dadelijk in de hut, waar de oorlogsbooten lagen. Dat huisje was het
belangrijkste monument van het geheele eiland; de inboorlingen waren
er trotsch op en wilden er gaarne de honneurs van waarnemen voor de
vreemdelingen. Het ongeveer 4 M. hooge huis werd gesteund op palen
van beeldhouwwerk, die dieren en menschen moesten verbeelden.
Het is de karakteristieke eigenaardigheid van de inboorlingen van Santa
Anna, dat zij knap zijn in het maken van booten; men kan het eiland de
scheepswerf noemen van den geheelen archipel. Wij zagen er de echte
oorlogsjonk van wel 7 à 8 M. lengte, waar 60 à 70 roeiers plaats in
vinden; een speciale zitplaats is achterin de boot bestemd voor den
leider, die het gevecht regelt. De booten hebben geen steunbladen,
zooals de booten der inboorlingen van de Nieuwe-Hebriden en van
Nieuw-Caledonië vertoonen.
De vaartuigen hier waren met parelmoer ingelegd, aan beide
uiteinden omhooggebogen en van teekeningen voorzien; aan de randen
waren gebeeldhouwde dieren aangebracht, als honden en vogels;
tusschen bloemguirlanden; de stevigheid is buitengewoon groot en de
zeewaardigheid voldoende, om te maken, dat de inboorlingen er 50 à
60 mijlen mee kunnen roeien, want van zeilen maken ze nooit gebruik.
Het gebouw, waarin de booten werden bewaard, stond onder de bescherming
van een godheid, aan wie een menschenleven wordt geofferd telkens
als er een nieuwe oorlogsboot van stapel loopt. Ook is er een boot
speciaal voor den god bestemd, en in een hoek stonden artikelen,
als huisraad en allerlei vazen, te zijnen gebruike. Nooit willen de
inboorlingen een dier voorwerpen afstaan, hoe hoog de prijs ook zij,
die hun ervoor wordt geboden, en ze zouden den vreemdeling niet sparen,
die het mocht willen wagen, met hun vooroordeelen en hun bijgeloof
te spotten.
Het bezoek aan het dorp Santa Anna hield ons den geheelen morgen
bezig. Op den middag verlieten wij het eiland, om ons naar de
noordkust van het eiland San Cristoval te begeven. May vergezelde ons
en diende ons tot loods, om ons de haven Fanariki te helpen bereiken;
wij hoopten er den volgenden morgen vroeg aan te komen.
Gedurende den korten overtocht kon ik een algemeen overzicht krijgen
van de eilanden, die het zuidelijk gedeelte van den archipel uitmaken;
Malaïta, San Cristoval, Hougué, Santa Catalina en Santa Anna kwamen
duidelijk uit, en we konden alle goed herkennen.
De duur van een nacht was voldoende, om de weinige mijlen af te
leggen die ons van Fanariki scheidden. Zoodra de _Lady Saint Aubyn_
voor anker lag, gingen wij aan land, om een bezoek te brengen aan
het dorpshoofd, dat den naam van Quarter droeg. Allereerst was het
bij de recruteering noodig, dat wij de goede gezindheid verwierven
van de hoofden. Zij hebben een onbeperkt gezag en besluiten niet om
een inboorling te laten vertrekken, als ze niet eerst veel geschenken
hebben ontvangen en veel drank hebben genoten. Toen dan ook Quarter van
onzen kapitein een flesch jenever en een prachtig Lefaucheux-geweer had
ontvangen, beloofde hij ons zijne medewerking en verzekerde ons, dat
wij veel verbintenissen zouden kunnen aangaan op zijn grondgebied. Dat
laatste beteekent trouwens nog niet veel bij deze koninkjes van de
Salomons-eilanden. De inboorlingen vormen namelijk kleine verspreide
groepen, en het gezag van een inboorling en hoofd reikt niet verder
dan eenige mijlen van de plaats, waar hij woont.
