XI.

Nu wéér, wéér wachten en wachten, maar nú in den Haag. Ze was op reis,

naar den Harz, en naar Wiesbaden, en Berlijn. Hij was Jan van Meeden

tegengekomen, en die had het hem gezegd. Maar Paul was geduldig. Nu

maar al de mooie plekjes van vroeger opzoeken, waar ze samen geweest

waren, en dan goed weer alles herinneren. Dat was toch ook een genot!

Einde Augustus zou ze weer terug zijn.

Alles was weer als vroeger. Scheveningen, en de muziekuitvoeringen in

den Dierentuin en het Bosch waren weer in vollen gang, en de menschen

liepen weer in luchte, kleurige pakken, en alles was licht en blij en

groen. Alleen was er een nieuw Kurhaus gekomen op Scheveningen. Wat een

gebouw daar zoo ineens, in dien korten tijd verrezen! Maar het Jongetje

had liever het oude Badhuis gezien. Alles moest als vroeger blijven, er

mocht niets, niets veranderen.

Wat waren er in den Haag veel mooie meisjes! Maar Paul keek er maar

weinig na. Híj had dan toch maar ’t áller-, állermooiste, en daar

haalde niets bij....

Ik zit te aarzelen nu ik dit schrijf. Het wíl niet goed meer. Ik wou nu

wel heel graag dit boek dicht doen, en wegsluiten voor goed, en er

niets meer van weten..... Het zal pijn gaan doen.... Ik zou nu wel

willen vertellen van al de wandelingen die hij maakte, de lieve, stille

bedevaarten naar alle oude plekjes, en hoe hij dan droomde, en hoe hij

verlangde, o! hoe hij verlangde.....

Maar het wil niet meer, het wil niet.... Ik zie nu altijddoor wat komen

gaat, kijk, o, God! daar zal het komen, daar zal het komen.... en dan

kán ik niet, dan kán ik niet vertellen van nog meer teêre, heilige

zieledingen, als ik zie die dreigende, zwarte schaduw die daar aankomt,

valsch en verraderlijk, onverwachts....

Zóó is het gebeurd.

Het was in de schemering, aan het strand. Paul had vroeg gegeten en was

om zeven uur al naar Scheveningen gegaan. Het was erg warm geweest, en

aan de zee zou het nu zoo heerlijk zijn. Hij zit lekkertjes in een

stoel te droomen... onder het zacht geruisen van de zee.... Zou ze nu

komen?.... zou ze nu nog niet komen?....

En daar staat opeens Jan van Meeden voor hem.

Nu komt het. Nu komt het.—En alles is gewoon. De zee, het strand met de

stoelen, de menschen, alles is gewoon. Maar o! Nu komt het! nu komt

het!

„Zóó, kerel, hoe maakt je ’t?.... Weet je ’t nieuws al?”

„’t Nieuws? .... Welk nieuws?....” zei Paul zonder erg.

—„Wel, van Corrie, mijn nichtje.... Ze is geëngageerd moet je weten.

Het is op de reis áángekomen....”

—„Wát?.... Hè?....”

—„Ja, kijk nu maar niet zoo raar, het is wáár, hoor. ....En een

schandaal vind ik het.... Stel je voor, ze is geëngageerd met een ouden

kerel, een kapitein van het indische leger, Van Boolen, een vent van

bij de veertig, en zij is pas zeventien.....”

Nú je goed houden, mijn jongen! Niets laten merken, al ga je er dood

van! Hoû je goed, arme kerel! Goed zoo, en nu heel kalm vragen:

„Maar dat kan toch niet, zeg, ze kan immers niet van zoo’n ouden man

houden! Ze is nog een kind!”

