Den volgenden dag was hij in Schotevelde.
Het was heel anders gegaan dan hij verwacht had. Mama was weer
heelemaal goed met hem geworden, en had hem alles vergeven, en hem
afgekust. Zij was hem ’s avonds nog komen toedekken, zooals vroeger,
toen hij nog kleiner was, en had allerlei lekkers in zijn koffer
gedaan, en een beurs met vijf gulden, een heele schat. Papa had heel
ernstig met hem gesproken, maar was veel zachter geweest dan vroeger.
Hij had hem gebracht tot Roosendaal, en hem daar in den trein naar
Schotevelde geholpen; hij had hem toen een kus gegeven, en heel
vriendelijk gezegd, dat zij nu voortaan goede vrienden zouden blijven,
als er maar flink gewerkt werd.
Aan het station in Schotevelde was oom Cateur, de directeur van de
Hoogere Burgerschool, bij wien hij in den kost zou komen. Paul was
eerst een beetje bang geweest, zoo naar een directeur te moeten gaan,
en had hem zich voorgesteld als een nijdigen, grimmigen ouden heer.
Maar wat wás dat meegevallen! Wat een vriendelijk, prettig gezicht, zoo
heelemaal geen schoolfrik, zoo net een goede, oude oom uit een boek. En
tegelijk zoo knap, zoo of hij alles uit zijn hoofd wist.
Toen zij thuis waren gekomen nam mijnheer Cateur Paul even apart, in
het spreekkamertje.
„Hoor eens, Paul,” zei hij vriendelijk, hem met zijn goedige oogen over
den gouden bril heen aankijkend, „ik heb gehoord dat je in den Haag van
de school bent verwijderd, omdat je het daar te bont maakte. Je mama
heeft me alles geschreven, en ik weet overal van, hoor! Maar pas op dat
je me hier op school níet méér van die aardigheden uithaalt, want dat
zou je leelijk opbreken, en we maken hier korte metten. Je mama heeft
me ook van je meisje geschreven,—nou! krijg nu maar geen kleur, hoor!
het is niets verkeerds, en ik mág dat wel,—maar als je dat meisje nog
wilt terugzien in je leven, dan moet je hier niet den kwâjongen
uithangen, maar een flinke vent worden. Begrepen? Dat je zooveel van de
natuur houdt, en graag buiten bent, en dat je graag leest, dat doet me
plezier. Ik heb een heeleboel boeken en die mag je allemaal lezen. Maar
dat mag je niet verhinderen om ook te leeren, wat je nu minder prettig
vindt, en alles te doen wat de leeraars je opgeven. Je moet me beloven
om nu de studie voor je plezier te laten gaan, en je vooral toe te
leggen op de wiskundige vakken, waar je achterlijk in bent. Dan zullen
we goede vrienden worden, en je zult het hier goed hebben.—En als er
iets is wat je hindert of wat je niet begrijpt, ook al is het niet
direct van de school, dan kom je me maar vragen wat je wilt, hoor!
Nooit iets achterhouden of achter mijn rug doen, want dat vind ik
leelijk, en dan krijg ik het land aan je. Ziezoo, ik geloof dat we
elkaar begrijpen, hè?....”
Dat speechje, met die zachte, vriendelijke stem, en die goedige oogen,
hem diep in de zijnen kijkend, maakte indruk op Paul. Dát was me nu pas
een directeur! Als de leeraars zoo allemaal waren!
Mijnheer Cateur was weduwnaar. Zijn eenige zoon was in de Oost, en zijn
ongetrouwde zuster, een vriendelijk oud vrouwtje, nog ouder dan hij,
deed het huishouden.—Paul kreeg een heel gezellige kamer om te
studeeren, en een klein slaapkamertje.
Toen hij den volgenden morgen aan het ontbijt kwam lag er een brief op
zijn bord.—Hij kreeg een kleur van blijdschap, maar durfde hem niet
openmaken onder ’t eten; dat stond niet.
„Lees maar gerust eerst je brief, hoor! Je zult wel nieuwsgierig zijn,”
zei meneer Cateur met een lachje. „Wat een mooi roze envelopje!”
