I. HET OUDSTE WEZEN OP AARDE, EN DE MENSCH

Permandjika Allah [1] tikte een stofje van achter het oor... zóó

ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en

grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er

op neer.

Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek

naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar

links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.

Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de

vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.

Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”

En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de

aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.

Maar God zag, dat het schepsel vier beenen had, en Hij sprak: „Dit is

Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde

en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.

Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er

schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot

goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s

en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.

Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en een langen

staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen

Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.

Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel

was groot en had vier zware pooten... God liet hem neer op aarde:

Aliliman, den Olifant.

Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille

water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water

weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.

Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in

de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in

te blazen.

Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde

maal kreeg Adam zijn ziel.

Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u

gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”

En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn

hand had geopend, pisang’s (bananen) waren opgeschoten; op de plaats,

waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeide kladi (eetbare

colocasia); mais zag hij op de derde plek, en rijst was het laatste der

gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den

mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 13 / 34 题