—„Ja, dat heb ik ook al gezegd,” antwoordt Van Meeden. „Maar dat

schijnt er niet op aan te komen ....hij is van nogal goede familie en

heeft wat geld.... en nu is zij „bezorgd”, zeggen ze.... Ze zal wel van

hem lééren houden, als ze getrouwd zijn, heet het.... Maar het is zoo

prettig tegenover de andere meisjes om al geëngageerd te zijn, en aan

den arm van zoo’n grooten meneer te loopen.... hij is al kapitein en

heeft de Willemsorde.... en de familie heeft het haar zoo’n beetje

opgedrongen, vooral grootmama, die was er erg vóor.... Het is maar

zoowat spelen van haar, ik wed dat ze niet eens goed weet wat trouwen

is.... Maar ik vind het een schande dat zoo’n vent zoo’n jong meisje

krijgt!....”

—„Hoe bedoel je dat, een schande?”

—„Wel, je weet toch wel dat zoo’n kerel al heel wat heeft

doorgemaakt?.... Je moet dat leven in Indië kennen.... als je daar zoo

ongetrouwd tot je veertigste jaar geleefd hebt, ben je vrij wel op de

hoogte, hoor.... ook hier heeft die Van Boolen in ’t eerste jaar van

zijn verlof heel wat afgescharreld.... ik zag hem zoo nogal eens laat

in den avond met een meid rondboemelen.... en dat krijgt nu nog zoo’n

mooi, jong ding als Corrie.... Ik vertik het.... ik ga niet

feliciteeren.... Ze zijn terug, ze zullen straks misschien wel in ’t

Kurhaus komen. ....Maar wat kijk je beroerd, kerel.... o ja, da’s wáár

ook.... jij hadt ook een oogje op haar, hè....? Vin je het èrg

beroerd?....”

„Ik?” kon Paul nog onverschillig zeggen. „Ik? Ben je gek, kerel! Ze

moet zelf weten wat ze doet, hoor! Er zijn nog meisjes genoeg!”

—„Nu, bonjour, tot ziens.”

—„Bonjour!”

Heel gewoon. Alles is nog hetzelfde.

Maar daar zit mijn arm Jongetje wezenloos voor zich uit te staren. Hij

kan niet huilen. Hij kan niet denken. Hij zit zoo stil, zoo stil, en

beweegt niet.... Langzaam valt het donker over de zee, en vage nevelen

wuiven zacht over het water.... Zoo zit hij daar lang. Dan staat hij

ineens op en zegt: „het kán niet, het kán niet.”—Die gemeene kerel

heeft hem voor den gek willen houden. Naar boven, naar het Kurhaus,

gauw!.... Er is muziek buiten.... Nu zoeken, zoeken.... Omloopen, hier,

daar, en nòg eens.... O! God! Kijk!.... Dáár.... dáár.... dáár, bij de

muziektent.... O! rank, lucht maagdefiguurtje, zoo teêr in witte kant

en mousseline.... Kijk, daar is haar lief, vriendelijk gezichtje zoo

blank en roze.... Wat is ze slank geworden, kijk haar fijne middel....

het Meisje! het Meisje! o! het Meisje is er weêr!....

Maar o! daar naast haar. ....Een korte, dikke bruine man.... een

indische man ....een officier.... Hij heeft een groote snor.... Een

ouwe vent al.... Het haar op zijn hoofd is kaal.... Wat worden die

menschen bruin....

Kijk, ze verliest haar zakdoek, en bukt om hem op te rapen.... Die man

kijkt in haar hals, en zegt wat, lachend.... Wat een oogen heeft-ie....

Wat een rare, vreemd glinsterende oogen, met valsch licht.... kijk hij

haar aankijken!....

O! God!.... het is wáár, het is waar!!.... Het kán niet, het kán niet,

maar het is wáár!....

Dat is het Meisje, dat is het Meisje, en ze is groot en ze is voor dien

man.... Ze is heelemaal voor hem.... Ze gaan samen trouwen.... Trouwen,

trouwen, trouwen, hóór je? Je weet toch wel wat dat is?....

Alles begint te draaien.... de lichten wemelen.... het wordt donker....

en het wordt warm, o! het is om te stikken.... het vlamt, het

brandt!....

O wèg, wèg, wèg.... Weg van die menschen allemaal.... je stikt, je

stikt,.... terug, gauw, naar de zee....

En daar staat het Jongetje hijgend aan de zee. Ha! die zeewind, dat is

goed.... Nu wordt het weer beter....

