Toen hij weer in Schotevelde terug was leek alles van de vacantie wel
als een mooie droom. Hij herkende zijn kamer weer, en alles in het huis
van oom Cateur, en de straten van het stadje. Dat was wáár ook. Daar
had hij nu al een jaar gewoond, en in den Haag was hij het glad
vergeten! Een héél jaar had hij daar op Corrie gewacht, en nú had hij
haar alweer gezien, en het was alweer voorbij. Hoe gauw, hoe gauw gaat
alles! En hoe gemakkelijk! Als één jaar zoo gauw doorgemaakt was, dan
zouden vier of vijf jaar toch óók wel ééns over zijn. En dan zou hij
óok groot zijn. Dan was de Hoogere Burgerschool al lang voorbij, en was
hij al een paar jaar student. Corrie zou dan een en twintig zijn, en
hij ook. En dan zou hij ’t heusch doen, wat zij gezegd had. Dan zou hij
heel deftig naar haar papa en mama gaan en om haar hand vragen. Haar
hand! Neen, haar héélemaal, haar mooie gezichtje, en haar schoudertjes
en haar zachte borstje, haar hééle Meisje. En dan mocht zij altijd bij
hem blijven, altijd, altijd. Verbeeld je eens, zeg, altijd zoo’n
lieveling bij je in huis hebben, en de deuren toe, heel alleen van je
eigen, en al de andere menschen zijn buiten, en mogen niet binnenkomen!
Als ze maar bleef van hem houën! Als Corrie maar altijd om hem bleef
denken. Ze was zoo héél, héél mooi! Er zouden zooveel ánderen verliefd
op haar worden. Natuurlijk, dat moést wel. Ze was het mooiste meisje
van den Haag. En die anderen waren misschien veel ouder dan hij, en
misschien wel erg rijk! Zou ze dan wel om het Jongetje blijven denken?
Ja, natuurlijk zou ze dat. Het is leelijk om niet te gelooven wat ze
gezegd heeft. En hoe zou het nu ook kúnnen? Ze hóórden nu eenmaal bij
elkaar, evenals de twee parkietjes. Dat had ze zèlf gezegd.
Zoo filosofeerde het Jongetje daar in zijn eentje, toen hij weer terug
was.
En zijn gewone leven van alle dag begon weer. Ik weet het zoo goed niet
meer, wat hij alzoo deed. De dingen op school gingen gauw voorbij.
Wiskunde, en aardrijkskunde, en natuurkunde, en natuurlijke historie,
en zooveel meer. Het was niet zoo erg moeilijk nu hij zooveel tijd had,
en niet meer altijd naar het Meisje kon. En oom Cateur hielp hem altijd
als hij iets niet begreep. Het was of die een tweede papa voor hem
werd, en ik herinner mij nog heel goed zijn vriendelijk gezicht, met de
grijze haren, en die goedige oogen, die zoo aardig over den gouden bril
konden kijken. Wat had hij veel boeken! Als het werk voor school af was
mocht Paul altijd in zijn bibliotheek snuffelen. Het Buch der Lieder
had hij op zijn verjaardag cadeau gekregen, en dat werd als een
bijbeltje voor hem. Het was een kleine uitgave in een rood bandje met
gouden stempel. Hoeveel tranen van het Jongetje zijn daar op gevallen!
Hoe innig, innig hield hij van dien grooten, ongelukkigen dichter, die
zijn lieveling had verloren en toch niet dood was gegaan! Eenzaam en
verlaten, met vreeselijke pijnen, half-blind had hij op zijn ziekbed
gelegen:
Es kommt der Tod—jetzt will ich sagen
Was zu verschweigen ewiglich
Mein Stolz gebot: für dich, für dich,
Es hat mein Herz für dich geschlagen!