En Paul deed gauw zijn brief open. Ja, hij had zich niet vergist! Hij
was van Corrie! En een lange, van bijna vier zijdjes, met haar mooie
lettertjes zoo wijd uit elkaar.
Lieve, beste Paul!
Je zult wel erg bedroefd zijn en daarom maak ik gauw dat je wat van
mij hoort. Ik ben ook verdrietig. Nu je weg bent merk ik pas
hoeveel ik van je houd. Ik moet je zeggen dat ik je eigenlijk niet
schrijven mag want dat staat niet, zegt ma, en grootmama moest er
eens achter komen! Maar ik zal het toch nog wel eens stilletjes
doen. Als je weer terugbent houden we toch evenveel van elkaar.
Toen je gisteren weg was, is er nog iets heel vreeselijks gebeurd.
Een van mijn sijsjes was dood. Ik heb hem in den tuin begraven bij
de parkietjes. Het was zoo moeilijk want de grond was zoo hard. Ik
lees de sprookjes van Andersen die zoo mooi zijn, heb je gezegd.
Ik ga geloof ik niet meer naar den Dierentuin, want daar moet het
nu erg saai zijn als jij er niet bent. Ik kijk nooit naar andere
jongens, daar behoef je niet bang voor te zijn. En jij mag niet
naar andere meisjes kijken hoor! We gaan immers later samen trouwen
en dan gaan we in een mooi huis wonen en een grooten hond koopen
net als oom Frits. Maar dan moet je eerst heel knap worden en veel
leeren, zegt ma.
Ik kan me nog niet begrijpen dat je weg bent en als ik naar school
ga denk ik altijd dat je op den hoek zult staan bij de Pooten.
Morgen ga ik met mama een nieuwe jurk koopen en ik ga blauw nemen
omdat je dat zoo mooi vindt. Het broche met het duifje zal daar erg
goed op staan. En de Edelweiss ligt in de sprookjes bij het
leelijke jonge eendje. Ik wou dat je maar weer hier was want ik
verlang zoo naar je en ik verveel me erg.
Hè, gorrie, want heb ik een langen brief geschreven! Ik moet nu
naar bed, zegt ma. Ik laat Kaatje mijn brief nog even in de bus
doen om den hoek. Nu wel te rusten! Wees nu maar niet bedroefd
hoor, want ik houd toch zoo van je. Dag Paul! Slaap lekker hoor!
Dag! dag! dag!
Je altijd liefhebbende Corrie.
P.S. Je moet maken dat ik jou brief zoowat tegen den middag krijg
dan is pa uit. Ik zal toch nog wel eens stilletjes schrijven. Ik
tel de dagen tot je weer terug bent.
Paul had wel kunnen huilen van plezier, maar hij hield zich goed. Wat
lief van haar zoo om hem te denken! Wat een beste, goeie lieveling! Ja,
hij zou knap worden en veel leeren, o! zoo veel! Dat zou haar mama eens
zien. Er was zooveel niet aan, hoor, aan die Meetkunde en die Algebra.
Nu het voor háár was zou hij nog wel véél, véél meer kunnen. Het was
eigenlijk wel goed dat hij van haar weg was. Nu kon hij eens toonen wat
hij wel voor haar doen kon. Het zou nu wel goed gaan.
En het gíng goed. Hij was er nú al heel gauw achter wat (a + b + c)²
is, en waarom het kwadraat van de hypothenusa gelijk is aan de som van
de kwadraten der beide rechthoekzijden. En nog een heeleboel dingen
meer. Hij begon er zelf meer plezier in te krijgen, nu hij niet meer
zoo altijd verlangde dat de les uit zou zijn, om naar ’t Meisje te
vliegen. Het werd nu langzamerhand veel rustiger in zijn zieltje.
Het was héél zenuwachtig geweest al dien tijd met het Meisje, en hoe
langer hoe erger. Altijd maar verlangen en verlangen om bij haar te
zijn, en als zij er niet was werd hij zoo onrustig en klopte zijn hart
van begeerte dat de tijd toch maar vooruit ging!
