II. VAN MENSCH TOT TIJGER

Als in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen

en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk

roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief

tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw

doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang

velden, waar geen levend wezen meer beweegt.

Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één

enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling,

die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.

Wankelbaar aangezet... zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet

men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad

doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang

achtereen.

Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude

overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet

doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn

bovenaardsche macht.

Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de

bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en

ieder wist dat hij sakti was, begaafd met bovenaardsche macht.

Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook

een machtig man in Pasemah.

De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar,

slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het

rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl

aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al

draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor

den zwager, de zwammen voor hem.

Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den

anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind

was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.

Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was

echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn

zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere

richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te

schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij

wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te

ontfutselen.

Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam,

stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen. [2] De zachte

handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig... en toen zij dat

merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.

Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht

had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens

rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik

mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet

dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het

blad te speren met een steel van de bamban!” [3]

Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had

hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te

spietsen... de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen,

met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een

druppel bloed.

Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de

eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen

van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s

afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.

Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij

besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote

martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar

een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op

een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam.

Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen

wreken.

„Doe je mond eens open... dit is mijn hulp,” zeide de oude man en

spuwde hem in den open mond.

En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet

de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de

oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning,

zijn vrouw was van wroeging gestorven.

Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu

feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst

wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij

gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”... ziet, daar vond men op

de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.

Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de

vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen

vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit

Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel. [4]

Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de

woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit

Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong

zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat

Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar

voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”

„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers van

ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en

kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”...

Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders

voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van

Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille

oerwoud laat hem niet weer los.

Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti

genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam

Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust

van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.

Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang

Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de

eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen

ver langs de kust opstapelt.

Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de

Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden

oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.

Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen

naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou

kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken

gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al

spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker

achterna.

Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware

bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan

den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig

te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen

de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de

grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden

afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan

voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte, die zoovele stammen

teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen

komen in dit gezegend oord.

In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw

bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de

koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de

rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang.

Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat

de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het

bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de

brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout

gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde

kippen, van kwartels en leeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen

al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de

onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën

kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte

asch van den grond en graasden de sprieten af... om dikwijls een prooi

van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in

lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.

Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het

vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten

gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der

woningen.

Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te

snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn

vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom

bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou

hebben... en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn

hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n

onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker

water bij zich...

Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om

gek te worden!

Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste

maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink al, en

midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of

andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en

ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de

handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd

steun.

In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de

vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander

wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die

hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed

om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong

bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand

te stillen...

Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en

vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis,

en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende

hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een

lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.

Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hij anders was geworden; een

wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg

van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan

en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had

begaan...

„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet

weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik

ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze

nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan

den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier

rauwe kippeneieren en „padi dirandang”, [5] en leg de eieren tusschen

lamang [6]. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van

onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer

met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik voel, dat ik De Oude,

Setoewo [7] zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag,

zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”... en mèt was hij

verdwenen.

Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek

kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin,

de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een

sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam;

hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin

voeling hield met den voorvader.

Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger

met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij

rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de

vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren,

dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk

verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen

kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een

feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de

hand greep, zonder echter door te bijten.

Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben,

zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor

den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het

loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk

onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 14 / 34 题