O! wat een emotie is dat geweest voor het Jongetje! En juist omdat hij
zoo gelukkig was, en zoo blij uitzag in de toekomst, één altijddurende
zaligheid met het Meisje, begon hij van zijn dichter te houden zooals
kinderen van vrome menschen houden van Jezus, die zoo leed. Het was het
éérste van groot, statig lijden wat het Jongetje hoorde. Er was thuis
nooit over Jezus gesproken, en hij was nooit op de catechisatie
geweest. Door Heine leerde hij voelen wat lijden is, intuïtief, omdat
hij zelf nog niet geleden had.
Het was wèl een beetje gevaarlijke lectuur voor zoo’n klein Jongetje,
vind ik nu, omdat er ook zulke ontzettende dingen in staan. En toch
deed het hem geen kwaad als hij las:
........was gut und gross
Und schön, das nimmt ein slechtes Ende.
Want dat was niet waar, voelde hij. Dat had Heine zoo maar gezegd in
zijn lijden, zonder te weten wat hij deed. Want het Goede overwint. Het
dúúrt wel eens lang, maar het overwint. Dat zou je altijd zien. Dat zag
je ook uit de geschiedenis. De vrijheid wint en het recht. De Goeden
zijn de sterksten.
O! Die heerlijke avonden, tegen de lente, als Paul ging wandelen, met
zijn bijbeltje in den zak. Wat was het dan mooi in de weilanden! Hoe
rustig en zacht-tevreden lagen zij uitgestrekt, en wat stonden de
koeien stil te wachten in het late licht! Wat zacht, die boomen op de
dijkjes in het verschiet, wat ’n teere, fijne stammetjes! En dan heel
in de verte van den dijk een kar met een paard, zoo gevoelig om te zien
aantrippelen! Hij liep altijd zoo ver mogelijk den kant op waar hij
dacht dat den Haag was. Daar was je toch een héél klein beetje dichter
bij haar, dacht hij. En als hij dan moê was, en ging uitrusten onder
een boom, dan keek hij heel innig naar het Noord-Westen, waar zij nu
ergens vér, vér zijn moest, en zei „Dag Corrie! Dag lieveling!”
Zoo’n Jongetje nog!
Ook bleef hij wel voor het open venster zitten. Zijn kamer zag uit op
de kade, waar veel schepen lagen. Als het begon te schemeren lagen zij
zoo stil op het water, met hunne hooge masten zoo plechtig, roerloos in
de lucht. Beneden was lachen en praten, en hooge stemmen van meisjes op
een brug. Zóó zat hij ééns, dít weet ik opeens nog heel goed, het was
ook zoo’n gewichtig ding,—een vogeltje was heel zacht aan ’t kweelen in
den boom voor zijn raam—o ja, zóó zat hij eens vroeg op een avond met
een nieuw boek. Het was eene engelsche vertaling van Dante, door
Rossetti. „The New Life” heette het, Vita Nuova. Dat moest van heel
mooie, edele liefde zijn, had hij gehoord. En toen lás hij het, in de
zachte schemering:
„Nine times already since my birth had the heaven of light returned to
the selfsame point almost, as concerns its own revolution, when first
the glorious Lady of my mind was made manifest to mine eyes; even she
who was called Beatrice by many who knew not wherefore. She had already
been in this life so long as that, within her time, the starry heaven
had moved towards the Eastern quarter one of the twelve parts of a
degree; so that she appeared to me at the beginning of her ninth year
almost, and I saw her almost at the end of my ninth year....”
Zie je nu wel dat het kon? Negen jaar waren ze maar, negen jaar! En dan
hadden ze nog wel gezegd dat het niet kon als je nog zoo jong was! En
Corrie en hij waren al veertien geweest! En zou dat dan niet nog beter
kunnen? Gekheid, kalverliefde, had papa eens gezegd. Maar Dante, die
wist wel beter. Hoe heerlijk, hoe heerlijk! Dante, dat was immers de
allergrootste dichter geweest, had oom Cateur wel eens gezegd, die had
geschreven van de Hel, en het Vagevuur, en het Paradijs. Dat zou hij
later ook gaan lezen! En zoo iemand, zoo’n hééle Groote, waar eeuwen na
zijn dood de menschen nog met eerbied van spreken, die had het Meisje
gezien toen hij nog maar negen jaar was, en die was altijd zijn
lieveling gebleven. En later was hij bij haar in den Hemel gekomen, had
oom gezegd.
