Tot nu toe was alles zoo vol licht en blijde zon, en de dagen gingen
zoo zorgeloos voorbij, in altijd nieuwe vreugde. Het Jongetje liep maar
te genieten, en dacht niet, want alles ging vanzelf zoo goed.
Maar nu moet ik van heel droeve tijden gaan vertellen, al voel ik mij
bang nu ik begin, zoo bang, alsof ik alles zelf nog eens moet gaan
beleven, wat nu gebeuren zal. En het is alles de schuld van het
Jongetje zelf, dat is het ergste nog.
Paul was niet meer op school de vlugge baas van vroeger, die altijd
nommer één zat. Hij was zoo vol van het Meisje, dat hij al het andere
vergat. Bij de les lette hij niet op, en thuis werkte hij niet. Hij
wilde wel, en probeerde telkens en telkens, boven, alleen op zijn
kamertje. Hij ging er voor zitten, met al zijn boeken, en in ’t begin
vlotte het ook wel. Maar o jee! dan kwam het blonde hoofdje van het
Meisje uit de boeken kijken, en hij wist niet meer van lijnen en van
hoeken en van cijfers, hij leunde met het hoofd op de armen, en
droomde, droomde......
Het was heel liefelijk wat hij droomde, heel goed en rein. Het was zoo
mooi, het zachte engelengezichtje, dat daar in die droomen lichtte, en
o! hoe gaarne gaf ik van mijn beste weten om nog ééns met zulke reine
oogen als het Jongetje in zoo groote puurheid naar dat maagdelijk
schoon te zien....
Maar het was heel dwaas en ongehoorzaam van Paul, hij was al veel te
groot om niet wat wijs te wezen, en zijn belangen te begrijpen, en zijn
plicht als zoon, en nog zoo heel veel dingen meer. Het is hem alles
later zoo goed voorgehouden en zoo bitter weinig kon hij er tegen
zeggen. Hij is een domme en dwaze jongen geweest; pas véél later heeft
hij geweten, wat hij zich zelf daarmee heeft aangedaan.
En nu wilde het toeval dat, door den dood van een leeraar in het
Nederlandsch, opeens een nieuwe meester voor de klasse kwam. Mijnheer
Van Raavendonk had nog maar weinig routine van met jongens om te gaan,
en stond vreemd en verlegen te doceeren. En binnen enkele dagen was de
klasse in vollen opstand, zoodra hij de deur maar achter zich gesloten
had. Hij was een groote, lange man, met iets vreemds in zijn verlegen
gezicht, en hij had rood haar, en hier en daar een puist.—En „de rooie”
werd het mikpunt van alle laffe, wreede kwâjongensgrappen, die de
jongens, ook de beste, vanzelf beginnen, als uit instinct, zoodra zij
zien, dat hun leeraar bang voor hen is.—De les werd een concert van
fluiten, brommen en gillen, en de toestand kon op den duur zoo niet
blijven.
De directeur hield een toespraak in de klas, en waarschuwde de jongens,
dat hij een voorbeeld zou stellen, en den eerste den beste, die zich
weer misdroeg, van de school zou verwijderen.
En zoo gebeurde het, dat op een Zaterdag vier jongens toch weer moesten
terugkomen om één uur ’s middags, om tot vier uur strafwerk te
schrijven. Zaterdagmiddag, een vrije middag, de eenige in de week sinds
met de tweede klasse ook de vrije Woensdagmiddag was verloren! Maar er
was niet aan te doen. En Paul zat met zijn drie kameraden treurig in
het triestige lokaal, met saai copieerwerk voor zich. En buiten wachtte
Corrie in den Dierentuin, niet begrijpend waarom hij toch niet kwam, en
zeker vol verlangen uitkijkend aan den ingang!....
Toen is er in de jongens een wanhopig idee opgekomen. Zij zaten in een
bank dicht bij de deur, en de leeraar aan ’t andere einde van ’t
lokaal, erg verdiept in corrigeerwerk. Stil, stil schoven zij naar de
deur, en opeens, allen met dezelfde impulsie, de deur uit! Maar juist
toen zij er uit waren het woedende opstaan van den leeraar, een stoel
hard omver.... Piet van Kemper, bang, en éven ziende dat de sleutel van
buiten stak, de deur op slot.... En toen allen, haast je rep je, naar
beneden, en op straat. De portier was aan het andere einde van de
school, en zou dus wel vooreerst het kloppen van den opgesloten leeraar
niet hooren....