Quarter aarzelde dan ook, ondanks zijn groot gezag in eigen dorp,
den voet te zetten op het terrein zijner buren; hij heeft altijd zoo
een en ander op zijn geweten, en hij is niet gemakkelijk tegenover
de bevolking om hem heen. May, onze loods en Quarter, onze gast,
zijn twee beroemde jagers op menschen; zij begrijpen elkander en
zijn vereenigd in een vriendschap, die bevestigd is door veel samen
vergoten menschenbloed.
De onderdanen van Quarter zijn volstrekt niet veilig, en hij beschikt
naar willekeur over leven en goed der zijnen. Hij wou ons zelfs wel
eens toonen, hoe weinig hij geeft om een menschenleven meer of minder,
en hij zou niet aarzelen, te onzer eer een paar zijner landgenooten
te offeren. Maar wij haastten ons hem te zeggen, dat we hem op zijn
woord geloofden, en dat we heelemaal geen bewijzen voor zijn bewering
verlangden.
Intusschen was zijn houding tegenover Europeanen welwillend, en dank
zij zijne bescherming, konden wij in alle gerustheid de omstreken
van het dorp bezoeken.
We zagen bij die gelegenheid ook de aanplantingen van de inboorlingen
op de helling der bergen. De Kanaken of liever hun vrouwen ontbosschen
het terrein door verbranding en planten er daarna hun aardvruchten. Zij
eten die taro's en buitendien veel bananen, hun hoofdvoedsel, dat
zij zoowel gekookt als rauw tot zich nemen.
Toen we die plantages hadden bekeken, liepen wij die gedeelten van
het bosch in, waar de bijl van den mensch nog nooit had gekapt; wij
konden oordeelen over de vruchtbaarheid van den grond en bemerken,
hoeveel voordeelen die zou kunnen opleveren, als ervaren landbouwers
er aan het werk gingen. Onder de reuzenboomen, die men overal ziet,
ligt een dikke humuslaag, waaruit bij de warmte en de vochtigheid
vaak schadelijke dampen opstijgen; maar als er meer licht en meer
lucht in die bosschen werd toegelaten, zou het land gezonder worden
en de grond zou er niet minder vruchtbaar om zijn.
Op onze wandeling ontmoetten wij eene groep jonge vrouwen, die gebukt
gingen onder den oogst van bananen, voor Fanariki bestemd; zij liepen
onder toezicht van een inboorling. Hoewel haar levenswijze niet maakt,
dat haar schoonheid lang bewaard blijft, zag ik er toch onder, die
er aardig uitzagen, en ze zouden zelfs mooi kunnen heeten, als ze
niet tot allerlei dwaze ontsieringen waren overgegaan.
Een van haar had het tusschenschot van den neus doorboord en had er een
ring van schildpad aan gehangen; eene andere had het oorlelletje zoo
uitgerekt, dat zij er een houten blokje of schijfje had kunnen insteken
van 0.05 M. middellijn. Men ziet het, de behaagzucht is nergens de
wereld uit. De dames hadden regelmatige trekken, zijdeachtige, niet
gekroesde haren als bij negerinnen, en ze waren goed geproportionneerd.
Zoo kwamen wij terug in Fanariki. In onze afwezigheid hadden de onzen
veel succes gehad met het werven; vijf inboorlingen gingen mee op ons
schip, namelijk Sohima, Toro, Tarimbanne, Tagaro en Soemanson. Zij
vonden het aardig, te gaan naar een land van blanken, en onbewust
zullen zij meehelpen tot den vooruitgang van de fransche kolonisatie
in Nieuw-Caledonië. Het waren knappe, sterke, jonge mannen tusschen
18 en 22 jaar; hen trokken de zucht naar het onbekende en de zin
voor avonturen, en zij moeten moed hebben, om weg te gaan, want
in hun verbeelding zien ze niet alleen wonderen, maar wel degelijk
ook gevaren.