Toen voelde Paul zich trotsch. Dante, díe zou hem wel geloofd hebben.
Díe zou het wel mooi gevonden hebben dat hij al zoo vroeg was gaan
houën, al was het nog zooveel láter dan híj met Beatrice. En wat dan de
andere menschen er van zeiden, dat deed er immers niet toe. Heine en
Dante, díe weten het wel.
Het was een heel moeilijk boek verder. Moeilijk Engelsch ook. En die
verzen die er in stonden, die begreep hij nog niet. Maar van dien avond
af aan was Dante óók iets heel groots en gewichtigs in zijn leven
geworden.
Dat was toch nog véél, véél mooier dan Cooper en Aimard en Verne
vroeger!
Het Jongetje werd ook grooter, net als ’t Meisje. Ik spreek nog altijd
maar van hem als van ’t Jongetje, maar als hij toen zoo genoemd was zou
hij raar opgekeken hebben. Hij liep nu naar de zeventien. Hij groeide
erg in de lengte, en was op één na de grootste van de klas. Hij droeg
een heerenhoed, en zelfs een pandjas, english fashion, in de vacantie
in den Haag gemaakt, en heel hooge boorden met omgeslagen punten, en de
nieuwste dassen die ze in den Haag droegen. Hij leek al heel aardig op
een pas aangekomen student, en liep er al een beetje naar, met
gewichtige, wijde stappen, het hoofd een beetje vooruit gestoken, en
met een Haagschen stokzwaai. Je zoudt hem niet voor een Jongetje hebben
gehouden, maar voor een would-be studentje, zooals er in de hoogste
klasse van ’t gymnasium zijn in den Haag.
En dat ik nog altijd van het Jongetje spreek is omdat ik niet dien
aankomenden student zie, met zijn uiterlijkheden en zijn schijn van
grootzijn, maar omdat ik zijn ziel maar altijddoor zie, zijn jonge
ziel, die van niets droomde dan het Meisje, het Meisje, het Meisje.
En dat was nog héél erg de ziel van een Jongetje!
Het onwankelbare geloof aan recht en trouw en liefde, het naïeve voelen
van de onoverwinnelijke macht van het goede en schoone over het slechte
en leelijke, is dit niet nog héél erg van een Jongetje?
En nu zie ik opeens een heel zwarten tijd voor het Jongetje. Het was
kort nadat hij weer terug was. Hij had een nieuwe plaats gekregen in de
klas.
Toen kwam er iets heel gevaarlijks voor Paul. Naast hem in de bank zat
een groote jongen, Anton Meeker, al een lange slungel van bijna
achttien jaar, veel te oud voor de derde klas. Hij was erg achterlijk,
en schaamde zich niet eens om met zooveel kleine kameraden te zitten.
Anton was een gemeene jongen. Hij was bekend om zijn succes bij
meisjes, en daarom had de geheele klasse een soort eerbied voor hem. En
toch sprak hij altijd heel plat en minachtend over meisjes. Hij lichtte
zoo tusschenbeide zijn medescholieren over allerlei dingen in, waar zij
wel veel van hadden gehoord, maar toch nog niet het fijne van wisten.
Gemeene, triviale dingen, gezegd met grove woorden, onder snood
gelach....
Ik kan het alles niet zeggen. Ik kan het niet over mij krijgen om het
hier neêr te schrijven in dit boek van het Jongetje.—Het is de gore,
brutale schijn-realiteit van het leven, als het niet wordt gezien in ’t
licht van reine Liefde. De Liefde wèg en kijk!.... hoe droef en duister
wordt het leven, hoe dierlijk wordt het doen der menschen, en hoe bang
en vreeselijk wordt het gansche wereld-wezen. Dan lijkt wel alles
troebel en van slechten reuk, dan is het doen der menschen als het
wilde drijven van het redelooze dier. En zoo was Anton Meeker’s
opvatting van het leven. Hij was een wees, die nooit zijn moeder had
gekend.