En den volgenden dag kwam de directeur voor de klas, en zeide, dat de
jongen, die de deur gesloten had, zou verwijderd worden.—De heer van
Raavendonk was eerst om half vijf uit zijne opsluiting verlost. En het
verschrikte Jongetje, dat nu pas de portée begon te begrijpen van wat
ging gebeuren, werd door den directeur uitgekozen om voor de anderen te
boeten. Alleen als hij wilde zeggen, indien hij onschuldig was, wíe dan
schuld had, zou hij mogen blijven, werd hem nog gezegd.
Maar het Jongetje had veel te veel in de ridderromans en in de boeken
van Aimard gelezen om dat te doen. Een kameraad verraden, dat doet
zoo’n Jongetje nu eenmaal niet. En Piet van Kemper zweeg, en sloeg de
oogen neer.... Dat was misschien veel verstandiger van Piet.—Maar ik
ben nog altijd heel blij dat Paul het niet heeft willen zeggen, en geen
verrader was. Want dan zou hij toen al niet meer het Jongetje zijn
geweest. En zoo gebeurde het, dat ’s avonds, toen de familie Waerens
juist had gegeten, de brief kwam van den directeur, waarin werd kennis
gegeven van het gebeurde.
Dom, dwaas mannetje! Nu gaan ze je van ’t Meisje wegnemen, en wat moet
er dan van de twee inséparabeltjes worden?—
Paul verwachtte dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren, dat zijn
vader woedend zou bovenkomen, en hem hevige verwijten doen, en dreigen,
misschien wel slaan.
Maar er gebeurde niets.—Alleen werd de sleutel van zijn kamer
omgedraaid, en mocht hij niet uit. Het eten werd door de meid
binnengebracht.
Hoe eenzaam zat daar het Jongetje, en hoe klein leek hem opeens zijn
kamer! Hoe lang, lang, lang duurden de dagen. Zelfs mama kwam niet. Hij
hoorde haar loopen in de gang. Hij riep door het sleutelgat „Moesje!
moesje!” Maar zij kwam niet.
Dat duurde drie dagen. Het Jongetje was een uitgestooten wezentje,
ergens alleen in een hoekje, waar niemand om gaf. En hij voelde alsof
het in hem van binnen, waar het zoo groot was geweest, nu weer alles
ineenkromp.
Den vierden dag ’s ochtends vóór het ontbijt, kwam zijn moeder binnen.
Zij zag bleek, en had zeker veel gehuild. Het Jongetje vloog haar
tegemoet, wilde haar kussen en vergeving vragen. Maar zij weerde hem
zacht af.
„Je hebt ons zooveel verdriet gedaan, dat je me niet meer kussen mag
voor je weer een brave jongen bent geworden,” zei ze. „Je mag nu weer
uit, maar vandaag een week ga je naar Schotevelde bij je oom Cateur.
Papa wil je niet langer in huis hebben, en je moet de Hoogere
Burgerschool afloopen. Je moet nu maar eens in die week overdenken, wat
je gedaan hebt. Neen,.... je behoeft nu niet lief te doen, en niet te
huilen, want dat helpt niets.... alleen als je het bij oom goedmaakt,
en heel goed leert, mag je me weer kussen....
En zij keerde zich haastig om, en was weer weg. Het Jongetje wist niet
dat zij papa had moeten beloven, zich zoo koel en streng te houden, en
dat zij alleen met groote moeite de tranen weerhield, die in haar oogen
stonden, en den lust bedwong om haar jongen in de armen te sluiten en
te troosten.
Hoe arm en bleekjes stond daar het Jongetje. Zijn hart bonsde en
bonsde. Met een vreeselijken slag op zijn hoofd, op zijn hart, op heel
zijn levende lijf kwam het plotseling over hem:
„Ik moet van Corrie weg!”
Hij dacht niet eens om moeder, en om zijn huis. Hij dacht alleen om
Corrie.
