a. Dominee, boer, dominee
Hij was 56 jaar oud en stond al 27 jaar in zijn tweede gemeente, Heerlen. We
hebben hem al eerder ontmoet - met zijn hulp begon de NV Joodse kinderen onder
te brengen in Limburg: ds. G.J. Pontier. Met vrouw en 4 kinderen bewoonde hij
een vrij klein huis. Het merendeel van zijn gemeenteleden werkte in de mijn;
velen waren uit Friesland of Drente afkomstig. In Limburg stichtten ze een eigen
kerk en een "school met den Bijbel". Het was een Protestants eilandje in een Rooms-
Katholieke omgeving.
Dicht bij hen woonde de familie Silber: man, vrouw en vier kinderen (twee andere
kinderen hadden kans gezien te emigreren naar het toenmalige Palestina). Joden,
gevlucht uit Polen waren het. Eerst was er nauwelijks contact tussen de twee
gezinnen.
Maar eens sprak ds. Pontier een van de jonge Silbers aan op straat en zei: "als
jullie in nood komt, kom dan bij ons." Aldus de oudste dochter Pontier. [14.1]
Al spoedig kwam inderdaad de nood aan de man: de 3 zoons werden opgeroepen. Eerst
leek de pastorie niet meer dan twee gasten te kunnen herbergen; dus meldde zich
een van de zoons en werd gedeporteerd. Hij heeft de oorlog desondanks overleefd.
Mevrouw Pontier heeft er een heftig schuldgevoel over gehouden: "waarom kon hij
er niet bij?"
Kort daarop moesten ook de andere Silbers zich melden en zij vonden eveneens een
schuilplaats in de pastorie. Er werd toen ruimte geschapen. De oudste dochter van
het gezin Pontier ging iedere nacht bij de buren slapen. Het gezin Silber kreeg
de zolder als slaapvertrek en de studeerkamer als zitkamer. "Waar maakte Uw vader
dan zijn preken?", vroeg ik. "Beneden; daar was zijn bureau heengegaan. Dan gingen
de schuifdeuren (van de kamer en suite) dicht en dienden de kinderen zich stil
te houden".
Het gezin Silber was orthodox-joods. Geheel op eigen terrein kon men de gebeden
dus blijven verrichten. Een enkele keer keken de kinderen Pontier om de hoek en
bewonderden de gebedsmantels. Mevrouw Pontier bereidde het eten en zorgde ervoor
dat het kosjer was, "zo lang als dat mogelijk bleek". Mevrouw Pontier was het ook,
die op haar fiets de gemeente introk om plaatsen te zoeken voor "de kinderen van
de NV".
<161>
foto 20 (Het gezin Pontier-Wartena; foto omstreeks 1938)
Op 6 november 1943 kwam de SD ds. Pontier arresteren: hij had een jongeman die
de (nationaal-socialistisch getinte) Arbeidsdienst in moest, helpen onderduiken.
Merkwaardigerwijs hebben ze de dominee meegenomen zonder verder huiszoeking te
doen: zo ontkwamen de Silbers. Ds. Pontier werd drie dagen vastgehouden in het
huis van bewaring te Maastricht en toen overgebracht naar de cellenbarakken te
Scheveningen. Op 17 mei 1944 werd hij vrijgelaten, nadat hij beloofd had, geen
onderduikers meer te zullen helpen. Met die belofte had hij het wel een beetje
moeilijk, maar hij heeft het toch maar beloofd want, zo dacht hij: "het is mijn
vrouw die het meeste werk doet op dit gebied".
Mijn laatste vraag in het gesprek met zijn dochter was: "Waarom hielp Uw vader
de familie Silber, ofschoon hij die toch nauwelijks kende?" Het antwoord was:
"Hij zag de Joden als het uitverkoren volk; daarom vond hij dat wij hen behoorden
te helpen ondanks de gevaren - en daarom hadden ze bij hem een streepje voor,
vergeleken bij andere onderduikers."
<162>
<163> (foto 21 van Oom Hannes - Johannes Boogaard Jr.
Nu was de opvatting dat de Joden nog steeds het uitverkoren volk zijn (het
"Verbondsvolk") in die tijd allerminst gemeengoed onder Gereformeerde predikanten.
