Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit
alle klassen bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de
familie Clifford in het „Hotel des Indes” wilde geven, ter eere van het
vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer en mevrouw. Jonge en
kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en
kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en
vriendinnen inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer
Hendriks, van de dansles, zou het bal leiden, en dat was maar goed,
want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders loopt de boel eerst
recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen zouden
komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck.
Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar straf geduldig te
hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel
kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits
dat in der tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven
had, zinspeelde ze nooit meer op de aanleiding tot de straf.
Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam
niets meer in.
’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en
daarmee uit.
’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck.
Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch
evenwel erg bang geweest.
Zou ze mogen? Zou tante...?
Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie
dus ook maar aannemen?”
Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze
nauwelijks woorden kon vinden om haar blijdschap uit te drukken.
Lientien juichte: „hoe zalig, dat we gevraagd zijn,” maar Puck vloog
tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! hoe lief en goed
is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik mag van tante.”
’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze
Puck aldoor gemist. De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck
’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”.
Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste
dochter Pauline, en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De
grooteren zouden naderhand nadansen. Tusschen ’t dansen door zouden er
tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen worden uitgevoerd
door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, wat
Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als
„Lentefee” in een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans
uit te voeren in „Het feest der Elfen”.
Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in
den schooltijd. Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg.
’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen
jaren terug, en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al
de vriendinnetjes gingen ook, dus...
’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds
op het tapijt was.
Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij
aan? Krijg jij ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau
doe jij mee? Heb je al veel dansen besproken?” waren aan de orde van
den dag.
Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken
precies twee groote bloemen: Lientien in haar rose, Puck in haar
zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met witte
margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar
en overal tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de
ceintuurs, op den éénen schouder, als kleine bouquetjes uitkijkend
tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende witte en lichtgroene
linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien naar
Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag.
Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden
spiegel heen en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd.
Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze
prachtig. Lientien had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar
rose jurk, en mampies sieraden nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje
een kettinkje gevonden van witte cornalijnen met een echt gouden
slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje.
Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond
Puck.
Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t
eerst een „smoking” aan.
Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor
den dag komen.
Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was
Lientien er toch niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou
vervullen. Zouden haar handen niet trillen, haar voeten onbewegelijk
blijven in de voorgeschreven houding?
Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes,
werd den anderen kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan
voordansen. De moeilijkste passen leerde zij in een ommezien. De heer
Hendriks zei dikwijls:
„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze
nog eens professor.” De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen
besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, want met jongens dansen
vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig vast en,
in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of
vroegen onnoozele dingen.
Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit
om stof voor een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met
zoo’n halfvreemden jongen raakte je nooit op dreef.
De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar,
daar er meer meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet.
Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een
groote-menschenbal ook, en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de
maat waren of slecht dansten, moesten ze er ongenadig veel over hooren.
Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de goede dansers Puck
toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn,
en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen.
Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had.
Dat was een gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn
dieren te vertellen.
Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden
er een heele menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t
groote erf te Soerabaia.
Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de
dansles, een leuke bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit
zag als een echt chic salonjonkertje.
Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste,
redeneerde Puck, en ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm
van Guus Hooft van Elden. Hij stak wel een hoofd boven de andere
kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en... zij er bij. Ellen zou
maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want zij had
op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren.
In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik
stil. Ze hadden samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd.
Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het
rijtuig van de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange
rij had zich al weer achter hun vigilante aangesloten, toen zij aan de
beurt kwamen om uit te stappen.
Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed
om de genoodigden, in de tot garderobe ingerichte kamer, te helpen met
’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een allerlaatste hand
te leggen aan de toiletjes en kapsels.
Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend
of vriendin naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende
zaal zat, en jong en klein hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net
zooveel pret te maken, als zij konden. Van daar ging het in troepjes
naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes en zwartjes
waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat
’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit.
Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze
moesten vooreerst nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al
gauw in een gezellig clubje, terwijl Puck en Lientien, omringd door een
troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt bleven. Want dat hadden
ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast niet
konden vinden in de menigte.
’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar de voor hen bestemde
plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid
en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.”
Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm
wegdrentelde, en dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een
echt vogelpaleis, zoo hoog en ruim, dat er wel drie boompjes in stonden
behalve verscheidene struiken, die volop licht en lucht kregen door de
wanden van kippengaas.
Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht
kiezen, omdat hij pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een
„volière”.