Van Corrie weg! Maar dat kon niet! Dat mocht niet! Dat zou niemand
kunnen doen! Dat zou onze Lieve Heer niet eens kunnen doen! Dan ging je
dood, allebei. Hoe zou je nu alléén kunnen leven, verbeeld je, alle
dagen haar niet zien, niet bij haar zijn!—Waar is dan het licht en de
warmte? O! wat moet het dan donker, akelig donker zijn, en zoo leêg,
zoo leêg....
Het was gelukkig Woensdag. Nu om twaalf uur naar Corrie, en haar alles,
alles vertellen.—En precies op tijd stond hij op zijn post, op het
hoekje van de Vlamingstraat en de Groote Markt.
En het Meisje had ook al treurig nieuws. Grootmama Wallaert had in den
laatsten tijd al zoo tegen haar mama geknord, dat zij Corrie maar zoo
altijd met een jongen liet loopen. Dat stond niet, had grootmama
gezegd, en Corrie begon nu al zoo langzamerhand groot te worden, en de
menschen praatten er over. En eergisteren was grootma ’s middags weer
gekomen, en had verteld, dat Paul Waerens van school was gejaagd, en
dus zeker een slechte jongen was, en dat Corrie nu niet meer met hem
mocht omgaan, en dat het nu uit moest zijn, anders zou zij er met papa
over spreken. Wat zou tante Van Meeden wel zeggen, van de
Surinamestraat, en nicht Wallaert van Hoogland van het Voorhout, die
hofdame was van de koningin? Er was al over gepraat in de familie. En
grootmama had ook háár, Corrie, apart bij zich aan huis geroepen, en
haar gezegd, dat het niet te pas kwam, zoo maar overal met een jongen
te loopen, en dat het nu heelemaal niet meer mocht met Paul, want hij
was een gemeene jongen, die uit de school was weggejaagd. En ze had
grootmama moeten beloven, het nooit meer te doen.
„En heb je het belóófd?” vroeg Paul, angstig.
„—Ik moest wel,” zei Corrie, een beetje beschaamd.—
Toen voelde het Jongetje een steek in zijn hart en zag haar verwijtend
aan, dat zij hem zoo pijn kon doen, zij, die hem het liefste was van
alles op de wereld.
„Maar ik doe het toch,” zei Corrie er gauw bij. „Ik kan je toch zoo
maar niet in den steek laten.... en ik hoû veel te veel van je.... we
zullen er wel iets op vinden, hoor.... We zullen nu wel niet meer naar
den Dierentuin kunnen, maar dan maar ergens anders, waar ze ons niet
zien.... Maar pas op, ga nu gauw weg.... daar is de knecht van
grootmama.... ze heeft hem zeker uitgestuurd om eens te kijken....”
En weg was ze, naar de overzijde van de straat. Paul, om haar te
helpen, ging een winkel in.
Dit is de eerste keer, dat het Jongetje het liefste en beste van zijn
ziel heeft moeten verbergen, alsof het iets leelijks was, en de eerste
keer, dat het Meisje van hem is weggeloopen. Toen is ook voor den
eersten keer het vijandige van de wereld tegen wat heel goed is en
eenvoudig tegen hem in gekomen, en is hij er voor teruggegaan, alsof
het zonde en schuld was, te aanbidden wat mooi en rein is....
Het werd nu heel moeilijk om Corrie te zien. Zij werd bespionneerd door
haar deftige grootmama, die zoo op het fatsoen van de familie was
gesteld. Toen begreep hij het nog zoo niet, maar later heeft hij dat
fatsoen van heel nabij teruggezien, en door en door leeren kennen!....
Nu eens was het de knecht, dan weer de juffrouw van gezelschap, en ook
wel grootmama zelf, die in de Vlamingstraat wandelde als de school
uitging, of ook wel verder, op de Heerengracht, of het Bezuidenhout.
En zoo gingen de dagen voorbij.—Hij kon maar niet bij het Meisje komen.