En langzaam, langzaam begon hij weer te denken over wat er voor

verschrikkelijks gebeurd was. Nog eens goed kijken.... Hoe was ’t ook

weer?.... Ja, zoo!....

Hoe goed had hij hem gezien!—Hier, in het schemerduister, met die vage

avondzee onder droomende nevelen, hier stond hij vóór hem, al deed hij

de oogen dicht. Zijn bruut, bruin, verhit gezicht. Zijn goor-glanzende,

zwarte oogen. Zoo’n mannelijke snor, brutaal opgestreken. Zijn kort,

dik lijf, grof, met wat schitterende knoopen en een kruisje, hè ja, dat

vinden de meisjes mooi, moet je weten, al is ’t niets dan een uniform

met vleesch er in. Precies.—Een man, een echte man, met een snor, met

haar op zijn handen, en roodbruin vel, en een slagersnek. Heerlijk hè?

O, die loerende, gretige, flikkerende oogen! Hoe voelde het Jongetje

wat die wilden! En heel klaar, in bruut, hard licht stond het voor hem,

wat er eigenlijk ging gebeuren.—Hoe kon hij het zoo altijd, altijd

vergeten hebben, wat hij toch al héél vroeg op school was komen te

weten, al die leelijke dingen, die toch blijkbaar heel gewoon

waren?—Hij, die bruine sabreur, een echte indischman, van zoowat

veertig jaar.... In Indië alles doorgemaakt, zat en moê van al het

gesjouw, van brandy-soda en bruine vrouwen, er op lòsgeleefd tegen de

klippen op, meneertje, wàt ik je verzekeren kan, hoor! Maar eindelijk

beu geworden, en de dokter hem gezegd van verlof vragen, en nu gaan

oppassen, en kalm worden, een geregeld leven leiden, een vrouw

„zoeken.”—

Ja, zóó moet het gegaan zijn. En toen is die patser gaan „zoeken.”—En

toen is hij, met al zijn glimmende knoopen, en zijn snor, en zijn

brute, bruine tronie tegen een heel jong kindje aangeloopen, een lief,

zacht poppetje van melk en bloed, aha! dát wás iets voor hem,

potverdorie ja, zoo’n piepjong schepseltje, ’t neusje van de zalm!

En toen is-t-ie met z’n opgestreken knevel, en zijn kletterenden sabel,

en al zijn staatsie van veroveraar en vechtersbaas er op afgegaan, de

borst vooruit, de insignes blinkend, met al het moois van zijn uniform

opgepoetst, victorie daar ben ik, parmantig, een haan met vurige kam en

felle sporen....

En het Meisje—o! dat ik dit schrijven moet, dat ik dit met eigen

hartebloed moet gaan schrijven, als een verhaaltje!—het Meisje, arme

lieveling, mooi, goddelijk koningskind, het Meisje was geen veertien

jaar meer, het was al ouder geworden.... en dan verandert er zooveel in

zoo’n lelieblank engelenlichaampje, niet waar?... dan wordt het zoo

meer een vrouwtje, met allerlei neigingen en verlangens, waar niemand

ooit over durft praten, en die ze niet kan begrijpen en richten.... het

Meisje zag dien mooien, bruinen, mannelijken man, met zijn gullen

knevel, en zijn stierennek, en zijn harige handen, met al die mooie

dingen om zijn leden.... en het Meisje kon het misschien ook niet

helpen.... en toen woû ze wel.... het was heusch het Meisje van

veertien jaar niet meer.... en....