Er wordt gewoonlijk beweerd, dat zij gaan op bevel hunner hoofden of
van hun ouders; maar dat is een vergissing; zij moeten integendeel
meestal den tegenstand van de ouders overwinnen en den onwil van hun
hoofden, die het volstrekt niet prettig vinden, het aantal hunner
strijders te zien verminderen.
Door velerlei geschenken moeten wij de smart der scheiding
verzachten. Maar zoodra het schip de kust verliet, werden we met
geschreeuw uitgeleid, en ik heb wel jonge meisjes zwemmend onze boot
zien volgen en pogingen zien aanwenden, om door waarschuwingen en
gebeden den broeder terug te houden, die haar misschien voor altijd
ging verlaten.
Wij vervolgden onzen weg naar de Wannoni-baai, De pas ingescheepte
Kanaken verzochten mij, of ik hen op mijn register wilde
inschrijven. Ze wisten, dat die plechtige formaliteit onmisbaar is,
als hun contract geldig zal zijn. Het is in hun belang, als de plaats
hunner geboorte staat opgeschreven en de duur van hun contract, opdat
men hen, als het tijd is, naar huis kunne terugbrengen, namelijk als
de drie jaren, waarvoor ze zich verbinden, om zijn.
Ik liet hun een volledig stel kleederen geven en een deken; hoewel
ze een lange reis gingen ondernemen, was er geen sprake van bagage,
en naakt als wormen trokken ze uit hun dorp weg. Toch zag ik nog,
dat ze allen een heel klein gevlochten zakje droegen, en door
nieuwsgierigheid gedreven, zag ik na, wat er in was. Het bevatte een
beschilderd bamboekokertje met de ingrediënten voor het sirih-kauwen,
een paar arekanoten dus, wat tabak en betelbladeren. Ze doen allen
aan het betel- of sirih-kauwen, deze inboorlingen, en de gewoonte moet
door de Maleiers er zijn ingevoerd. Dit is niet het eenige bewijs van
maleischen invloed; men vindt, uit anthropologisch en ethnographisch
oogpunt kijkend, er nog zeer veel sporen van.
Wij kwamen te Wannoni aan en ankerden in een ruime baai, tegen
de heerschende zuidoostenwinden beschut. De inlichtingen, die wij
hadden ingewonnen, leerden ons, dat dit deel der kust zeer bevolkt
was, en dat de inboorlingen uit het binnenland er dikwijls kwamen
handel drijven. Wij zouden dus die menschen uit de wildernis kunnen
aanschouwen, die aanmerkelijk verschillen van de kustbewoners.
Ik geef aan elken zeevaarder, die deze eilanden bezoekt, den raad, de
Wannoni-baai niet voorbij te gaan; hij zal er in overvloed zoet water
kunnen innemen uit twee groote rivieren, die in de baai uitloopen,
en als het noodig is kan hij van de inboorlingen proviand koopen, als
bananen, suikerriet, aardvruchten en varkens. Wij bereikten een dorp,
dat ongeveer 500 inwoners had. De huizen waren gelegen op de oevers
van één der rivieren, en wij hielden gemeenschap met de overzijde
door onze bootjes; de inboorlingen waren nog niet zoo slim geweest,
om de noodzakelijkheid van een brug in te zien.
Wij ontmoetten vrouwen aan hare huiselijke bezigheden, bananen
bereidend voor den avondmaaltijd, of visch schoonmakend, en bereikten
weldra het voornaamste huis uit het dorp. Bij elken stam heeft men een
gemeenschappelijk huis, dat tot plaats van samenkomst dient voor het
mannelijk deel der bevolking; de vrouwen mogen er niet binnenkomen,
omdat haar maatschappelijke rang te laag is, dan dat zij een woordje
zouden mogen meespreken bij de discussies van haar echtgenooten.