Hij kon haar alleen maar in de verte zien, en o!—hoe klopte dan zijn
hart van groot verlangen! Thuis was alles streng en koud geworden. Papa
sprak in ’t geheel niet tegen hem, en mama maar heel weinig. Was zij
dan zijn oude, lieve moedertje niet meer?..... Kon alles dan maar zóó
ineens veranderen?.... Had hij dan maar liever een verklikker moeten
zijn, en zijn makker verraden?.... Hij begreep er niets meer van, en
was heelemaal in de war, het Jongetje.... En dan liep hij, smachtend om
wat liefde en vriendelijkheid, het huis uit, om een laatste
toevluchtsoord bij Corrie. Maar daar liep de knecht of de juffrouw, die
moesten zorgen voor het fatsoen, en het Meisje durfde niet naar hem toe
te komen....
En zoo werd het Donderdag. En ’s Zaterdags zou hij weggaan! Toen
schreef hij een briefje, dat hij door Wies, een vriendinnetje, aan
Corrie liet geven.
Lieve, mooie Corrie.
Ik smeek je, kom toch morgen om half twee voor den Dierentuin. Het
is wel school, maar toe, blijf voor mij dan eens weg. Het is de
laatste keer, ik moet Zaterdagmorgen weg. Er is niemand lief tegen
me. Ik mag niet eens mama een kus geven. Als je niet komt wil ik
dood zijn. Ik ga heusch dood als ik weg moet zonder je nog eens te
hebben gekust. Ik doe niets als huilen. Denk om de parkietjes.
Je innig liefhebbende Paul.
P.S. Je zult komen, ja ik weet het zeker, je zult komen. Je kunt me
zoo niet alleen laten. Dit briefje zit vol kussen voor je.—
Dien dag was het Jongetje heel stil. Hij heeft aan tafel van niets
gegeten.—En na het eten is hij dadelijk naar bed gegaan. Daar heeft hij
liggen wachten en wachten tot het morgen werd, met al de reliquietjes
van ’t Meisje onder zijn kussen, een lok haar in een roze envelopje,
een handschoen, een pakje briefjes, en vier lintjes van om haar hals,
die ze hem gegeven had.... Zoo’n groote, groote schat voor zoo’n
Jongetje!
En om één uur precies stond hij den volgenden dag al voor den
Dierentuin op de brug te wachten. Het was koud, en het vroor een
beetje, maar de lucht was helder. Als het eens erg gewaaid en gesneeuwd
had! Hij was eerst naar de stad geweest om in de Veenestraat een broche
voor Corrie te koopen, een blauw porseleinen duifje op goud, en in de
Schouwburgstraat was hij in den albumwinkel een paar gedroogde
Edelweiss-bloemen machtig geworden, op mooi papier geplakt. Dat waren
bloemen, had hij gelezen, die hoog in de bergen groeiden, en die het
symbool zijn van vlekkelooze onschuld, van altijd door blank en rein
blijven, de bloemen van het edele wit.... de bloemen van ’t Meisje....
Wat stonden de boomen van ’t Bosch weer mooi! Ze waren wèl kaal, maar
hoe fijn en gevoelig al die teere takjes, zoo roerloos uitgestrekt. En
wat stonden de huizen klaar en gelukkig in het heldere
wintermiddaglicht! Er was iets in de lucht, alsof ze wel komen zou....
En ja, daar kwám ze, daar kwám ze. Dat was het groene manteltje in de
verte, dat was het mooie rood van de flanellen voering als het even
opwoei.—Ze had hem niet vergeten. Daar is het Meisje weer voor het
Jongetje gekomen. Ze kon hem zóó niet laten weggaan. En ze was alleen,
heel alleen. Geen knecht, geen juffrouw achter haar, en geen fatsoen.
Het Meisje van altijd vroeger, met alleen haar liefelijk, teer
maagdelijfje, daar komt ze aanstappen op haar zweefrythmusje van
dansende pasjes. Dat is het oude Meisje weer van vroeger, dat bij het
hertje kwam....
„Dag Paul, dag lieve Paul! daar ben ik weer,” riep het mooie
sopraantje, „wees nu maar niet bedroefd, hoor, ik mag weer bij je
zijn.... ik heb gisteren alles aan mama verteld, en ik heb haar je
briefje laten lezen, en ze vindt het goed dat je geen verrader wou
zijn, hoor.... en nu mag ik den heelen middag bij je zijn, en grootmama
zal er niets van weten.... Wat zie je bleek, heb je zoo’n verdriet
gehad?.... Ben je nu niet blij dat ik er weer ben?....”