Maar ik kán niet, ik kán niet, ik kán niet meer zoo schrijven. Ik heb

zoo van dat Jongetje gehouden, waar ik van vertel. En hij was zoo arm,

en zoo alleenig, daar op het strand! Hij stond ál maar te staren, over

de duinen, en over de zee, en dan weer naar boven, waar al die lichtjes

brandden, en waar die muziek was, alles blijheid en geluk, en waar ze

nu zeker samen rondliepen, die bruine, brute kerel, en dat zachte,

blanke lam. En het Jongetje liep te praten, heel alleen, en te denken:

„Lieveling, het kán niet, het kán niet.... hij zal je pijn doen.... hij

is zoo sterk en ruig.... hij is zoo grof, met zijn lompe knuisten en

zijn rooien nek.... en jij bent mijn zwakke, blanke lieveling, zoo

klein en teêrtjes.... weet je nog hoe bang je was, toen je bij de zee

had geloopen, en je voet deed pijn van de schelpen, en hoe verlegen je

je bloote beentje voor me verborg?.... het was zoo fijn en zoo witjes,

hoe graag had ik er nog véél méér kusjes op gegeven, maar ik durfde

niet.... Ik durfde nooit, mijn meisje, als ik bij je was.... het was

zoo rein, en zoo heilig, alles van je, ik werd er zoo bang van....

alleen héél even je aanraken, maar o! hoe voorzichtig, want alles is

zoo broos en ijl aan je.... weet je nog dat roze japonnetje met die

fijne kanten, al die teêre figuurtjes?.... of dat blauwe matroosje, of

dien groenen wintermantel, met rood flanel gevoerd?.... en wat warm was

het in je mofje!....

Lieveling, pas toch op voor dien bruinen man.... zie je zijn oogen dan

niet?.... zie je niet, hoe bruut alles aan hem is?.... hoe kan die nu

ooit lief voor je zijn, en voorzichtig en zacht genoeg, voor zoo’n

teêr, lucht wezentje als jij?... hij zal je pijn doen, lieveling, hij

is zoo sterk en donker, en jij zoo rank en licht....”

En ineens een felle, felle pijn in zijn hart, een pijn die bliksemde

naar zijn hoofd, dat het gloeide, en klopte, en flitste.... O! dat

denken! dat denken!....

Hij zal haar meesleuren.... hij zal alles, alles met haar doen wat hij

wil.... haar blanke borstje zal hij zien.... haar lief, wit beentje,

dat ze ééns zoo verborg voor mij, zoo verlegen.... en haar roze

voetjes, met die fijne nageltjes,.... hij zal al dat heilige, reine,

maagdelijke mogen zien en hebben.... híj is niet bang voor haar brooze

kleêrtjes, en de kantjes op haar borst, en al de zachtheid, die haar

heerlijk lijfje kleedt.... hij mag haar hébben, hébben, heelemaal

hebben, ....hij, met dat uitgefuifde gezicht, met de restjes van al

zijn uitgesjouwde begeerte zal hij haar besmetten, bevuilen,

bemodderen....

O God! O God!—.... het kán toch niet.... het kán toch niet!....

Lieveling, het kán toch niet!.... het is een booze droom.... wees toch

niet boos dat ik zoo gedroomd heb.... je bent altijd zoo goed

geweest.... ik heb zooveel zachte kusjes van je gehad.... ik heb zoo

van je gehouën.... van alles van je, van je japonnetjes, en je

manteltjes, en alles aan je en om je; als je maar éven iets aangeraakt

had was het al heilig voor me.... en wat zou ik nu moeten beginnen als

je er niet meer was?.... dan zou alles in elkaar vallen, en het zou zoo

donker worden, zoo donker.... en als ik wandelde, zoo ver weg, en ik

liep zoo lang, zoo lang tot ik moê was, hoe blij was ik, dan bij ieder

stapje wat dichter bij je te zijn!.... En nu zou jij weggaan, voor

goed, naar Indië, heel, heel ver, met dien boozen man?.... Neen, ik zal

wachten hier bij de zee, zooals vroeger.... en straks zal je komen, en

mijn hoofd mag weer tegen je zachte schoudertjes rusten, zoo veilig en

warm.... en ik zal zoo lief en zacht zijn, ik ben de eenige, die dat

ooit genoeg zijn kan, want ik weet hoe teêr en fijn alles van je is....

mooie, zoete lieveling,.... mijn zacht duifje.... mijn lief, rein

Edelweiss....”

