Als in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen
en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk
roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief
tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw
doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang
velden, waar geen levend wezen meer beweegt.
Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één
enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling,
die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.
Wankelbaar aangezet... zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet
men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad
doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang
achtereen.
Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude
overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet
doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn
bovenaardsche macht.
Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de
bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en
ieder wist dat hij sakti was, begaafd met bovenaardsche macht.
Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook
een machtig man in Pasemah.
De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar,
slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het
rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl
aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al
draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor
den zwager, de zwammen voor hem.
Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den
anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind
was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.
Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was
echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn
zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere
richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te
schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij
wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te
ontfutselen.
Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam,
stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen. [2] De zachte
handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig... en toen zij dat
merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.
Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht
had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens
rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik
mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet
dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het
blad te speren met een steel van de bamban!” [3]
Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had
hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te
spietsen... de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen,
met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een
druppel bloed.
Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de
eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen
van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s
afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.
Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij
besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote
martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar
een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op
een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam.
Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen
wreken.
„Doe je mond eens open... dit is mijn hulp,” zeide de oude man en
spuwde hem in den open mond.
En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet
de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de
oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning,
zijn vrouw was van wroeging gestorven.
Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu
feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst
wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij
gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”... ziet, daar vond men op
de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.
Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de
vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen
vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit
Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel. [4]
Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de
woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit
Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong
zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat
Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar
voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”
„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers van
ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en
kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”...
Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders
voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van
Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille
oerwoud laat hem niet weer los.
Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti
genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam
Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust
van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.
Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang
Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de
eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen
ver langs de kust opstapelt.
Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de
Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden
oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.
Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen
naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou
kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken
gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al
spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker
achterna.
Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware
bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan
den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig
te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen
de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de
grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden
afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan
voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte, die zoovele stammen
teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen
komen in dit gezegend oord.
In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw
bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de
koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de
rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang.
Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat
de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het
bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de
brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout
gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde
kippen, van kwartels en leeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen
al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de
onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën
kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte
asch van den grond en graasden de sprieten af... om dikwijls een prooi
van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in
lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.
Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het
vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten
gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der
woningen.
Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te
snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn
vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom
bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou
hebben... en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn
hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n
onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker
water bij zich...
Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om
gek te worden!
Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste
maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink al, en
midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of
andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en
ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de
handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd
steun.
In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de
vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander
wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die
hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed
om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong
bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand
te stillen...
Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en
vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis,
en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende
hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een
lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.
Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hij anders was geworden; een
wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg
van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan
en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had
begaan...
„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet
weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik
ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze
nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan
den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier
rauwe kippeneieren en „padi dirandang”, [5] en leg de eieren tusschen
lamang [6]. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van
onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer
met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik voel, dat ik De Oude,
Setoewo [7] zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag,
zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”... en mèt was hij
verdwenen.
Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek
kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin,
de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een
sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam;
hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin
voeling hield met den voorvader.
Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger
met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij
rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de
vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren,
dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk
verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen
kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een
feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de
hand greep, zonder echter door te bijten.
Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben,
zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor
den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het
loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk
onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.