Op het platform vóór de hut stonden de mannen dan ook druk te praten
over het mooie weêr en de lange dagen en vertelden elkander, wat ze
hadden gezien op hun reizen naar Queensland en Nieuw-Caledonië en de
Samoa-eilanden. Ze besloten er ook tot komende oorlogsexpedities en
kozen de plaatsen uit, die van de kusten in de buurt in aanmerking
kwamen voor het zenden van oorlogsbooten.
Onze komst wekte de algemeene nieuwsgierigheid, en, getrouw aan de
algemeene bedelachtigheid, begonnen ook zij te vragen naar pijpen en
naar tabak. Ik heb tot principe aangenomen, nooit eenig geschenk te
geven, waarvoor geen wederdienst wordt bewezen. Eén van hen verdween
uit de groep, om uit zijn huis een prachtigen boog met pijlen te
halen, en na lange onderhandelingen gaf ik hem er tien rollen tabak
voor in betaling. De boog was werkelijk mooi en artistiek gemaakt;
hij was aan de rugzijde met parelmoer ingelegd en was gespannen met
een zeer stevig koord van gevlochten lianenvezels; zoo'n boog heb ik
op mijn latere omzwervingen nergens meer aangetroffen, en het museum
op het Trocadéro zal met dit eenig exemplaar worden verrijkt.
De inboorling, die hem mij verkocht, beweerde hem te hebben gekocht
van een inboorling uit Malaïta; maar ik vrees, dat dit niet waar
is en dat het alleen gezegd wordt, om de waarde van het voorwerp
te verhoogen. Deze eilandbewoners gaan immers juist door voor de
handigste en bekwaamste.
Ik kon ook een stuk beeldhouwwerk van hout bemachtigen boven van
een huis; en ik kocht andere ethnografische voorwerpen, als vazen,
borden en ander houten huisraad.
Zooals ieder europeesche natie haar eigen oorlogswapen heeft en
een veelgebruikt soort van geweer, zoo vindt men op de groep der
Salomons-eilanden knotsen van verschillende soort; ieder eiland heeft
er zijn eigene, door de inboorlingen in aanval en in verweer nog liever
gebruikt dan de assegaai, waarmee ze zoo uiterst behendig werpen.
De knots van San Cristoval is van zeer hard hout, en heeft den vorm van
een sikkel van soms wel 1.50 M. lengte. Het is een geducht wapen in de
handen der inboorlingen, en vaak heeft het hun gediend, om Europeanen
uit den weg te ruimen. Wie er een slag mee heeft ontvangen staat niet
weer op.
Bij gelegenheid van ons bezoek aan het dorp in de Wannoni-baai deden
wij een uitstapje in het binnenland en voeren een eind de rivier op;
wij kwamen daarbij ook weer in bosschen, nog niet door menschenhanden
aangeraakt. Er waren veel vogels, en hun gekweel was de eenige
verlevendiging der eenzaamheid; als de inboorlingen er door gaan,
houden ze zich zoo stil mogelijk, en trachten hun aanwezigheid te
verbergen, uit vrees dat een achter een boom verscholen vijand hen
onverhoeds mocht aanvallen en hen berooven van het weinige, dat zij
bij zich dragen.
Warmte en vocht zijn de beste hulpmiddelen voor de ontwikkeling van den
plantengroei, en die worden op de Salomons-eilanden aangetroffen. Zoo
konden wij op die wandeling langs de smalle boschpaden reuzenboomen
bewonderen, waaronder veel bananen met groote luchtwortels. Kokospalmen
waren er niet veel, die bleven meestal tot het strand beperkt; ze
waren minder algemeen dan op de Nieuwe-Hebriden en de Fidsji-eilanden,
en de coprahandel, de verkoop van het gedroogde kokosnotenvleesch,
is veel minder algemeen hier dan in beide genoemde archipels.