En heusch, het Jongetje heeft toen nog lang gekeken, of zij niet

kwam.—Hij kon in het Kurhaus de menschen zien krioelen, en staarde maar

aldoor naar de groote trap boven, of daar niet een lief, rank figuurtje

in wit zou komen aanwuiven, als vroeger op de brug van ’t

Bezuidenhout.... Maar er is niets gekomen voor het Jongetje. En áldoor

maar dat denken, dat denken.... Dat verschrikkelijke denken van wat

gebeuren zou aan zijn lieveling, zijn Meisje.....

Zou er dan niets, niets hem helpen?

Zoo eenzaam was het strand. De duinen waren vaag in den nevel, en keken

zoo dof en triestig. De zee ruischte zoo dof en somber; treurig

klotsten trage golfjes op het zand. Alles was heel stil en verlaten. En

het Jongetje voelde hoe héél alleen hij was, hoe alles om hem heen

apart leefde, alles met een eigen gang.

Was dit dezelfde zee die hem altijd met háár had gezien, en heelemaal

in hun leven was, en van alles afwist?

Met betraande oogen liep hij wat vooruit, om te hooren, wat het sombere

golfgeklots toch zeide, om van heel dichtbij zijn grooten, ouden vriend

weer terug te voelen.

Maar de zee wist niet. Groot en eenzaam deinsde zij onder den grauwen

hemel. En plots een koude, felle plas water, brutaal over zijn voeten.

Met een huivering deinsde hij terug.

Toen ging het Jongetje weg van de zee, die hem verlaten had, en met

loome, kille voeten liep hij naar boven.

Waar nu heen? Hij wist het niet. Maar wèg, wèg van dat licht, van die

muziek, van die menschen. Daar zat ze ergens, in dat feestende Kurhaus,

met haar nieuwen lieveling, een bruten, bruinen man.... En alles ging

gewoon zijn gang. Er was niets gebeurd. Er werd niets gedaan. De

menschen liepen blij te praten, en wiegden hunne hoofden op walsmuziek,

en dronken thee. Er was volstrekt niets bizonders gebeurd. Alles hoorde

zoo. Een klein meisje moest worden overgeleverd aan een ouden man, die

op is. Boem! boem! gaat de muziek. En de zee weet niet, en ook niet de

sterren en niet de blauwe lucht....

Nu gauw op de stoomtrem,.... neen, niet zitten, je zou stikken, stikken

in die nauwe doos.... buiten staan.... kijk, al die lichtjes van het

Kurhaus, en van de Galeries, en al die rijtuigen .....hoe vriendelijk

wenkt en pinkelt alles.... alles heeft plezier.... het is dan ook zoo

verschrikkelijk, verschrikkelijk prettig!....

Gelukkig gaat de trem nu voort.... Hoe snijdt de wind in die felle

vaart!.... En kijk, daar gaat het weg, het Kurhaus wordt vaag, en al

die gebouwen.... de lichtjes worden flauwer.... het is of ze nog heel

zacht iets willen roepen.... maar Paul moet wèg, wèg, en het nooit,

nooit weer terugzien....

En toch moest hij kijken, of hij wilde of niet, en zacht, o! zoo zacht,

fluisterde hij voor zich uit: „o! Corrie! Corrie! Corrie!”

Was het dan toch mogelijk?.... kon dan alles maar zoo ineens weg zijn

zonder dat er iets vreeselijks gebeurde?.... bleef alles zoo maar zijn

gang gaan, al werd het heiligste vermoord? .....Of droomde hij?....

Neen, dit is geen droom.... Dit is de trem, wèlbekend, met de banken,

en de latten, en de ijzers.... heel gewoon.... en dit is de Nieuwe Weg,

en straks komen het Kanaal, en de Koninginnegracht, en de

Koningskade.... en hoe scherp en hard schelt de bel.... hoe bruut, als

het in je hoofd zoo bonst en klopt!.... Ai!....

Gelukkig, hier is nu al de brug bij den Dierentuin. Nu afstappen.

Alleen zijn. Nog eens denken, denken, goed denken....