Maar nú was alles kalm en vlak in hem. Nu had hij er zich bij
neêrgelegd haar niet te zien, nu hij het beschouwde als iets wat hij
doen moest, om haar te verdienen. En hij kon met plezier zitten werken
aan allerlei moeilijke vraagstukken, iets wat hij in langen tijd niet
alleen had kunnen doen.
Onder de jongens op school had hij geen intieme vriendjes. Ze vonden
hem te deftig, ze noemden hem het Haagsche heertje. Hij zag er altijd
zoo netjes uit, met manchetten en hooge boordjes. En de Schoteveldsche
jongens kwamen voor ’t grootste deel van de dorpen uit den omtrek en
vonden hem een fatje, wat hij misschien wel een beetje was. Meisjes
waren er óók. Wel aardige meisjes waren er bij. Maar Paul liep ze niet
na. Niet waar, als je Corrie eenmaal gekend hebt, hè? Dan is daar
immers geen kwestie van! Het léék er niet na! Één ja, die was heel erg
mooi; maar alleen omdat ze ook zulk lang blond haar had. Maar dat van
Corrie was natuurlijk véél, véél mooier.
Toch was het altijd prettig om meisjes te zien. Want meisjes is ’t
mooiste op de wereld. Meisjes zijn nu eenmaal meisjes. En al heb je het
állermooiste Meisje wat bestaat, toch zijn de andere altijd even zacht
en lief en vriendelijk. En je bent blij als je er tegenkomt en je hoort
die heldere, hooge stemmetjes en je ziet die lachjes en al dat
grazieuze, teedere, aardige gedoe. Het blijft altijd iets om je hoed
voor af te nemen en diep voor te buigen. Het is zoo héél veel anders en
beters dan jongens.
Schotevelde was een mooi stadje om te wandelen. Zoo anders dan den
Haag. Zoo alles Zeeuwsche natuur, wijde weilanden met runderen, en
hooge dijken, en polders. Je komt er weinig menschen tegen en je bent
alleen met je gedachten.
En van Paul waren het al héél lichte en blijde gedachten! Dat was iets
nieuws, zoo heel alleen tegen zoo’n dijk te liggen, met vér en klein de
stad, lekker buiten, en dan zoo om haar te liggen denken. Wat ze nu
doen zou. Hoe ze er nu uit zou zien. Of ze ook aan hém zou denken? Ja,
natúúrlijk zou ze dat. Dat wist hij zeker. Misschien was ze wel in den
Dierentuin, het was Zaterdagmiddag.
Altijd, altijd was ze bij hem.—Het Jongetje leefde wel ver van haar,
alleen, en de dagen gingen en kwamen, en hij leerde nieuwe dingen, en
voelde nieuwe indrukken, maar het eigenlijke, innige leven van het
Jongetje bleef hetzelfde. Daar veranderde niets aan. Het Meisje bleef
het groote heiligdom van zijn hart, dat waar hij voor leefde, en waar
hij voor bestond. Alles kwam toch maar alleen op het Meisje neer. Hij
werkte voor het Meisje. Hij leefde alleen om ’t Meisje later weer terug
te zien. Hij stond op en dacht dadelijk om ’t Meisje, hij zei trouw
iederen avond als hij slapen ging: „dag lieve Corrie! wèl te rusten
hoor!” en heel dikwijls droomde hij ’s nachts van haar.
Wat een heerlijk leven moet dat voor ’t Jongetje geweest zijn! Ik weet
maar heel weinig van al de kleine dingen van zijn leven toen en van
zijn doen van alle dag, hoewel ik álles weet, precies, van vroeger met
het Meisje.—Alles van toen in Schotevelde schijnt mij zoo gauw te zijn
voorbijgegaan. Ik weet van wandelingen en partijtjes op een
boerenhofsteê en van roeitochtjes op het kanaal naar de Schelde. Maar
zoo precies, elken dag, zooals van vroeger toen hij met het Meisje
leefde, met heel duidelijk hoe toen de boomen waren en de luchten, en
alle dingen in ’t rond, zoo weet ik niets meer. Het was het groote
licht dat van het Meisje afstraalde, wat alles vroeger zoo intens deed
pralen voor zijn ziel, geloof ik. En nú in zijn eenzaamheid werden de
dingen zachter en flauwer, en met de dagen vervloden zij in zijn
herinnering.