Eerder, zo menen we, vond men die gedachte onder gemeenteleden. Een hunner was
Johannes Bogaard, een keuterboertje in de Haarlemmermeer. [14.2] We noemden
hem: "oom Hannes". Zijn vader is in de oorlog omgekomen; ook een broer, ook een
zoon. De familie was onvermoeibaar in het onderbrengen van Joden. L. de Jong
besteedt uitvoerig aandacht aan hen en aan hun ondernemingen. [14.3]
Toen "oom Hannes" de eerste keer bij ons aanbelde, heeft schrijver dezes hem
niet binnengelaten, maar hem gevraagd na een half uur terug te komen. Ik vond
hem er nl. onguur uitzien en vertrouwde hem niet. Toen hij terugkwam, zag mijn
zuster hem en haar reactie was anders dan de mijne. Ze schreef later in haar
dagboek: "Oom Hannes bij ons geweest. Ik kwam terug van een boodschap en zag
hem voor de deur staan: hij had net gebeld. En meteen wist ik dat dit nu oom
Hannes was, al had ik hem nog nooit gezien. 'Van buiten zwart, van binnen rein',
zeggen zijn logés."
Achteraf spijt het me dat we toen nooit met hem gepraat hebben over de vraag:
"Waarom doet men in de oorlog de dingen die men doet?" Een van de onderduikers
van toen wees me evenwel op een boek over het verzet in en om de Haarlemmermeer.
Daarin vinden we:
De Boogaards hebben altijd de onderdrukten en hongerenden geholpen. Na de Eerste
Wereldoorlog hadden ze Hongaarse kinderen in huis. Nederland had altijd onderdak
aan de Joden en andere ontheemden verstrekt. Dat hóórden we ook gewoon te doen,
vonden de Boogaards. De voornaamste reden daarvoor vonden ze in de Bijbel: 'De Joden
zijn Gods uitverkoren volk.' 'En de Duitsers horen hier niet', voegden ze er dan aan
toe (75).
En even verder horen we wat er gebeurde tijdens de tweede overval op de boerderij:
"Elf mensen uit de kelder werden gepakt. (...) De oude Hannes, toen al 77, wilde de
mensen niet laten gaan. Met de Bijbel in zijn handen bezwoer hij de politiemannen,
dat zij de Joden niet mochten oppakken. 'Ze zijn Gods uitverkoren volk.' 'je houdt
je smoel of je gaat ook mee', schreeuwden ze. 'Ik ga mee,' zei de oude Hannes en
hij ging mee."(84).
<164>
foto 22 Ds . C. Kapteyn Dzn. (1895-1965)
Een derde voorbeeld was de Amsterdamse ds. C. Kapteyn, collega van de al vaker
genoemde ds. J. van Nes. Hij werd wegens hulp aan Joden gevangen genomen en
verhoord door Sachbearbeiter Nagel. Deze vroeg Kapteyn, waarom hij Joden geholpen
had bij het onderduiken.
En het antwoord was, dat Christus ons dat geleerd heeft en dat deze bijzonder
aangedrongen heeft op barmhartigheid voor de Joden. Ds. Kapteyn las uit zijn
bijbel voor Romeinen 11:30-32.
De heer Nagel antwoordde niets, maar liet het door ds. Kapteyn gezegde, met het
Schriftbewijs erbij, kort in de protocollen invullen. Toen verder aan ds. Kapteyn
gevraagd werd, waar de door hem geholpen Joden waren, zei hij, dat hij dat niet
kon zeggen. En het tot grote verbazing van ds. Kapteyn gegeven wederwoord was:
"Als ik op uw standpunt stond, dan vertikte ik het ook, om het te zeggen."
En aan de typiste werd gedicteerd voor het protocol: "Wo diese Juden sind, kann
ich nicht sagen". [14.5]
<165>
Het frappeert me dat de niet-kerkelijke geschiedschrijvers met geen woord reppen
van dit motief om Joden te helpen: "Gods uitverkoren volk" of "het oude Bondsvolk"
of een soortgelijke uitdrukking. Ook L. de Jong zegt wel: "Wat de gereformeerden
aangaat, verdient het de aandacht dat zij die toch niet meer dan 8% van de
bevolking vormden, uiteindelijk ongeveer een kwart van de Joodse onderduikers
geherbergd hebben." [14.6] De vraag evenwel, wat voor dat herbergen het motief
zou kunnen geweest zijn, wordt door hem niet behandeld.
Een uitzondering op de regel van dit niet noemen van het "Gods volk-motief' is
het onlangs verschenen De altruïstische persoonlijkheid - Waarom riskeerden
gewone mannen en vrouwen kun levens om anderen te redden? Een citaat:
Voor bepaalde gereformeerde helpers in Nederland hadden alle Joden een speciale
verdienste, los van de gedragingen of eigenschappen van individuen, want die was
hen geschonken door God zelf.