Het bosch stond somber, zwijgend, grootsch opgerezen. Een donkere,

zwarte massa, vol duister geheim. Er was geen licht dan somtijds ergens

een paar sterren, hoog boven een opening in de zware bladerkronen.

En het Jongetje kende het Bosch niet meer, en het Bosch kende evenmin

het Jongetje. Het had niets met hem te maken, dit voelde hij dadelijk,

het was even apart als de zee. Treurig liep hij een eind de Boorlaan

in, en ging op een bank zitten. Hoe eenzaam en hoe groot was het daar!

Hoe somber en zwart rezen die hooge gevaarten op in het donker, en hoe

stil, hoe stil, hoe wanhopig doodstil was het in het rond.

En hij zoo klein en arm; zoo alleen en verlaten!

En weer stond het scherp en fel voor hem, als een hel, reëel ding, dat

de wereld om hem heen apart leefde, en hij een enkel, apart wezen was,

zonder verband met het andere.

Ja, dát was het.... hoe was het in Godsnaam mogelijk, dat nú eerst te

zien!.... hij had al die jaren apart geleefd, en wat nog véél erger

was, ook Corrie had apart geleefd....

Ze was grooter geworden. Ze had nieuwe indrukken gekregen. Ze was

veranderd. Haar lichaam was anders geworden. Ze was veel ouder dan hij.

Een meisje van zeventien is ouder dan een jongen van zeventien. Die

kijkt niet naar jongens, maar naar heeren. Die kan trouwen....

Stil, stil.... stil.... o! God, daar komt het, wat ze op school hebben

gezegd.... wat ik altijd heb vergeten als ik bij háár was.... o! al het

leelijke, het vuile, het gore, het slechte.... ”Alleen als er Liefde

is, mijn jongen, dan is er niets slechts, dan wordt alles wat vuil en

leelijk schijnt verreind, en dan is alles heilig,” had mijnheer Cateur

gezegd.... ja, ”maar zonder Liefde, echte, zuivere Liefde is het

leelijk, is het héél leelijk.”

En plotseling, als een afgrond die zich opent, vol goor ongedierte en

vunzige walmen, zag Paul de vreeselijke realiteit voor zich van wat

gebeurd was, en wat gebeuren ging. Dat kon geen Liefde zijn tusschen

Corrie en dien man. Dat kon zijn lichamelijke attractie, spelerij en

grillige fantazie van een kind, maar geen Liefde. En.... groote God....

dan was het vuil, dan was het leelijk!.... Kijk, dít, dít, dít zal

gebeuren.... zij weet het niet, géén meisje dat zoo trouwt weet het in

al zijn brutale, gore verschrikking, maar hij, die man, híj weet het

wèl, en hij verheugt zich er op, hij likt zijn baard van gulzige

verwachting en zet de borst hoog op van trots!....

O, God! o, God!.... dit is het gevaar.... dit is het groote, groote

gevaar, dat maar niet komen wou.... Maar nú is het er, en is niets meer

te redden.... dit zijn geen woeste bandieten, en wilde draken en

vlammen.... dit is de gewone loop der dingen, waar niemand wat in

ziet.... waar alles over feest en jubelt.... dit is het trouwen zonder

heusche, reine liefde..... het offeren van een schuldeloos, jong wicht

aan een ouden zondaar....

„Lieveling! lieveling!” snikte het Jongetje, „lieveling kom dan toch!”

Maar het was eenzaam en donker rondom. En het Bosch wist niet, en stond

somber zwijgend in den nacht. „Het kàn niet!.... het kàn niet!” riep

hij radeloos in de stilte.

Neen, het kon niet. Als hij zuiver, kalm nadacht, kom, nu bedaard, mijn

jongen, en niet zoo huilen, dan kòn het niet. Ze is zoo teêr en zwakjes

nog. Die fijne schoudertjes. Al die frêle, luchtige dingetjes van haar.