Maar één ding, het allergewichtigste, weet ik alleen vast en zeker van
zijn leven toen: dat het ganschelijk om het Meisje heendraaide, en het
Meisje was het middenpunt van zijn ziel.
De grootste evenementen waren brieven van Corrie en van zijn moeder.
Die van Corrie kwamen maar heel zelden. Ze moest het heel stilletjes
doen, zei ze. Ma wist wel dat ze het deed, maar pa mocht het niet
weten. Ze vertelde allerlei incidentjes uit haar leven, voor hém
allergewichtigste dingen. Hoe het met Zorrie ging en met haar poesjes
en haar vogeltjes. Ze had gewandeld met Wies, haar vriendinnetje. Hoe
er een buitenpartij was geweest, en hoe het bal was geweest bij Marie.
Ze stuurde hem haar balboekje om te laten zien hoe weinig ze maar
gedanst had en nooit tweemaal met denzelfden jongen. Het was saai en
vervelend als hij er niet was. Ze had een nieuwe jurk gekregen, met een
langen rok, want ze werd nu al een groot meisje, zei ma. En dat vond ze
heel akelig, je liep er zoo moeielijk mede. Ze wou geen groot meisje
zijn, ze wou altijd zoo blijven als ze was. En ze moest deftig doen, ze
was nu een jonge dame, zei grootmama. Ze werd in Augustus zestien, dan
mocht ze het haar niet meer los dragen. Maar ze zou het natuurlijk toch
doen als hij terug was.
Zulke gewone, kleine dingen. Maar hoe groot en gewichtig voor het
Jongetje. Wat een heerlijkheid zoo’n brief, en wat werd hij afgezoend,
en dan ’s avonds onder zijn kussen gelegd, als hij ging slapen!
En dan de brieven van mama! Wat vertelde zij trouw wanneer zij Corrie
was tegengekomen. Het Meisje liep dan altijd een eindje met haar mede,
ééns hadden ze samen plombières gegeten bij Sprecher. Ze had dit of dat
jurkje aan en dát hoedje had ze op. Ze groeide erg. Ze werd een heele
jonge dame. Altijd was ze alleen of met Wies of haar mama. Nooit was ze
met een anderen jongen. Mevrouw Waerens wist hoe alles van Corrie haar
jongen interesseerde, en maakte dikwijls haar geheelen brief vol van
haar, om hem maar plezier te doen.
Als er dan weer zoo’n brief gekomen was dan leefde het Jongetje er voor
een paar maanden van. En zóó ging de tijd al heel gauw voorbij. In
Januari was Paul in Schotevelde gekomen, en met de zomervacantie mocht
hij nog niet terug, al was hij met succes in de vierde klasse
overgegaan. Hij moest eerst een jaar van huis zijn geweest en goed
hebben opgepast, dan mocht hij weer komen. Met de kerstvacantie, in
December misschien.
En hij droeg het heel dapper. Het was immers allemaal voor Corrie! Je
kon haar toch zoo maar niet krijgen zonder er iets voor te doen! Wat
hadden de ridders vroeger al niet moeten doen! Die maakten heele
kruistochten, en waren jaren gevangen in donkere kerkers, en bleven
toch trouw. Dat was nog iets véél ergers!
Het ging op school van een leien dakje, en de wiskunde was nu niet meer
zoo moeilijk, al bleef hij het beste in de talen. Hij mocht zooveel
lezen van oom Cateur als hij maar wilde. Het allerliefste was Heine.