Wat het Joodse volk betrof, werden wij opgevoed in een traditie waarin we geleerd
hadden dat het Joodse volk het volk was van de Heer.
De belangrijkste reden is dat we wisten dat zij het uitverkoren volk Gods zijn.
We moesten hen redden. We vonden dat we dat moesten doen - en met die overtuiging
riskeer je dan alles.
Zoals ik u al zei, we hebben altijd van het Joodse volk gehouden omdat het Joodse
volk Gods volk is. [14.7]
Naast de specifieke ("de Joden zijn Gods volk") gold zeker niet minder ook de meer
algemene opdracht: "Heb uw naaste lief als uzelf." De naam van het gedenkboek van
het verzet in LO en LKP bedoelt te verwijzen naar die opdracht: "Het grote gebod."
b. Angst
Nu is met dit alles bepaald niet gezegd, dat een meerderheid van de Gereformeerden
metterdaad Joden geholpen heeft. In werkelijkheid heeft slechts een (kleine)
minderheid dat gedaan. De meerderheid liet het afweten, ook bij hen.
Op de vraag, waarom mensen het uitdrukkelijke voorschrift van hun geloofsovertuiging
soms (vaak!) naast zich neerlegden - terwijl "niet-gelovigen" dat gebod niet zelden
wél vervulden", kunnen verschillende antwoorden gegeven worden. Ongetwijfeld was
een belangrijke factor om géén Joden te helpen: de angst. Die kon men dan eventueel
verbergen achter een min of meer aannemelijke verontschuldiging.
<166>
Eens vroeg ik aan iemand - eigenaar van een grote, eenzaam gelegen boerderij - een
joods kind in huis te nemen. Zijn huisgenoten wilden wel, hij niet. Hij erkende het
eerlijk: "ik ben bang". De man was Gereformeerd ouderling en, ofschoon ikzelf
toentertijd allesbehalve godvruchtig was, achtte ik het gewenst hem de voor de
hand liggende duimschroeven aan te leggen. Dus hield ik hem voor dat, naar zijn
geloofsovertuiging, hij eens voor de rechterstoel van God verantwoording zou moeten
afleggen van wat hij nagelaten had; ook van het geen onderdak verschaffen aan een
joods kind. Ik vroeg hem of hij daarvoor niet banger was dan voor wat de Duitsers
bij eventuele ontdekking hem zouden kunnen aandoen.
Nog zie ik in gedachten het gezicht van de man voor me; hij zweette ervan. Maar
het antwoord was: je hebt gelijk; toch durf ik niet." Het ironische van het geval
is dat dezelfde man, aan het eind van de oorlog toen zijn dorp onder vuur lag en
men moest evacueren, niet te bang was om terug te gaan in een poging om wat huisraad
te redden. Dat heeft hem toen zijn leven gekost.
Inderdaad was men soms, hoe onlogisch het klinken moge, minder bezorgd over het
verliezen van lijf dan van goed. Na de slag bij Arnhem waren er nogal wat Engelse
militairen ondergebracht bij burgers op de Veluwe. Men wist bij ontdekking de
doodstraf te zullen krijgen, maar dat risico werd aanvaard. Toen evenwel bleek,
dat de Duitsers bij ontdekking niet alleen de heer des huizes fusilleerden,
maar ook zijn huis of boerderij verwoestten, zijn er een paar boeren geweest
die zelden: "Dat wordt me te kras; zoek een andere plaats voor die Engelsman."
Al eerder noemden we terloops hoe mevrouw Ader-Appels de pastorie moest verlaten
en hoe die werd leeggeroofd, vanwege de hulp door haar en haar man verleend aan Joden.
Zoiets was ook een harde klap, misschien harder dan we ons nu kunnen voorstellen.
c. Om zielen te redden?
Als een jood onderdook bij een christen, hielp de christen hem dan met de bedoeling,
hem te winnen voor het christelijk geloof? Die vraag kwam reeds zijdelings aan
de orde en dient hier nu uitvoeriger besproken te worden.
<167>
Duidelijk was de mening van een van de deelnemers aan een radio-uitzending van
IKON [14.8] die op een desbetreffende vraag uitsprak, dat "het laten onderduiken
soms ook een bijbedoeling had" en dat zij die lieten onderduiken dachten "dat zij
het instrument waren in Gods hand om de Joden te confronteren met hun Messias."
Ook verklaarde hij, dat "die diepste motivering eerder regel dan uitzondering was."