De handschoentjes, de droomefijne kantjes en borduurseltjes, het zachte

bont, en het fluweel en de glanzige zijde. Dit is toch veel te teer om

zoo maar ruw te durven aanvatten.—Zoo’n rank, slank figuurtje, dat is

om éven je hand om te leggen, maar zoo voorzichtig, zoo voorzichtigjes,

het zou breken!... zulk goud, zacht haar, hoe fijn en licht zijn al die

lichte lokken, daar kan je heel even je wang aan houden, maar zoo

zacht, zoo vol eerbied.... en die mooie lijfjes van mousseline, en

zijde, en crêpe..... je zou haar japonnetjes zoo kreuken als je haar

wat hard tegen je aandrukt.... o! wonder, fragiel wezentje van rozige

teêrheid.... wat is het alles broos, en lucht, en ijl aan haar!....

En ja, niet waar?... dien avond, dien heerlijken, heiligen avond.... ze

is een bruidje van God... een wit bruidje met een kuische

offerkaars.... een kind in een wit hemdje.... en ze stond zoo stil, zoo

stil, zoo stil.... er was zoo’n vreemd wonder licht om haar,.... en ze

had haar gebed gedaan.... het gouden haar lichtte een aureool om haar

maagdelijk hoofd...... o! Weenen, weenen.... O! Bidden, bidden....

Neen, niet bidden, want God hóórt niet.... God, waar ze voor geknield

heeft in de kerk, met het hoofd zoo vroom gebogen.... en al die

menschen in gebed.... en de statige stem van den dominé....

Was het dan dáárvoor alles geweest.... moest dan zoo dat uiterst reine

verloren gaan, onder bruten hartstocht van een man, die niet waard is

haar éven maar te zien?.... Is dit dan het einde voor wat goed en edel

en rein is?.... Is dit dan de wereld, die dat toelaat, dat de Liefde

wordt vermoord?.... En dan is er nog Recht, verbeeld je, Recht, dat

richt over moordenaars en dieven.... En schaamteloos wordt de Liefde

vermoord, het heiligste op de aarde, en het Recht weet niet, en ziet

niet om.... Het is fatsoenlijk, zooals het is, en ze gaan naar ’t

stadhuis, en, groote God, naar de kerk, en ze zingen en bidden er,

juist als vroeger.... O! niet bidden, niet bidden.... Vloeken....

vloeken.... het is alles verdoemd.... Het is verdoemd.... Het is niet

de Liefde, die het leven beweegt.... Het is het fatsoen.... Het is dan

ook zoo heel fatsoenlijk, dat deftige stadhuis, en die kerk.... Ze

zullen nu allen bij elkaar komen, de fatsoenlijke familie, om het

feestelijk te vieren.... een blank lam, dat niet weet, en ten offer

wordt geleid.... met wijn en bloemen en vlaggen moet het worden

gevierd, de dood van het Meisje.... en zij weet niet, zij kón niet

weten, het is nog alles spel bij haar, zoo heel van buiten.... en

argeloos, met blijden lach, loopt het Meisje in ’t gevaar.... En het

zachte, het lelie-reine, het moet gebroken, vernield, door ruwe, roode

handen.... En alles gaat zijn gang, het evenwicht der wereld is niet

verstoord, omdat de Liefde sterven moet, en het reine neêrbuigt in het

slijk.... Vast en machtig staan de dingen en weten niet, en leven hun

apart leven, onbewogen....

Met brandend hoofd stond het Jongetje op, en beefde over al zijn leden.

O! wat bonsde en bonsde het tegen zijn slapen.... Nu weg, weer weg, ook

hier is het niet meer veilig.... en het Bosch kent hem niet en is

somber en zwart....

Werktuigelijk liep hij de laan uit, en de brug over, de

Koninginnegracht langs, en het Voorhout.... Dit is de stad.... hier

branden de lichten.... en vele menschen gaan er, elk naar eigen

doel.... ze weten niets van wat hij lijdt, hij is een eenzaam, arm

wezen.... Nu door de Houtstraat, en hier is het Plein.... rijk

schittert het licht van de Witte Societeit.... het lijkt daar ál

vreugde en geluk.... dat licht, dat licht, de menschen weenen niet,

maar lachen.... Er is niets gebeurd, niets.... Maar ai! hoe brandt zijn

hoofd, hoe bonst en brandt het!