Of hij blij was!
Kijk, daar stond ze immers weer voor hem, met het vriendelijke
gezichtje, en haar blauwe, zachte oogen, en haar wangen, en haar
lippen, en haar wit halsje, en al haar glanzende gouden haar. Daar
waren haar schoudertjes weer, en haar éven, teer welvende borstje, en
haar handen, en haar kleine voeten en alles, alles van haar. En het was
van hém, van hém, van niemand anders. Het kon nooit van een ander zijn.
Het hoorde bij hem, evengoed als zijn eigen hoofd, en zijn handen, en
zijn voeten. Het hoorde allemaal bij zijn eigen ziel. Hij kon weggaan,
en ver van haar af zijn, maar het kon toch nooit verloren zijn, het
moest toch ééns weer terugkomen, dat kon niet anders....
En het Jongetje klaarde weer op, en lichtte van den ouden, blijden
glans.
Ze zouden niet naar den Dierentuin gaan, daar moest grootmama eens
komen, met dat mooie weer. Neen, ergens waar ze heel alleen waren en
niemand konden tegenkomen. Naar Scheveningen, daar was nu niemand in
den winter. Om twee uur ging er een stoomtrem van de Rijnstraat, die
konden zij nemen.—Dus hier maar even wachten.
De trein was leeg. Nu in de eerste klas, voor dezen keer, hij had nog
een oud abonnementje van den zomer, van mama. Wat gezellig, op die
zachte banken, en de deuren toe, en nu de gordijnen achter en voor
uitschuiven. Zoo zag niemand je. Zoo heel lekker in een hoekje, dicht
tegen elkaar aan, warmpjes, als de inséparabeltjes op het stokje.
En nu al het leed vertellen. Corrie was ook erg verdrietig geweest. Ze
was wel bang geweest voor grootmama, en had niet durven komen, maar
dacht je dat ze niet heel bedroefd was geweest? Ze had ééns in haar bed
liggen huilen, en ook gisterenavond, toen ze mama had overgehaald,
waren de tranen alweer voor den dag gekomen. Ze zou hem niet vergeten,
hoor, ze zou altijd om hem blijven denken, en hem wel eens schrijven
ook, en nooit naar andere jongens kijken. Dáár behoefde hij in ’t
gehéél niet bang voor te zijn, hoor, hij wist wel dat ze maar van één
kon houden, en ze zou áltijd, áltijd zijn Meisje blijven, wát er ook
gebeurde....
Ze was nog nooit zoo lief tegen hem geweest, en zoo innig had ze nog
nooit met hem gesproken. Was het misschien ’t onbewuste zieltje van het
Meisje, dat zich uit intuïtie aan hem vast wou klemmen om toch vooral
goed en rein te blijven en nooit te veranderen in ’t Leven, dat nu
aankwam?....
En wáár, absoluut oprecht en wáár was alles wat het Meisje toen gezegd
heeft, dit weet ik vast en zeker, als ik mij in stilte neig over mijn
ziel; en vèr, vèr in mijn herinnering hoor ik vaag de reine stem,
zooals die daar nog zachtkens, zachtkens doorzingt....
Al het verdriet was nu weer vergeten. Corrie zou immers altijd van hém
blijven al was hij weg! Dat was in de boeken toch ook altijd gebeurd,
daar waren ze somtijds wel jaren en jaren van elkaar, en hun liefde
werd juist grooter en grooter.
De trouw van twee lievelingen komt pas uit in de beproeving. Misschien
was het wel goed om eens gescheiden te zijn. Hij kon nu toonen, dat hij
een echte, trouwe ridder was, hij kon nu goed, flink leeren, en heel
knap worden, en dan terugkomen, als hij het verdiend had. Je mocht er
toch heusch wel wat voor doen. Het was eigenlijk wèl wat véél geweest,
om al dien tijd zoo heel gelukkig te zijn zonder er iets voor gedaan te
hebben....