En hij had er een zeker bruut plezier in, om zijn jongere vrienden te
vertellen wat hij wist. Te vertellen van meisjes en wat ze eigenlijk
waren, en wat je van haar hebben moest, en waar het eigenlijk wel om te
doen was, en niets anders.....
En toen hij zag, dat het Jongetje onder den indruk kwam, en het hem
pijn deed, koos hij hem tot zijn voornaamsten vertrouweling.
Toen is er over de ziel van het Jongetje een schaduw gevallen, die
elken dag grooter en grooter werd. Vroeger, toen hij altijd bij Corrie
was, had hij er nooit bizonder over nagedacht.—Zij maakte het zoo licht
en zuiver in hem, dat al ’t slechtere wegvluchtte uit zijn binnenste,
zoodra haar reine oogen er kwamen schijnen.—
Maar nu, nu hij alleen was, durfde het booze wel weer opstaan in de
duistere onbewustheden van zijn wezen, en Anton Meeker’s schennende
woorden vielen als gif in zijn ziel.
De meisjes, waar Anton over sprak, waren zusters van zijn lieveling, en
ieder woord, dat een meisje ontheiligde, dreigde naar háár eigen,
aangebeden wezen. Anton had een groot meisje van de Normaalschool, waar
heel veel over gesproken werd, en dat al bijna eens uit de school was
gezet om een reden waar de jongens op de les grinnekend over
fluisterden. En Anton pochte op zijn intimiteit met haar, en verzon er
lange, geheimzinnige verhalen over. Paul had haar wel eens gezien, en
kon het niet gelooven. Ze leek een heel lief meisje, en had een mooie,
blonde vlecht, als die van Corrie, bijna even mooi.... En bij ieder
nieuw ding dat hij over haar hoorde, voelde hij pijn. Totdat ze
eindelijk werkelijk werd weggestuurd uit de school, en ze uit de stad
werd gezonden door haar ouders.
Toen was Paul heel bedroefd en dacht: „Hoe kan dat zijn, zoo’n meisje,
zoo’n lief meisje, hoe kan daar slechts bij wezen?” En dagen lang liep
hij er mede rond, al denkende en denkende.—
Maar op een avond, toen hij er steeds maar aan bleef denken, ging hij
naar de kamer van oom Cateur.
„Wat is er, mijn jongen?” zeide de directeur. „Heb je wat te vragen?”
Het zag er zoo echt vertrouwd en gezellig uit in de studeerkamer!—De
boeken achter de glazen kastdeuren, en de platen en fotografieën aan
den wand maakten het zoo vertrouwelijk.—En wat had oom Cateur toch een
vriendelijk gezicht, wat keken zijn bruine oogen zacht en hartelijk
over den grooten bril!
Toen ging Paul vastberaden bij hem zitten in een armstoel en vertelde
hem zoo goed hij kon wat hem hinderde. Het was een heele durf, maar die
oogen vóór hem keken zoo vriendelijk en gaven hem moed, en toen hij
eenmaal aan ’t spreken was, en om Corrie dacht, ging het hoe langer hoe
beter.
Toch stonden er tranen in zijn oogen, toen hij eindelijk vroeg: „Is het
wáár, oom, is het wáár dat alles zoo is, en dat alles dan maar
eigenlijk leelijk en slecht en vuil is?”
Mijnheer Cateur keek heel ernstig toen het Jongetje had gesproken. Hij
bleef even nadenken, en zag het ventje medelijdend aan.—Toen nam hij
hem bij een hand, en zeide langzaam, om het goed te laten begrijpen:
„Ik vind het heel flink van je, dat je mij dit alles hebt verteld, mijn
jongen..... de meeste jongens en ook de groote menschen zwijgen er maar
over, en dat is toch zoo verkeerd.... het is heel moeilijk om het je
uit te leggen, omdat je nog zoo heel jong bent, en je het niet
begrijpen zou.... ja, dat meisje van Anton Meeker was een slecht
meisje, ik weet alles van haar en wat met haar gebeurd is.... en er
zijn een heeleboel erg leelijke dingen in de wereld.... en wat Anton je
heeft verteld van trouwen en van kinderen krijgen is ook waar in
hoofdzaak.... maar, nu wil ik je eerst eens dit vragen: al kan ik het
je nu nog niet uitleggen, omdat je nog te jong bent, zou je me dan vast
willen gelóóven als ik je heel stellig iets verzeker, dat het wáár is,
en je er op áán kunt?”....