En opeens een stem, brutaal, vlakbij, met valsch gefleem:

„Zèg, lievert, ga je méé?”

Met een schok bleef hij staan. Wat moet die stem daar? hoe

durft-ie!....

En hij zag haar. Een flets, bleek gezicht. Een valsche flauwe lach. Het

leek een vrouw.

En hij begreep, opééns....

Dit is het allerlaatste.... dit is de zuster van het Meisje.... dit is

ééns ook een Meisje geweest.... en dit wil hem nu geven de schande van

het lelie-reine, de ruïne van het hoogst gewijde, voor wat geld..... En

velen zijn de zusteren van het Meisje.... en ook zíj zal nu heel gauw

het Meisje niet meer zijn.... Het is te véél, mijn God, het is te véél,

dit is het einde van álles....

Toen daalde de groote nacht over de ziel van het Jongetje, de groote,

sombere nacht van duisternis, met zware, zwarte schaduwen wijd

neervallend over wat daar blank en licht was geweest......

En toen is het Jongetje daar eenzaam en verlaten gestorven, toen hij

het absolute Kwaad van aangezicht tot aangezicht aanschouwde, en hij

zag de fatale, droeve gelijkenis met wat het reinste en heiligste was

uit zijn grimmig, omnacht gelaat.... En wie dit allerwreedste van het

leven heeft gezien, als ’t absoluut slechte eensklaps uit het

allerreinste loert, als giftige adder uit het blinkend groen, en niet

meer waakt over hem de Liefde, die scharlakenrood maakt wit,—die weet

hoe toen mijn Jongetje wel moest heengaan, om nooit weer terug te

komen. Toen het Meisje zou gaan sterven kon ’t Jongetje niet langer

leven, en wèl trouw hield hij zijn woord, tot in den dood......

En dit is de geschiedenis van ’t Jongetje, zooals ik die heb gevonden

in oude, gele dagboekjes, en half vergane reliquiën, en lokjes haar, en

heel ver in vage schuilhoeken van mijn herinnering.

Ik weet wel dat Paul nog altijd leeft, al heeft hij ’t Meisje nooit

weer teruggezien, en ik geloof dat ik nog wel eens zal kunnen

schrijven, hoe het verder met hem ging, en hoe het lange duister

eindelijk eens weer wijken zou voor ’t groote licht der wijsheid, en

hoe over alle donkere dingen nieuwe glans van wijding ging....

Maar het Jongetje is dood, sinds het fijne droomenweefsel van zijn

zieltje opeens met fellen, wreeden slag verscheurd werd.... Ik zal nu

ook van Paul niet meer verhalen met zoo fijne, lieve woordjes, van zoo

teeder, zwak geluid.... Die pasten alleen bij zoo’n droomend Jongetje,

die met zoo bevende oogen de werelddingen aanzag, en met heel fijne

vingeren de uiterlijkheden van het leven zoo voorzichtigjes beroerde,

bang dat hij ze breken zou....

Nu is mijn Jongetje begraven in dit Boek, om nooit weer op te staan, en

er is niets, niets meer van hem over dan wat zachte woorden en wat lief

geluid, dat in mijne herinnering gefluisterd heeft, al jaren lang, tot

ik het eindelijk opschreef, in wat stille uren.... Nu was het hier, dan

daar, dat vaag gefluister, en als ik even stilstond, en luisterde,

midden in het doen van alle dagen, dan was het plotseling weer

heengegaan en riep ik tevergeefs....

Toen heb ik mij heel diep over mijn ziel gebogen, en alle dingen van

buiten heb ik weggedaan, en lang, lang heb ik geluisterd, waar het

eenzaam was en stil.... en geen gerucht der wereld dat het kon

verstoren....

En toen is alles weêrgekomen, voorzichtig, voorzichtig, en met brooze,

teêre woorden heb ik het langzaam in dit boek gezet van het

Jongetje....

Nu kan het Leven vrij weer doorgaan. Ik ben bereid en onvervaard....

Het Jongetje · 第 14 / 14 题