„Nu moet je heel dapper zijn,” zei Corrie, „en niet meer zoo treuren,
hoor! Je gelooft me wel, hè, en je vertrouwt toch wel op me?”
En nooit heeft het Jongetje iets zekerder geloofd. Wat die reine stem
zeide met haar zoet geluid kon immers niets dan heilige waarheid zijn!
In Scheveningen waren ze heel alleen.—Het Badhuis en de Galeries, ’s
zomers zoo vol, stonden eenzaam, alsof daar niemand woonde.—Nu gauw
naar boven, tegen den wind in, naar het terras. En kijk! daar is de
zee!
O! Hoe eindeloos groot was de zee! Was dit de kalme, zachte, van in den
zomer? Met hooge, grauwe golven stormde de zee wild aan, en sloeg met
sombere, doffe slagen op het verlaten strand.—En zwaar-sonoor galmde
een bang gezang uit de wijde, wijde woeling.
Het werd stil in de zielen der kinderen.
En Paul trok haar zachtjes mede naar beneden, naar het strand.—Er was
maar weinig over, de zee stond veel verder dan ’s zomers. Zij moesten
door de mulle duinen, want de houten trapjes waren weggenomen. Er waren
geen tentjes, geen stoelen, geen koetsen. Het strand was eenzaam en
stil. Hoe groot, hoe rustig rezen de duinen in de verte! Hoe zuiver en
puur was alles nu, met niets slechts, overal hooge, strenge waarheid,
de zachte duinen, de ruischende zee, het eenzame strand! En de ernst
van dit waarachtig schoone kwam over het Jongetje en het Meisje.
„Hoor, hoor,” zei hij zachtjes, „is het niet of het je iets zeggen wil?
Maar ik weet niet wat... ik heb er vroeger ook zoo dikwijls naar
geluisterd, maar ik begrijp het niet.... En toch is het iets.... hoor
jij ’t niet?....”
Zij luisterde, met de hand aan een oor, en boog voorover. Hoe klein en
frêle stond ze daar, zacht luisterend kinderfiguurtje, voor de groote,
groote zee....
„Het is zoo mooi, het is zoo mooi, Paul,” antwoordde zij,..... „maar
het is te groot..... je wéét niet wat het zeggen wil.... ik word er
bang van als ik er lang naar luister....”
—„Ik ben niet bang,” zei Paul. „Het is of er daar, ver, ver, ergens een
land is waar het heel goed is en heel mooi.... en het is of ze ons
roepen.... O! Ik zou nu wel met je weg willen, daar over de zee, en
nooit meer terugkomen.... Heel alleen op een eiland met jou, altijd bij
elkaar, en overal in het rond de golven die zoo zingen....”
En ze bleven nu zwijgend doorloopen. Hij had zijn arm om haar heen
geslagen, en zij leunde het hoofd tegen hem aan. Ze bleven maar
luisteren naar de zee, en ze hadden langen tijd niets te zeggen, zoo
innig waren ze toen één. Niets was op het strand te zien dan hun teêre
gestalten, dicht tegen elkaar, zoo klein, zoo klein in dat groote álom!
Het is of ik ze weer zie gaan, zooals toen. ....Hoe groot zie ik nu dat
strand, zoo ver, zoo ver, met die duinen rijzend en dalend!.... En hoe
eindeloos de zee, kijk, hooge, hooge golven, grauw met wit, overal,
overal komt het aan, met wilde, breede deining, hier, en daar, en
ginds, en vér, en vér. ....Het heeft geen einde, en het is eenzaam, en
het is onvergankelijk groot.... En daar ergens, heel teer, twee
kindergestalten, zoo zwak en verloren in dat groote, een heel klein
gelukje, zoo broos, zoo broos....
Ze hebben daar heel lang geloopen, en nooit hebben ze zooveel van
elkaar gehouden, hun jonge zielen spreidden zich uit, wijder en wijder,
met die eindeloosheid voor hen.
Corrie werd het eerste moe. Er was in de duinen zand in haar schoen
gekomen, en er waren fijne steentjes bij. Haar voet deed pijn. Even
gaan zitten en de schoen uit doen, ginds bij dat duin.—Mocht hij haar
even helpen? Wat een kleine laarsjes! Daar zou hij niet in kunnen.
