Een Slaef dient ſich van alles om te leven.
Wanneer ick eerſt inde Bain van Pegelin ghekomen vvas, commandeerde men
400. Slaven te arbeyden in het plaeyſier-Huys vande Patroon, ’tvvelck
tvvee Italiaenſe mylen van de Stadt af vvas, ende om een kleyn Berghje
effen te maken, ’s avonts vvierde de ordre gegeven, ende ’s morgens
voor het op-gaen van de Sonne leyden de Garden dat ghetal Slaven te
vverck, ende ick vvas van dat ghetal. In ’t marcheren koute ick met een
die korts Slaef gemaeckt vvas, ſijnde een Frans-man van geboorte, ick
ſagh dat hy een lege Sack op ſijn Schouderen hadde: Ick vraeghde hem
wat hy met die Sack wilde doen: Hy antwoorde my: Gy ſijt noch een
leerling in het Ambacht van de Slaven, ende ick ben een out Meeſter in
ſoodanighe maniere van leven, ende ick ſal u wijſen door klare redenen,
dat een Slaef die buyten in ’t Veldt gaet om te arbeyden, ſich van drie
dingen moet verſien: van een Sack, van een ſtuck Broots, ende van een
Lepel. Aengaende Broodt, ſeyde ick, vinde dat goet, want de Gardiaen
commandeert u, ende ſendt u om een Bootſchap ſoo menighmael als het hem
belieft, ende indien men ondertuſſchen dat ghy abſent ſijt, het Biſcuyt
diſtribueert, hebt gy niet te eten: Aengaende de Lepel, dat behaeght my
mede wel, want giſteren gafmen Potagie van Gerſt, ende om dat ick geen
Lepel hadde, was ick ghenootſaeckt my met de Handt te behelpen, (gy
moet weten dat wanneer wy buyten de Stadt wercken, gafmen ons een
portie van Galeyen Biſcuyt, ende potagie van Gerſt). Maer aengaende van
deſe Sack, kan ick niet begrijpen waer toe de ſelfde dient: Hy gaf my
het ſelfde antwoordt: Gy ſijt maer een leerlingh, met der tijdt ſult
ghy door ervarentheydt bevinden, dat een Sack een nootſaeckelijcke
Meubel is voor een gauwen Slaef. Wy quamen op het plaiſier-Huys,
alwaermen ons dede arbeyden tot twee uyren voor den avont toe: Als dan
verlatende den arbeydt keerden wy met kleyne troupen by thien ofte
twaelf by malkander wederom na de Stadt, want de Garden hebben ſorge
wanneer de Slaven na het Werck gaen, datſe haer niet verberghen, ende
van de troupe afloopen, om haer vanden arbeydt te excuſeren. Als wy dan
wederom na de Stadt toe gingen, ſekere Spaignaert die met ons was
(ſijnde een Man ſeer gheeſtimeert onder de Slaven vande Bain, ende de
welcke meriteerde Meeſter gemaect te worden inde Univerſiteyt vande
Dieven) ſeyde; Siet daer is en Alarbe met een Troup Schapen, ende my
dunckt dat icker een van ſal hebben ſonder Gelt. Hy maeckt een Tou
ghereet om het Schaep te verworghen, op dat het niet ſoude bleeten:
maer wat middel ſeyde hy, om de Poort te paſſeren ſonder geattrappeert
te worden. De Frans-Man die een Practiſijn was in het Parlement vande
Dieven, preſenteert ſijn Sack aen de Spaignaert, ende ſeyde my:
Duynkercker ſiet ghy nu wel waer toe de Sack dient? Dat diende my om te
ghelooven, dat men yeder een in zijn Ambacht moet gelooven.