Maar daarentegen komt hier de boom voor, die plantaardig ivoor levert;
het is ook een palmsoort, die den wetenschappelijken naam _Phytelephas
macrocarpus_ draagt en een eigenaardig voorkomen heeft. De bladeren
zitten laag, bijna op den grond en komen voort uit een lagen stronk,
die een weinig op een cactusplant gelijkt. Hij brengt zaden voort, die
vóór ze rijp zijn, een waterig vocht bevatten, dat later melkachtig
van kleur en consistentie wordt en eindelijk een witte kleverige
massa vormt. Is het zaad, dat de grootte van een dikke kastanje heeft,
volkomen rijp, dan is die massa hard geworden als ivoor en lijkt daar
ook precies op. Daar die stof veel duurder is, wordt het plantaardig
ivoor er dikwijls voor gebruikt; men maakt er sieraden van en voert
de stof in groote hoeveelheid uit van de Salomonseilanden; er wordt
200 francs voor een ton betaald.
Aan de beide rivieroevers vonden wij telkens sporen van kaaimans;
die dieren krioelen in de wateren van den archipel, maar ze worden
bijna nooit buitgemaakt, altijd zijn ze den inboorlingen te slim af.
Wij hadden geen enkelen inboorling gezien en kregen van dat
verschijnsel de verklaring, toen wij in Wannoni terugkwamen en
daar hoorden, dat er oorlog was tusschen hen en de stammen in het
binnenland.
De aanleiding tot die onderlinge gevechten der naburige stammen is
soms de behoefte aan slaven, dan weer de roof eener vrouw, die als
een moderne Helena een oorlog van Troje teweegbrengt.
Maar ten tijde van onze komst was men bereid, een wapenstilstand af te
kondigen tusschen de beide oorlogvoerende partijen. De inboorlingen
van de kust wilden wel toestaan, dat die uit de wildernis met ons
handel kwamen drijven. Eenige dagen later werd ons dan ook de komst
aangekondigd van de boschmenschen, op de aangeduide plaats verschenen,
op neutraal terrein aan de baai. Zij waren driehonderd in getal,
mannen van elken leeftijd en vrouwen en kinderen.
Wij gingen aan wal, om de onderhandelingen te beginnen; pas hadden
we elkander begroet, of vier jonge mannen sprongen in onze boot en
ondanks de smeekingen van hun vrienden verklaarden zij zich bereid,
mee naar Nouméa te gaan. De betaling geschiedde terstond, maar daar
er meer inboorlingen lust hadden, met ons te gaan, begonnen ze heftig
tegen elkander uit te varen, en wij waren genoodzaakt, maar gauw
aan boord terug te gaan. Het was gelukkig, dat een tweede gewapende
boot bij ons was, om de menschen aan het strand in bedwang te houden,
anders zou het ons moeite hebben gekost, de _Lady Saint Aubyn_ weer
te bereiken, zonder door assegaaien te worden geraakt.
We spoedden ons haastig van daar weg en ankerden een paar dagen later
in de Paola-baai bij Tavaro, de plaats, waar de inboorlingen van het
noordelijk deel der kust veel samenkomen, omdat men er beschut is
tegen de heerschende zuidoostenwinden, en men er gemakkelijk zoet
water kan krijgen uit een breede, snelstroomende rivier.
Nadat we te Tavaro een paar contracten hadden afgesloten, begaven
wij ons naar het eiland Hougué en zouden daarna varen langs het
eiland Malaïta.
Door gunstigen wind gedreven, naderden wij weldra Hougué, herkenbaar
aan zijn ronde gedaante, als een rond stuk koraal op de zee
neergelegd. Het is een laag eiland met een weelderigen plantengroei,
waaronder de inlandsche hutten aan het strand zich verbergen.
Er wonen ongeveer 800 inboorlingen, echte zeeroovers, wel beveiligd
tegen vreemde invallen, omdat ze zelf herhaaldelijk de anderen
bedreigen. Ook hier leefde een uit Nieuw-Caledonië ontvluchte
Franschman onder de Kanaken en deelde in hun leven; hij heeft het
niet noodig geacht, ons met een bezoek te vereeren, maar hij is sedert
dien al weer opgepakt en in de gevangenis van Nouméa teruggegebracht.