Alles is toch zoo klein en teeder bij zoo’n meisje!.... Het schoentje
zat vol zand. ....Maar o, wee! nu is het nog niet weg.... er zitten
steentjes onder de kous, er was zeker ergens een gaatje in. ....En het
doet pijn.... Nu maar even de kous ook nog uitdoen....
Hoe voorzichtigjes deed ze dat! Haar rokje ver over het been.... en
daar is opeens een klein, klein voetje in het zand.... Zoo zacht en
witjes, wat een lief, heerlijk voetje, en wat fijne blanke
nageltjes!...... En het Jongetje, heel ondeugend, nam het in zijn hand
en kuste het af met grage lippen.... Het Meisje bloosde en deed of ze
boos was. En dadelijk was de kous weer aan. Ze was erg verlegen, en de
blos lag zacht-roze over haar hals.
„Je bent verlegen! je bent verlegen!” plaagde hij. „Maar toch heb ik je
voetje gekust, hoor. Je hebt het kleinste voetje in het land, net als
Asschepoes.... Hoe kom je toch zoo mooi, er is géén meisje zoo mooi als
jij....”
Zij lachte en zei dat hij altijd maar vleide. Ze wist heel goed dat ze
niet mooi was, hoor! Ze was net als een ander, een heel gewoon wichtje,
en niets bizonders. En hij meende er niets van, hij wist wel beter en
ze hield niet van complimentjes....
Maar heimelijk vond het Meisje het heel prettig, en ze wist heel goed
dat ze zoo mooi was. Dat kon ze heusch niet helpen. Haar spiegeltje had
het haar zoo dikwijls verteld, en dat spreekt altijd waarheid.
Het was al laat geworden, bijna vier uur. Nu nog even blijven zitten,
hier tegen het duin. Wat heerlijk frisch in den wind! Alleen je
vingers, die worden te koud. Maar daar is Corrie’s mof wel goed voor.
Laat hij nu ook maar zijn handen er in doen. Ziezoo, nu is het warm. Is
het nu niet gezellig? „Is hij nu niet heel dicht bij haar, en is hij nu
niet bedroefd meer, is het nu goed?”
Ja, nu is het goed.... nu is het heelemaal, heelemaal goed.... nu is
hij dicht bij haar, en haar hoofdje is op zijn schouder.... haar
zachte, zijige haar valt over zijn borst, het is goud, edel, glanzend
goud.... haar ranke lijfje is dicht tegen hem aan, en het is goed en
warm bij haar.... zacht gloeit het in hem van binnen van geluk... en
hoor, hier is haar stem, die zoete muziek is...
Niemand is òm hen, ze zijn alleen, alleen met de rustige duinen, en het
wijde, eenzame strand, en de groote zee.... Wèl slaan de golven zoo
woest op het zand, met zoo somberen, harden slag.... Maar het is zoo
veilig en vertrouwd, en er is niets, wat hun kwaad wil....
Zóó is het goed, volmaakt, ganschelijk goed. Er is nu niets meer wat de
ziel van het Jongetje nog wil, alleen zoo, heerlijk bij haar zijn,
veilig tegen haar aan, met haar handen in de zijne, en haar hoofd tegen
zijn borst..... Een groote, zalige vrede is in hunne harten, dit is het
pure, maagdelijke geluk, dat eindeloos zacht is en stil.... En nu zal
het ook goed worden. Hij moet weggaan, en vèr van haar af, maar wat is
dat, een paar jaren?.... Het zal blijven, nooit zal het weggaan, want
dit kan niet sterven, dit geluk....
Het begon al een beetje donker te worden, toen zij met de stoomtrem van
half vijf naar huis reden. Zij waren zoo innig van elkaar vervuld, dat
zij stil hand in hand zaten, zonder iets te zeggen, tevreden, en zoo
veilig tusschen de dichte deuren, achter de groene gordijntjes. En voor
ze het wisten waren ze alweer bij de brug voor den Dierentuin.