Wat had die oom Cateur een zachte, lieve stem! Nog nooit had Paul zoo
van hem gehouden. En dadelijk zei hij vol vertrouwen: „Ja meneer! ik
geloof U! Natuurlijk!”
—„Nu dan,” zei de heer Cateur, heel ernstig, „wat Anton je verteld
heeft is wel in hoofdzaak waar, maar zooals hij het vertelt, is het
niet waar. Hij gelooft het zelf en bedriegt je niet, en hij ziet het
allemaal zelf zoo als waar, maar dat komt omdat hij een slechte jongen
is.... Hij heeft zeker nog nooit van iemand gehouden.... Ik heb van je
moeder gehoord dat je een heel lief vriendinnetje hebt, waar je erg
veel van houdt.... Nu, onthoud dan dit, beste jongen, en geloof me....
Als je maar altijd heel veel van je meisje houdt, of als een man heel
veel van zijn vrouw houdt, dan is er niets slechts of leelijks.... Er
is iets in de wereld, dat alles rein maakt wat zoo oppervlakkig leelijk
schijnt, en dat is de Liefde.... De Liefde, waar je wel van leest in
verzen en romans, maar waar heel weinig menschen het heilige en eeuwig
goede van weten.... Die maakt alles wat zwart lijkt zoo wit als sneeuw,
en niets, wat bij die Liefde hoort, is slecht of leelijk, niets,
niets.... alles wat die jongen je verteld heeft is alleen waar als er
geen Liefde was.... Alleen als er Liefde is, mijn jongen, dan is er
niets slechts, dan wordt alles wat vuil en leelijk schijnt verreind, en
dan is alles heilig.... Zoolang je dus maar in Liefde gelooft is al het
leelijke wat Anton je vertelt een leugen, een grove leugen, hoor je, al
lijkt het allemaal ook nog zoo wáar.....”
Toen werd het weer heelemaal licht in de ziel van het Jongetje.—Alles
was dus goed, en mooi, en rein. Want er was Liefde.... Hij had Corrie
lief, o! hij hield van haar, hij hield van haar, zijn lief, lief
Meisje!
En hij beloofde oom Cateur om er altijd om te blijven denken, en het
nooit, nooit te vergeten.
„Als je ooit weer iets hebt, en je voelt je ongelukkig, kom dan maar
gerust je hart nog eens uitstorten,” zei de oude meester nog.
En met een verlicht hart ging Paul naar zijn kamer. Daar bleef hij nog
wat in zijn leuningstoel zitten mijmeren voor hij naar bed ging.
Wat was het toch eigenlijk eenvoudig! Hoe had hij zoo weken achtereen
kunnen suffen, en zich zoo laten beetnemen door de taal van zoo’n ruwen
jongen! Het was zoo heel eenvoudig, als je maar blijft houën, dan is
alles rein. Hoe had hij het kunnen vergeten! Hoe zou nu ooit bij Corrie
iets slechts kunnen zijn, bij Corrie, waar alles zoo teer en rein en
zuiver aan was?
En hij schaamde zich, en voelde of hij iets leelijks tegen zijn
lieveling had gedaan door zoo te denken. Hij zag opeens weer het blanke
maagdelijn voor het raam, in haar wit nachtponnetje. Kuisch, onschuldig
kind! Lief bruidje van Onzen Lieven Heer, met je gouden haren, en je
rank lichaampje, zoo zoet en teeder! Wondere sfeer van heiligheid,
bevende om haar heen!