Wij zetten onzen weg voort, en al spoedig kwam het eiland Malaïta in
het gezicht. Er zijn weinig eilanden in de Stille Zuidzee, zoo bekend
als Malaïta. Het gaat voor het gevaarlijkste van de Salomonseilanden
door, waar de aanvallen op blanken het talrijkst zijn. Toen wij er
waren, sprak men nog van een onlangs voorgevallen catastrophe, die
schrik had verspreid onder de blanken in de buurt. Een klein schip
was de oostkust genaderd boven Port-Adam en was door de inboorlingen
aangevallen; de kapitein en de stuurman waren gedood en het scheepje
was verbrand, na geplunderd te zijn.
Er moest met de uiterste voorzichtigheid worden opgetreden bij de
onderhandelingen, en wij namen aan boord alle mogelijke voorzorgen.
Maar niet alle plekjes op Malaïta zijn even gevaarlijk. Port-Adam, onze
eerste aanlegplaats, had vroeger een treurige reputatie, maar sedert
eenige jaren is het aan de engelsche zendelingen gelukt, er eenige
vermaners of leermeesters te plaatsen, en de geest der inboorlingen
is daardoor wezenlijk beter geworden, zoodat vreemdelingen er nu niet
meer zooveel gevaar loopen.
Zoo konden wij dus hier leeren kennen de Kanaken, nadat ze een
zeer licht tintje van beschaving hebben opgedaan en niet meer die
woestheid vertoonen, die zoo kenmerkend is voor het ras. De huizen
waren hier beter ingericht dan bij de echte heidenen; we vonden er
enkele europeesche waren en een paar godsdienstige boeken, in de taal
van het land overgebracht.
Uit Port-Adam krijgt men gewoonlijk de tolken, die bij de werving
niet mogen ontbreken. Hoewel ze tot één archipel behooren, hebben
de bewoners van bijna alle eilanden een eigen dialect, dat op
een naburig eiland niet wordt verstaan, en soms wordt er zelfs een
verschillende taal gesproken in dorpen, die 60 à 70 K.M. van elkander
zijn verwijderd. Er is wel veel overeenkomst tusschen de verschillende
talen; als men een weinig op de hoogte is van het oceanische idioom,
bemerkt men spoedig, dat het alles dialecten zijn van de papoea-branche
der maleisch-polynesische talen.
Toch kunnen een inboorling van San Cristoval en een van Malaïta
elkander niet verstaan of begrijpen; daar heb ik meermalen voorbeelden
van gezien.
Port-Adam is de beste haven van Malaïta, gelegen aan een lagune,
waardoor men gemakkelijk met niet te groote schepen van den eenen
naar den anderen kant van het eiland kan komen.
Wij volgden na Port-Adam de westkust van Malaïta naar Pioe, en onderweg
werden allerlei plaatsen aangedaan, waar we talrijke inlichtingen
konden krijgen over de inboorlingen en over de fauna en de flora van
dit eiland. Het is het minst bekende van de geheele groep, het eenige
ook, waar nooit een Europeaan aan den wal heeft vertoefd.
Wij vonden er den broodboom en den amandel, den arecapalm, allerlei
lianen, veel Rubiaceeën en Orchideeën; de _Hibiscus_ groeit er
in overvloed en, evenals de Olijf in oude tijden, is hij een
vredessymbool.
Maar de fauna is minder rijk dan de flora; er waren bijna geen dieren
op het eiland. Soms brachten de inboorlingen ons een paar magere
kippen, die onzen kok tot wanhoop brachten, en dan weer kregen wij
eieren, driemaal zoo groot als gewone; die moeten worden gelegd door
een zeer kleine kip, welke ze in het zand legt en ze onder den invloed
der zonnestralen laat uitbroeden. Ondanks mijn ijverig zoeken heb
ik geen dier vogels kunnen bemachtigen; maar ik heb te dikwijls hun
eieren geproefd, die ik niemand kan aanbevelen.