Heine! dat was pas een groot, goddelijk dichter, die had pas van
meisjes gehouden! Die zou pas verliefd zijn geweest op Corrie! Goed dat
hij haar nooit gezien had! En heel wat tranen van het Jongetje zijn op
het Buch der Lieder gevallen. Hij begreep niet dat Heine nog was
blijven leven toen het Meisje weg was. Hij kon het zich eigenlijk niet
voorstellen hoe Corrie ooit weg zou kúnnen zijn, maar hij zou doodgaan,
dat was zéker. Maar Corrie was veel te lief en te goed, zij zou hem
nooit verdriet kunnen doen. En toch moest hij heel erg huilen toen hij
las van den Fichtenbaum en de Palme. En onbewust was het altijd Corrie,
die in het Buch der Lieder werd bezongen, en een bloem was, en een
ster, en een engel, en de Loreley met het goudene haar. Wat heerlijk,
om zoo zacht in de golven te verzinken, als zíj daar bóven zat op de
rots, en hem lief aanzag met haar blauwe oogen, en zij zong. Wat
goddelijk, met haar te drijven in een ranke boot, en in de verte
schemert het geesteneiland, en stil, stil kabbelt het water. En o! als
zij eens dood waren en ’s nachts op een kerkhof, zou hij óók niet in
haar grafje komen, en heel dicht bij haar blijven liggen in het
kistje?—Toch deed hem al dat mooie soms heel veel pijn. Het Meisje van
Heine had hem bedrogen, en zijn hart was vol vergif, zeide hij. Hoe kon
dat nu? Hoe kan zoo’n Meisje ooit haar lieveling pijn doen en liegen?
Want zoo dacht het Jongetje over den loop der dingen: het Recht
zegeviert en de Liefde. Er is wel veel strijd en veel slechts, en het
lijkt somtijds wel of de Goeden verslagen zijn en de Kwaden winnen,
maar als je maar wacht, dan is het niet zoo. Het Goede wint altijd. De
Liefde is de schoone ridder uit de sprookjes, die de draken en roovers
verslaat, en altijd overwint. Als je maar goed bent en je blijft maar
altijd van elkaar houën dan wordt je ééns gelukkig. Als je maar dapper
bent en ridderlijk, dan is alles rechtvaardig in de wereld. Dat dacht
het Jongetje toen heusch, en het was zijn hoogste levenswijsheid, al
was hij zich dat zoo niet bewust. Hij vond het zoo gemakkelijk, en zoo
eenvoudig was het! Hoe kon hij nu anders dan houën van Corrie, en wie
zou niet dapper zijn, om háár te winnen? Hoe kon het leven ooit leelijk
zijn, of de wereld slecht, met zoo’n heerlijk mooi Meisje, met zoo’n
zuivere, schitterende, stralende liefheid, die over álle dingen
lichtte, hoe kon er ooit leugen bestaan, die niet wijken moest voor
haar oprechte, trouwe oogen vol waarheid en liefde?
Corrie was altijd bij het mooiste wat hij las en hoorde en zag. De
heldin van elk boek was eigenlijk Corrie. Hij stelde haar zich altijd
voor als Corrie, en hoe vreeselijk als zij ongelukkig was en leed, en
hoe heerlijk als het dan weer goed werd! Hoe gemakkelijk was het
eigenlijk voor hem, die haar liefhad, om goed te zijn, en sterk te
blijven en eindelijk te zegevieren. Want de gedachte, dat zij van hem
hield, die moest hem vanzelf wel onoverwinnelijk maken!
De zomer ging voorbij, verbleekend in den herfst, en de herfst stierf
weg in den winter, en iederen dag bracht het Jongetje weer dichter bij
het Meisje. Elken avond als hij zijn kalender afscheurde dacht hij vol
hoop: „alweêr een! alweêr een dichter bij haar!”—
En eindelijk, eindelijk liep het naar Kerstmis. Nu kwamen de donkere
dagen van verleden jaar, toen hij van school was gestuurd, en alleen
had zitten treuren, opgesloten in zijn kamer. Wat was het nu anders! Nú
was het groote geluk weêr ophanden, en was iedere dag een nieuwe
blijdschap omdat hij hem er weer dichter bij bracht.
De rapporten van school waren mooi geweest. De wiskundige vakken waren
voldoende, en in de talen had hij op één na ’t hoogste cijfer dat kon
gegeven worden. Papa was erg tevreden, en er kwam een brief, dat hij
met de vacantie mocht thuiskomen.
Een paar dagen daarna zag een blij jongenshoofd, ver uit het
portierraampje van een wagon gestoken, met vroolijk lachende oogen den
trouwen, grijzen toren van den Haag statig omhoog rijzen, toen de
sneltrein met stormende vaart het Jongetje weer terugbracht naar het
Meisje.—