Van twee nieuwe ghetrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot
Argiers tot Slaven gebracht wierden.
In de Stadt van Nantes in Bretaignen was in het Jaer 1641. een Capiteyn
van een Schip, die maer na de Windt wachte om na Canada te varen, ende
terwijl hy na de Wint wachte, was hy verlieft op een Dochter van een
Rijck Coopman, dewelcke vernam dat ſijn Dochter op hem verlieft was,
ende wilde in geenderley maniere conſenteren tot dit Huwelijck,
conſidererende dat deſe Capiteyn moſte vertrecken, ende dat de eerſte
goede Windt hem ſoude wech voeren met zijn Schip, ende de Liefde van de
Dochter met de Windt. Maer de Capiteyn ſiende aen d’ andere zijde, dat
hy meer konde winnen met het trouwen van deſe Dochter, als alle ſijn
leven te varen, wiſte ſijn ſaecke ſoo fraeykens te verrichten, ende de
goede gratie van ſijn Maiſtreſſe te winnen, datſe ſecreetlijck ſonder
weten van de Ouders trouden, ende voor al eer ſy de tijdinge daer van
hadden, hy met de nieuwe Bruydt geimbarqueert was, zeylende na Canada
toe, hopende dat voor ſijne wederkomſte ſijne ſaecke ſoude
geaccommodeert ſijn door interceſſie van ſijne Vrienden: Maer de
Fortuyne diſponeerde daer van anders. Hy hadde naeuwelijcks 24 uyren in
Zee geweeſt, wanneer een Zee-roover van Argiers hem aen Boort quam.
Deſen amoreuſen Man meer gewoon ſijnde tot de careſſe van ſijn
Maiſtreſſe, als tot de oeffeninge van Mars, gaf ſijn Schip over ſonder
eenige reſiſtentie.
Weynigh daghen daer na ſaghmen deſe Franſe Iuffrouw met haer Man ende
andere Slaven op de Marckt van Argiers, alwaer de Chriſtenen verkocht
worden. De Turcken, Mooren, Griecken, ende Spaignaerts, die niet
ghewoon waren de kleedinghe van Franſe Iuffrouwen te ſien, het Hayr
gepoudreert, ende het Hooft in goede ordre, ſagen haer met groote
verwonderinghe aen: Sy ſeyde aen eenige Chriſtenen die haer
onderhielden ende vertrooſten, ick vreeſe alleen datmen mijn Religie
ſal doen verſaecken: Het ſcheen dat de vreeſe van deſe Vrouwe Gode
aengenaem was: Want de Conſul van Vranckrijck wiſte de ſaecke met de
Baſſa ſo wel te doen, datmen de verkoopinge ophiel, onder pretext van
eenighe conſideratie met de Franſen.
Maer de oorſaecke procedeerde uyt de giericheydt vande Baſſa (gelijck
ghy ſult verſtaen) de welcke ſpottende met de vrede: maer alſoo den
Franſen Capiteyn ſich niet gedefendeert hadde, allegeerde de Conſul dat
het Schip van gheen goede prijs was.
Het was na mijn oordeel een vondt vande Baſſa, die met de Conſul
overeen quam, om dit Schip vry te verklaren, ende alſoo de Reeders ende
de Soldaten te bedriegen: Ende dat de Capiteyn om ſijn ende ſijns
Vrouwen liberteyt te hebben, het Schip met de gantſche laſt tot
proffijt vande Baſſa ſoude laten. Terwijl men daer mede doende was,
brochtmen de Iuffrouw in het Huys van een voornaemſte Turckſe Vrouwe,
alwaer ſy heel wel was, alleen datſe met haer man alleen niet mochte
ſpreecken. Ick en wete het eynde van deſe ſaecke niet, alſoo ick korts
daer na van Argiers vertrock.