Koning op dit eiland is het varken; men koopt een vrouw voor tien
varkens; met een varken betaalt men het contract van een inboorling,
en overspel zoowel als moord en alle andere zonden, worden geboet
door de aanbieding van één of meer varkens aan het hoofd van den stam.
Zij vormen echter niet het eenige ruilmiddel. Wij zagen vaak
vrouwen en mannen, versierd met halssieraden van hondentanden, die
ze tot geen prijs wilden afstaan; die tanden vormen de inlandsche
muntstukken. Maar slechts twee tanden hebben waarde, dat zijn die,
welke onmiddellijk aan de kiezen of maaltanden aansluiten; de andere
dienen alleen tot sieraad.
De westkust van het eiland was dicht bevolkt, en de dorpen lagen er
idyllisch in de schaduw van kokospalmen; het zou moeilijk zijn, ook
maar bij benadering de geheele bevolking van het eiland op te geven,
maar zeker is het, dat er nog meer menschen in het binnenland wonen
dan aan de kust.
Het gezag van een inlandsch hoofd strekt zich soms uit over 5000 à
6000 onderdanen; zekere hoofden hebben zich vrij groote rijken weten te
verwerven, waarover zij als onbeperkte heerschers regeeren; soms hebben
ze 700 à 800 krijgers in hun dienst. Dus is het gemakkelijker, de
politieke organisatie te bestudeeren op Malaïta dan op San Cristoval.
De waardigheid van dorpshoofd kan erfelijk zijn, of ook wel wordt zij
verkregen door rijkdom of door sterk sprekende physieke meerderheid
boven de andere inwoners.
Onder hem staat een ander hoofd, die een invloedrijke positie heeft
weten te verwerven door zijn moed. Dat is dan de oorlogsleider,
waarvan wij een type aantreffen in den persoon van Aio, wel bekend
niet enkel op de Salomons-eilanden, maar ook op de Nieuwe-Hebriden en
zelfs op Nieuw-Caledonië, waar hij aan den gouverneur is voorgesteld
geworden. Aio is begiftigd met een alles te boven gaanden moed, en
bij menige gelegenheid heeft hij niet geaarzeld, vreemde booten aan te
vallen. Er heeft echter niet altijd zegen op zijn werk gerust, waardoor
hij ten laatste een onvrijwillige reis naar Nouméa heeft moeten maken.
Dan was er nog de toovenaar, zooveel als de ta-ka-ta van de stammen op
Nieuw-Caledonië. Vaak wezen de inboorlingen ons een lid van hun stam,
die, zeiden zij, naar believen regen of mooi weer kan maken.
Hun geloof raakt niet aan het wankelen, als het beloofde weder
uitblijft en de aardvruchten bij gebrek aan regen verdrogen; er is
dan blijkbaar altijd een uitlegging gereed, waardoor het gemis aan
welslagen aan allerlei andere dingen te wijten is dan aan 't gemis
van bekwaamheid bij hun toovenaar.
Te Pioe zagen wij het grootste aantal inboorlingen op ééne plaats
bijeengekomen. De bewoners van de kuststreek en die uit de bosschen
van het binnenland waren er vergaderd. Te midden dier menigte, waarbij
individuen te vinden waren van elken leeftijd en beide seksen, was
het gemakkelijk, twee typen te onderscheiden, die uit physiek oogpunt
veel verschilden. Naast den inboorling met Papoea-trekken vonden wij
vele inboorlingen, die onmiddellijk den Polynesiër verrieden.
De beide rassen, het papoesche en het maleisch-polynesische, hebben
inderdaad den archipel bevolkt. Het schijnt, dat de landverhuizers van
maleisch-polynesische afkomst de kust bezetten en de eerste bewoners,
die Papoea's waren, naar het binnenland hebben teruggedrongen.