Nadat die mening in het dagblad Trouw' samengevat was als zou "meer dan de helft
van de christenen die Joden in hun huis deden onderduiken, dit uit bekeringsdrang"
gedaan hebben, nuanceerde hij evenwel zijn standpunt: "algemene uitspraken zijn
hier natuurlijk niet te doen."
Krachtig wees de Hervormde emeritus-predikant G.C. Tromp (in Trouw, 15.6.1988) de
mening als zou men Joden in huis genomen hebben om ze te "bekeren", van de hand.
Hij sprak - als hulpprediker in de oude binnenstad van Amsterdam in de jaren
1943-1945 - uit eigen ervaring:
Mij is geen enkel geval bekend van christenen die een Joodse onderduiker wilden
helpen 'uit bekeringsdrang'. Ik denk nu aan gezinnen die behoorden tot de
hervormde, de gereformeerde, de christelijke gereformeerde kerken en tot de
gereformeerde gemeente. Dat men aan onderduikers onderdak bood was vaak iets
dat men deed - met vrees en beven; maar men dééd het, om levens te redden. Men
deed het uit geloof zoals anderen het deden vanuit hun humanitaire overtuiging.
Humoristisch (maar niet onjuist) is een andere opmerking van Tromp:
Men kan ervan overtuigd zijn dat mensen die in de oorlog ondanks de struggle
for life, een 'bekeringsdrang' in zich voelden, volop gelegenheid vonden die
drang zonder risico uit te oefenen. Er waren tal van Nederlanders, die niet het
christelijk geloof beleden. Men kon vrijuit met hen spreken, zonder het risico
in een concentratiekamp terecht te komen. Daarom is het onbegrijpelijk dat er
mensen geweest zouden zijn, die Joden in hun huis lieten onderduiken uit
bekeringsdrang.
Ds. Tromp vond dat "op deze wijze de eer en de goede naam van christenen die
onderduikers in hun gezin opnamen, wordt aangetast", en achtte het gevaar van
geschiedvervalsing aanwezig.
Wij zijn, met ds. Tromp, van mening dat bekeringsdrang nimmer de reden is geweest
om Joden als onderduikers in huis te nemen, in een tijd toen het verlenen van
hulp aan Joden ernstig gevaar voor schade aan lijf en goed met zich mee bracht.
<168>
Men dient zich evenwel, ter beoordeling van de problematiek, in te denken wat
er gebeurde wanneer een Joodse man, vrouw of kind onderdook bij een christelijk
(laten we aannemen: een Gereformeerd) gezin. Dat was voor beide kanten een soort
culturele schok. Zelden was het gastgezin gewend om intensief met "andersdenkenden"
om te gaan; het was nog de tijd van de "verzuiling". Voor de gast was de schok
nog groter.
Het gezin had een vast patroon wat betreft de beleving van het geloof- op zondag
ging men tweemaal naar een kerkdienst; door de week gingen de opgroeiende kinderen
naar de catechisatie (kerkelijk onderricht) en naar de -eveneens kerkelijk
georiënteerde - jeugdvereniging. Dat alles ging de onderduiker nog grotendeels
voorbij; al werd er in vele gezinnen thuis nagepraat over de preek en werd er
bij de jeugd geïnformeerd naar wat er besproken was op catechisatie of
jeugdvereniging. Maar - tenzij men een gedeelte van het huis apart kon bewonen
(de Silbers bij Pontier) het dagelijks huiselijk bedrijf ging de onderduiker
allerminst voorbij. In de meeste gevallen zat hij met het gezin aan de etenstafel
en hoorde zodoende driemaal daags lezen uit de Bijbel, en zesmaal daags een hardop
uitgesproken gebed.
Soms zal de onderduiker geboeid zijn geweest door de krachtige woorden waarmee
in het gebed gevraagd werd om Gods bescherming voor de verdrukten, alsook om de
ondergang van de verdrukkers. Maar dat werd gevraagd "in Christus' naam", en dat
zal hem een minder behaaglijk gevoel gegeven hebben. Of, sterker, hij of zij
voelde zich miserabel.
Anne de Vries vertelt, in De levensroman van Johannes Post:
In de boerderij staat de tafel gedekt. Spoedig dampt een warm maal op de schalen.
