en zó moeilik was
het in 1718 om slachtvee te krijgen, dat voor het kontrakt voor
levering van vlees aan de Kompanjie geen enkele inschrijving kwam.
De prijs van schapen steeg tot 6 à 9 gulden, en trekossen kostten 50
gulden.
Daar staat nu weer tegenover, dat het vlees omstreeks 1750 zeer
goedkoop was, zodat men het voor 6 duiten per pond verkocht.
Uit Leibbrandt's »Journal" 15 Julie 1711 en 15 Des. 1711 blijkt, dat
men de prijs van een brood dezelfde liet, maar dat men eenvoudig het
gewicht naar gelang van de prijs van 't koren veranderde.
Op 15 Julie werd bepaald, dat men 7/8 pond voor 1 st. zou krijgen. Dit
werd op 15 Des. 1-1/8 pond voor 1 st.
In 1716 zegt het »Journal" werden van alle kanten klachten gehoord
over de sterfte onder 't vee.
Op 14 Sept. vinden we opgetekend, dat het schapevlees 1 st. per pond
in prijs _steeg_ en zo een prijs werd, waar nooit bij menseheugenis
van gehoord was.
Valentijn geeft ons een heel overzicht van de prijzen van
verschillende zaken in 1714[47]. Hij zegt, dat de schepen soms 3, 4 of
5 weken in de Tafelbaai bleven liggen. Dan gingen de passagiers een
kosthuis zoeken in de stad. Ze betaalden 1 Rijksdaalder per dag en
kregen daarvoor 3 maaltijden.
Dienstboden en kinderen betaalden maar 1/2 Rijksdaalder per dag.
Arme mensen konden ook per maal bediend worden. Dit kostte dan 12
stuivers. Kaaps bier werd gratis geschonken als bij het maal
behorende, maar franse wijn of hollands bier moesten zeer duur betaald
worden.
De vaten voor de wijn der boeren moesten alle in Holland gemaakt
worden en waren, zoals ik vroeger opmerkte, daardoor zeer duur.
Een legger (± 5-3/4 H.L.) kostte 6 Rijksd. of soms zelfs het dubbele.
Een half aam kostte 1-1/2 Rijksd.
Vaak namen schepelingen ingelegde groenten of vruchten mee en behalve
de prijs voor 't vat betaalde men dan: voor een half aam ingelegde
kool 4 Rijksd. voor een half aam kweeperen 2 of 3 Rijksd. en voor 100
kolen 4 Rijksd.
Boter kostte in 't land 12 stuivers maar in Kaapstad 16 stuivers.
Appels waren 1 st. per stuk. Mooie peren zoals de »bon Chrétien" 2 st.
per stuk; een pond druiven 2 st. Smeerkaarsen kostten een schelling,
soms zelfs 2 schellingen per pond.
Hout was natuurlik altijd zeer duur aan de Kaap.
Thunberg zegt, dat de planken 2 schellingen per voet kostten[48].
En Sparrman deelt mee, dat een spar van 20 voet lang en 1 voet in
diameter 5 Rijksd. kostte.
Er werd in 't algemeen weinig aanmoediging aan de handwerkslieden
gegeven. De houtskool, die de smeden van de Kompanjie moesten kopen,
was b.v. ook zeer duur. Ze kochten nominaal 36 schepels, maar kregen
er nooit meer dan 32 en betaalden daarvoor de enorme som van 18
Rijksd.
Voor 100 pond ijzer betaalden ze 8 Rijksd.[49].
Geen wonder dan ook, dat zelfs de ploegscharen uit Europa moesten
gezonden worden[50].
Tas vertelt in zijn dagboek, dat hij voor 20 paar kousen 10-1/2
Rijksd. betaalt; voor 30 ellen baai 15 Rijksd. Maar dit waren
artikelen, die aan hem uit Nederland waren gezonden.
Als zijn knecht Ary verdronken is (17 Des. 1705), dan betaalt hij
»voor 't doodkleed en 't aanspreeken" 7 Rijksd. »zijnde 't geen
daartoe staat."
Op 25 Des. 1705 betaalt hij voor 4 pond koffiebonen 1 schelling per
pond en verkoopt 200 mudden tarwe à 9 gulden per mud.
De daglonen schijnen niet zo laag geweest te zijn als men zou
verwachten.
Tas schrijft op 29 Jun. 1706 dat Willem Nel voor hem heeft gewerkt
15-1/2 dag à 1 gld. »Voor een vragt door hem voor ons na de Caab
gereden" [f] 12.--.