Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch,
in haar tasch, verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte
Bison” meegenomen.
Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de
Laan van Meerdervoort door, den Scheveningschen weg op, en zoo de
„Boschjes” in. Haar hart klopte als een hamer.
„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht,
bedriegelijk kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds
vlugger door, vond ’t verrukkelijk plekje, dat zij zocht, en vergat ’t
tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl ze ’t verboden genot met
volle teugen smaakte.
Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester”
luisteren, en toen ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat
Lientien Donderdag weer naar school mocht. Dan durfde ze ook niet
langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen.
Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk
gebeuren kon, was dit al geschied.
Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op
school kwamen, het huiswerk thuis werd gezonden.
Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had
hieraan wel gedacht, maar, nu voor Lientien ’t werk gebracht werd,
bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op ’t idee
komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was.
Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven
van ’t schoolwerk de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke
jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?”
„Jongejuffrouwen,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien
bedoel U immers?”
’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze
had haast, knikte maar, en liep vlug weg.
Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet
vertrouwen, ze ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen.
Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar
zwaarwichtige manier vertelde.
Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af:
„Zeg Puck, ga jij soms niet naar school? Wat voer je uit?”
„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t
jou soms wat an?” onderzocht Puck, heel driftig.
„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte
’t onwillig tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren
Mevrouw Canneheuvel en Jan, aan wie Bet ’t geval kort en bondig
meedeelde.
Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te beter, want als
kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald.
„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld,
beken ’t maar eerlijk. Jongens doen dat wel meer, maar van kleine
meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.”
„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet
gelooven. Kijk mij eens aan, Puck.”
Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk
durfde ze opkijken, en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest
komen, vertelde ze onder horten en stooten de volle waarheid.
Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd.
„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht,
goed kind worden zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór
te gaan....
„De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel
alleen eenzame plekjes in de boschjes op te zoeken... Daar had je van
allerlei kunnen overkomen, Puck. Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als
kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet ’t wèl.
„Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te
wachten.... en je maar niet kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een
of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.... O Puck, dan zou ik geen
gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou me zelf
altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.”
Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en
heftige verwijten gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan
door de laatste woorden.
Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O
tante, tante, zeg dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo
slecht ben geweest. Vergeef u mij toch, en kijk u toch niet zoo
bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.”
„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw
Canneheuvel treurig.
Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug.
Intusschen liep Jan de kamer op en neer.
„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij,
zijn best doend, Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die
boeken niet in verzoeking moeten brengen.”
Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden.
„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid...”
„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t
natuurlijk vooreerst uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik
je die ook opleggen. Morgenochtend ga je dadelijk naar de juffrouw toe,
en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de juffrouw mee zal
geven... En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf
verdient, dan is daar niets aan te doen.
„Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt vier weken lang in
’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen sprake
van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal
mevrouw een briefje schrijven om voor je te bedanken.”
„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur,
en tante smeekend aanziende.
„Neen kind,... laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht
wasschen, en denk er eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je
gehandeld hebt....”
„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?”
„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk
veel verdriet je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld
hebt....”
Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en
vertrouwde haar hoofdkussen al haar groot leed toe.
Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe
ze ’t had durven doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien
huilen. En zoo legde ze haar hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t
kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde Puck’s natbeschreide
wangen.
„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven.
Maar hoe heb je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou
komen?”....
„Niet zoo erg Lientien.... Jij had ’t nooit kunnen doen hé?”
„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen....
hoe griezelig! Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om
mampie,” voegde ze er eenvoudig aan toe.
„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.... Had ik
die ook maar,” zuchtte Puck zielsbedroefd.
„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als
jij,” kwam Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel
gezegd: pas er mee op.”
„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik
mag ook niet naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.... En dat
verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, „want ik ben een slecht,
bedriegelijk kind.”
Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te
roepen. Puck durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel
geen trek. Naderhand bracht Lientien haar een bordje boven met een
portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op Jan’s voorspraak had Nel
dit voor stoute Puck op zij gezet.
Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van
Jans vertrek nu met reuzenschreden naderde.
Nog één week, nog drie dagen.... nog één dag, en ’t oogenblik van
afscheidnemen was dáár.
Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden
Jan thuis „goedendag”.
Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te
houden. Zijn laatste omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel,
terwijl hij haar toefluisterde: „Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu
op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als dat hem lukt, heeft hij ’t
aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met Jantje niet
minder eer zult inleggen dan met Dolf.”