Nu hier uitstappen, en dan nog gezellig samen door het bosch, de
Maliebaan over. Het begint nu te schemeren. De boomen staan heel teer
en voorzichtig in het late licht, en hun roerlooze, naakte kruinen, zij
wachten en wachten.... Alle takjes komen zoo helder en duidelijk uit,
en alles staat zich zoo oprecht en eerlijk te geven. En zoo liepen de
twee lievelingen in het open, wijde Malieveld, met in het vierkant de
rijen statige boomen die hun innigste pracht uitspreidden in de kuische
schemering. Een vaag rood bloosde zachtjes in het Westen.... En de ziel
van het Jongetje was tevreden en gerust. Alles was goed en zou goed
blijven. Alles wist het, dat hij nu éénmaal hoorde bij het Meisje. De
zee wist het, en de duinen, en ook het bosch. Zij hadden alles van zijn
zoete liefde gezien en begrepen. O! Hoe zeker wist hij het, zoo in het
zacht-eerwaardige licht van de schemering, met al die stille, wachtende
boomen, en het teeder opdroomende rood daarginds, het was alles goed,
en altijd zou het goed blijven.... nooit, nooit kon het verloren gaan,
en het zou eeuwig leven....
En toen zij voor haar huis stond was hij niet eens meer bedroefd en
opgewonden. Hij vroeg haar alleen nog heel zacht, en al zéker van wat
zou komen:
„Dus zal je altijd aan me denken, Corrie?.... zal je me nooit, nooit
vergeten?.... En als ik met de vacantie terugkom ben je mijn lieve
Meisje weer van vroeger?....”
Kijk ze nu liefderijk, innig zacht met haar mooie, onschuldige
maagdegezichtje naar hem opzien, kijk nu die reine, blauwe engelenoogen
eerlijk en oprecht in de zijnen staren!
„Ik zal je nooit vergeten, dat weet je wel.... ik heb je beloofd dat ik
een heel trouw meisje zal zijn.... en je weet wel, al had ik niets
beloofd, hè, ik zou immers toch nooit van een ander kúnnen houden!....
En hij, smeekend: „En krijg ik nu een kus?”—Zij had hem nog nooit een
kus gegeven. Hij had wel háár gekust, maar zij had hem nog nooit een
zoen teruggegeven. Ze was zoo’n deftig jong dametje altijd!
Gelukkig, dat de straat zoo eenzaam was, zoo heelemaal aan ’t einde van
de stad! Alleen in de verte, aan den Boschkant, was de lantarenopsteker
met zijn lichtje.
„Dag, beste Paul!” zei ze innig, met haar lief sopraantje zoo
vriendelijk als het nog nooit geweest was, „daar heb je je kus, hoor!”
En haar zachte, reine lippen, waar haar maagdelijk zieltje op beefde,
kusten kuisch zijn mond.—Hoe sterk en groot en uitverkoren voelde hij
zich! Toen nam hij zijn hoed af, zooals hij altijd gedaan had als hij
haar goedendag zeide, en boog diep, in grooten eerbied.
En resoluut, zonder dralen, ging hij heen.
Een kus! Een kus van háár!—Nu moet je ook dapper en geduldig zijn,
dacht hij. Nu moet je er ook een heeleboel voor doen en als het kan een
heeleboel lijden, eer je weer zoo’n geluk verdiend hebt!
En hij verlangde bìjna om nú al weg te zijn, om nú al dadelijk te
beginnen, en te toonen dat hij nu wel jaren, jaren verdriet zou willen
hebben en heel alleen zijn, om dan eindelijk nog weer één zoo’n kus te
mogen halen. Laten ze hem nu thuis maar negeeren, laten ze nu maar
niets tegen hem zeggen, laten ze maar veel leelijks tegen hem doen en
hem erg slecht vinden. Laat hij nu maar asjeblieft ergens komen, waar
ze hem slecht behandelen en geen eten geven, en koû laten lijden. O!
eindelijk zou hij dan toch iets kunnen doen om haar te verdienen. Hoe
gemakkelijk zou hij alles dragen! Want had zij hem niet gekust, het
liefste, mooiste meisje van de hééle wereld, en was het niet van hém,
van hem alléén, het reinste, blankste, heerlijkste wat bestond?