De Joden scharen zich om de dis. Johannes gaat voor in gebed. Hij neemt geen blad
voor zijn mond. Ofschoon hij gaarne de gevoelens van anderen ontziet, in zijn
gebed moet hij oprecht en openhartig zijn. "Here, wij danken U, dat Gij ons bewaard
hebt en dat Gij deze levens aan het woeden van de vijand hebt ontrukt. Wil deze
vervolgden een Vader en Beschermer zijn, om Christus' wil, die ook hun Messias is,
al erkennen ze Hem nog niet..." [14.10]
Men nam - het zij nogmaals beklemtoond - Joden in huis om levens te redden, niet
om ze te bekeren. Toch ligt het voor de hand dat, als ze eenmaal in huis waren en
men elkaar beter ging kennen, de gedachte kon opkomen: "wat zou het fijn zijn als
onze huisgenoot 'het heil in Christus' vindt." Men had als kind al op de catechisatie
uit het hoofd geleerd, dat er "bij niemand anders (dan bij Jezus) enige zaligheid
te zoeken of te vinden is" (Heidelbergse Catechismus, zondag 1l).
<169>
We achten een dergelijke hoop op zichzelf respectabel. Ieder, die de eigen geloofs-
overtuiging ervaart als iets waardevols, zal het verlangen kennen om dat waardevolle
met een ander te delen. Zowel de bereidheid om een mensenleven te redden en daarbij
groot persoonlijk risico te lopen, als ook het verlangen om de ander tot geloof te
brengen, kónden voortkomen uit dezelfde bron: oprechte naastenliefde.
Bovendien, niemand was zijn leven zeker; de helper evenmin als de geholpene. Als
alles tegenliep, en een laatste, bittere werkelijkheid aanvaard moest worden, dan
bleek de wetenschap dat die ander - hetzij jood of niet-jood - tot geloof was gekomen,
een geweldige troost. Dat heb ik gezien, toen onze vriend Lodewijk van Duuren -
samen met de anderen van de z.g. Trouwgroep - augustus 1944 door de Duitsers
gefusilleerd was en zijn ouders kort daarop zijn afscheidsbrief kregen.
Welnu, het lag voor de hand dat, als er een onderduiker -jood of niet-jood - bij
een meelevend-christelijk gezin ondergebracht was en hij na verloop van tijd
belangstellende vragen naar hun geloof begon te stellen, hem dan met genoegen
antwoord gegeven werd.
Schrijver dezes is van mening, dat "verantwoording afleggen van de hoop die in
ons is" (1 Petrus 3:15) geen verwerpelijke zaak behoeft te zijn, vooral indien
men bedenkt dat Petrus erbij zei: "aan al wie u rekenschap vraagt." En indien, ten
tweede, aanvaard wordt dat de ander eveneens het volste recht heeft om op zijn beurt
mij te confronteren met zijn - van de mijne afwijkende - geloofsovertuiging.
Ten derde dient bedacht te worden - en hier juist wrong soms de schoen - dat een
uitwisseling van wederzijdse overtuigingen alleen op een zuivere manier kan
plaatsvinden indien beide gesprekspartners op basis van gelijkheid spreken; met
andere woorden: als niet de een over de ander macht uitoefent of zelfs maar
probeert uit te oefenen. Men kan de ruimte van de ander op allerlei manieren
inperken, ook door verbaal geweld of psychische druk. Terecht heeft Dick Houwaart
op dit gevaar gewezen. Een machtspositie kan verankerd zijn in de situatie, zelfs
op een manier waarbij de betrokkenen zich de ongelijkheid op het moment niet eens
realiseren.
<170>
Een onderduiker was van het gastgezin afhankelijk voor de redding van zijn leven,
en bovendien voor het dagelijks levensonderhoud. Van die afhankelijkheid - en de
consequenties daarvan voor de omgang met elkaar - is zich niet iedere gastheer
en gastvrouw bewust geweest. En dan spreken we nog niet eens over een kwalijke
uitschieter als waarvan "Flip Amsterdammer" vertelde (zie hierboven, hfdst. 12).
Wie een geloofsovertuiging bezit, mag die (proberen) uit (te) dragen; maar wie
daarbij de ander niet de ruimte laat (ook de ruimte tot besliste afwijzing) en
geen - of te weinig - besef heeft van de corrumperende invloed die macht kan
hebben op menselijke relaties, die loopt gevaar te spreken en/ of te handelen
op een manier die we in strijd achten met de bedoeling van het evangelie. In
die zin zijn er ongetwijfeld fouten gemaakt.