„Ja, het is goed, het is zuiver, het is alles mooi van het leven. Het
vuil is buiten mij en mijn lieveling,” dacht het Jongetje.
„Het is ook niet wild en grof, zooals die slechte jongen heeft gezegd.
Want juist het erge houën, de Liefde maakte die grove, harde dingen zoo
zacht en wonderlijk teeder....”
En enkel door geloof en heldere intuïtie wist het Jongetje opeens de
hoogste wijsheid, die filosofen maar zoo zelden met de gedachte
bereiken. Want de simpele waarheid is voor de eenvoudigen van geest, in
wie de pure liefde woont.
„Ik houd van haar, zij houdt van mij, dus is er niets slechts. Alles is
heilig.”
En die sterke zekerheid droeg hij voortaan altijd met zich mede, als
een schild voor zijn borst.
Zóó ging het leven veilig voor hem verder, en de schaduw was weg van
zijn ziel.—
Nog veel, veel uren op de school, nog veel, veel wandelingen door de
velden, en stille avonden van droomen aan het open venster, nog veel
lief luisteren, onder bloesemende boomen, naar ’t zoet gekweel van
vogelen in de lente, en de zomer kwam, de heerlijke, heerlijke zomer
van de vacantie.
Corrie had niet meer geschreven. Ze durfde zeker niet. Maar ze had wèl
tweemaal de groeten laten doen door zijn moeder. Mama kwam haar nog wel
eens tegen in de stad, en als zij alleen was, kwam Corrie naar haar
toe, en vroeg hoe Paul het maakte, en liet hem groeten. In den laatsten
tijd had ze haar niet meer alleen gezien, schreef mama. Ze was bijna
altijd met haar moeder, en dan liep er nog een officier bij, een
kapitein van het indische leger, zeker een oom of een neef. Maar ze
liep nooit met andere jongens, hoor, of met jonge heertjes, en Paul kon
gerust zijn!
Nu nog de drukte van de repetities, voor de groote vacantie. Dat is een
kwestie van overgaan in de volgende klas, òf blijven zitten. Verbeeld
je, blijven zitten, en niet naar huis mogen!—De verzen en de romans
bleven nu in de kast, en het Jongetje was een paar weken aan ’t blokken
van belang. De wiskunde, daar was hij pas bang voor!
Maar het liep hem mee. Hij kreeg allemaal vragen die hij wist, en bofte
even hard met het schriftelijk werk. Hij was er door, hoor!
Alweêr wat dichter bij Corrie! Hoera! Nu nog maar één klas en dan
student! Gauw het goede nieuws naar huis schrijven. En een dikke brief
van moê terug. Hij was een flinke, beste vent geweest. Nu waren ze
trotsch op hem. Alles was nu weer goed, hoor! En, het heerlijkste van
alles nog, er was wel een kansje dat hij nu weer terug zou mogen komen.
Papa zou met den directeur spreken, en hij dacht wel dat Paul zou mogen
terugkomen in den Haag, en de vijfde klas doormaken.—Er was één leelijk
ding in den brief. Corrie was met haar oudelui op reis, had ma gehoord.
Ze waren ergens in Duitschland, wáár wist ze niet precies. Maar ze
zouden natuurlijk wel weer terugkomen.
Hoe dol, dolblij was Paul!
Toch stonden de tranen in zijn oogen, toen hij afscheid nam van oom
Cateur. De beste, goeie, vriendelijke oom, die hem altijd zoo geholpen
had! En toen hij voor ’t laatst in zijn kamertje stond, waar hij zoo
dikwijls had zitten droomen, voelde hij ook iets héél droevigs.
Maar het heerlijke, heerlijke dat komen ging! Weer terug zijn in den
Haag, en altijd, altijd bij haar blijven, haar elken dag weer zien!
En daar zit mijn Jongetje weer in den trein. Hoera, hoe ijlt hij in
bliksemsnelle vaart vooruit, harder nog maar, véél, véél harder, daar
gaat mijn Jongetje dan weer eindelijk terug naar ’t Meisje!.....