„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er
boschvogels in wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet
langer blijven in je goeien stal, dan moet je ze hun vrijheid
hergeven.”
En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht
treurig geweest, zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere
tafel” de boschvogels niet had kunnen houden, dit nu steeds beter werd.
Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe meer terug van hun
plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als
kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook
een op, en bedelde om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk.
Wel een geduld werkje natuurlijk, eer je ze zoover had; de altijd
aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een nachtegalenpaar had
een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden
was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t
zoover hadden gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak
van zelf, en er waren ook wel vogels, die, als je dacht, dat ze gewend
waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. Maar dat moesten die
ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten.
„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee
mocht komen, om Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan
natuurlijk uitstekend vond.
Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had
Lientien nageoogd, en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan
toch? Zou hij niet gekomen zijn? Misschien ziek geworden?.... Puck
begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen werd steeds
donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag
Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende
zwarte oogen. Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of
die teutebol van een Guus nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je
niet zoo op kind, kijk maar, er loopen nog heel wat kinderen alleen
rond.”
„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld.
„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie
aankomen.”
En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen.
Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van
Bergen. Ze droeg een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar
leeftijd, van licht blauwe zijde. Terwijl ze Nel, Frits en Puck
voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar Guus staarde
verlegen den anderen kant op.
Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst
spiegelden om beurten in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch
Nel hield haar terug, bang, dat er een vechtpartijtje van zou komen.
„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik
niemand, en ik heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten
ook, en die loopen al samen. En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?”
„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel
fluisterend. „De menschen kijken al naar ons, en denken stellig, dat er
wat gebeurd is, toe dan Puck....”
Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte
plechtstatig op Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht
hij: „Mag ik de eer hebben, Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u
te doen?”
Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als
ze straks rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm.
Haar hartje zwol van trotsche vreugde, terwijl zij in de lange keten
meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat de meisjes betrof.
„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze
hem overdankbaar aankeek.
„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,”
sprak Frits met gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien
hebben opgenomen, dus was dit eveneens zijn plicht tegenover Puckie.
„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan mij
afgetroggeld... En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n
prachtige jurk aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n
jongen niet tegen op.”
„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,”
„vaderde” Frits. „Je zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang
met die malle nuf.”
Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was
met de vriendschap tusschen haar en de meisjes Van Bergen.
Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen
was nog veel deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de
„heerigste” van alle jongens in de zaal.
Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en
plaatste ’t kleinste paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij,
achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, dat de polonaise dus opende,
waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: Goosje, die
drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had
een bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand,
dat zij grootmama straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje
verlegen onder den indruk van de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn
groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper naast haar voort. Vóór ’t
feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof Goosje voor
Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte.
Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.... Ze gooide ’t bouquetje in
grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de
buiging, kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó
diep, dat ze op eens op den grond zat naast Paultje, die ze had
meegetrokken.
De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee.
Paultje scharrelde als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester
Goosje op haar voetjes zette; Grootma moest ze even mokkelen vóór ze
verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was een allerliefste
aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien
voortschrijden op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en
mevrouw Clifford gekomen, stond ieder paartje weer even stil, en maakte
een bevallige of minder bevallige buiging, al naar dit zoo uitviel.
Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger.
Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje
even op, trad achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het
haar verbeteren kon. ’t Had niet mooier gekund, wanneer zij een buiging
voor de koningin had ingestudeerd.
De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie
bewonderend toe. Om haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe
beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook een voldoening was voor juffertje
ijdeltuit!
Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in
geen jaren en jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd
voor tal van lekkernijen, die op groote bladen den heelen avond door
gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een oogje te worden gehouden
op de gulzige kinderen.
En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden,
voorstellingen uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd
tusschen de dansen door.
Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar
Elfendans. Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor
den dag, dat de kinderen stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een
partij, die klonk als een klok!
Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er
haar zelf aan kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een
beetje zat uit te rusten en zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld
op haar toedrentelen, en vroeg, of ze nog een dans voor hem had.
„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met
jou dans ik nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?”
En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”.
Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet
houden. Lientien zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus,
want je bent erg onaardig en onbeleefd tegen me geweest.” Lientien had
ook haar gevoel van eigenwaarde.
Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar
verongelijkt had.
Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de
kinderen, eer dezen plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien
met Frits rond, en deed Puck een extra toertje met Nel. Toen was het
kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford kon tevreden zijn met
de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de
schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen
brengen, bij het afscheidnemen.