L. de Jong schreef: "Die 'Jodenzending' (begrijpelijk en goed bedoeld, maar,
naar ons oordeel, onzuiver omdat zij zich op afhankelijke mensen richtte) heeft
niet veel succes gehad". [14.11]
Vermoedelijk ging het, in een christelijk gezin met Joodse onderduikers, nog het
beste als de Joodse gasten orthodox waren. Dan herkende men in het geloofsgoed
van elkaar veel van het eigene: het hele Oude Testament (Tenach); vooral de Psalmen.
Zo vertelt Corrie ten Boom, toch een geducht evangeliste, hoe de orthodoxe Meier
Mossel (later "Eusie" - naar Eusebius - genoemd) bij hen onderdak vond. Vader
Ten Boom zei al gauw, na de eerste kennismaking: Ik zou het een eer vinden, als
u ons vanavond (uit de bijbel) wilt voorlezen". En Meier ging staan, zette zijn
gebedskapje op en las het aan de beurt zijnde hoofdstuk (uit Jeremia). En toen
Kerstmis naderde:
In. Béjé, (de Barteljorisstraat in Haarlem) moesten we niet alleen Kerstmis
vieren, maar ook Chanoeka, het Joodse "Feest van de Lichten". Betsie vond een
Chanoeka-kandelaar tussen de schatten die achter de kast van de eetkamer waren
opgeborgen en zette die op de piano. Elke avond staken we een kaars aan, terwijl
Eusie de geschiedenis van de Makkabeëen voorlas. Dan zongen we melancholieke
woestijn-muziek. We waren op die avonden allemaal erg joods. [14.12]
<171>
Een bevriend echtpaar vertelde: "We woonden toen in Den Haag. De Joodse
onderduikster die bij ons in huis kwam was orthodox. De eerste vraag die ze
stelde was: 'Waar ligt Jeruzalem?', want in die richting wilde ze bidden. We
hebben maar in de richting van Wateringen gewezen". Dat bidden werd gerespecteerd.
Maar wanneer de Joodse gast niet gelovig was, nam men het recht dat toch ook hij
of zij op eigen opvattingen had, soms minder serieus en achtte veeleer als het
ware een vacuüm aanwezig; een gat in de markt, dat gevuld diende te worden.
Dat wil nog niet zeggen, dat men zijn medemens op een agressief-getuigende manier
tegemoet trad. Eerder was - en is - men in orthodox-protestantse kringen, waar het
om geloofszaken gaat, geremd in het spreken.
Als voorbeeld moge dienen de bekende "oom Hannes", de boer uit Nieuw-Vennep die
we al eerder noemden. Hij kwam geregeld bij ons thuis en hoorde dat ik me in
kerkelijk/godsdienstig opzicht afwijzend opstelde; dat speet hem kennelijk, maar
hij heeft geen poging gedaan, me tot een ander inzicht te brengen. Toen hij evenwel,
een twintig jaar later, ons in Israël bezocht, vond hij het fijn dat ik na de oorlog
theologie was gaan studeren en predikant geworden was. Toen werd er uiteraard ook
over het geloof gesproken; niet tijdens de oorlog.
Niet tegen mij, evenmin tegen zijn onderduikers, zo vernam ik van een hunner. Al
zou hij, denk ik, hen graag het geloof gegeven hebben, als hij dat gekund had. Maar
dat kan niemand. Trouwens, hij was er niet alleen de man niet naar om te
"evangeliseren", maar bovendien werd hij zeer in beslag genomen door het zoeken
naar onderduikplaatsen, het voorzien in de behoeften van distributie kaarten,
persoonsbewijzen enz.
Zijn vader, Hannes Sr., getuigde wél: zowel tegen Joodse onderduikers alsook tegen
de Duitsers. Het heeft hem zijn leven gekost.
Ook iemand als N.H. de Graaf (zie hierboven: hfdst. 2, c) was ervan overtuigd, dat
het evangelie voor alle "volkeren en rassen" bestemd is: "Want allen hebben als
waarlijk enig levensbrood Gods erbarmen en vergeving in Jezus Christus evenzeer
nodig; ieder mens wie hij ook is; evenals ikzelf slechts uit die genade leven
en sterven kan."
Men kan het met die overtuiging eens zijn of niet - dat staat ieder vrij - maar
ook indien met het er niet mee eens is, dan nog verdienen mensen als De Graaf
en de oude Hannes Boogaard [l4.13] mijns inziens ons respect. We achten het
bovendien kwalijk, wanneer het "bekerings-motief" gebruikt wordt om een karikatuur-
beeld te schetsen van wat de gastgezinnen van Joodse onderduikers bewoog om hen
in huis te nemen.
<172>