2. HET BEGIN

a. De situatie (mei - oktober 1940)

Nederland werd door de Duitse legers onder de voet gelopen en capituleerde.

Koningin Wilhelmina was met haar gezin gevlucht. De ministers waren in Londen:

een Regering in ballingschap.

De Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart werd benoemd tot Rijkscommissaris over

het bezette Nederland. Op 29 mei nam hij het burgerlijke bestuur over en hield

ter gelegenheid daarvan een rede in de Ridderzaal, de plaats waar de Koningin

op Prinsjesdag de Troonrede placht voor te lezen. De nieuwe gezagsdrager

beloofde "het tot nu toe geldende Nederlandse recht in kracht te laten en het

Nederlandse volk geen vreemde ideologie op te dringen". Een andere uitspraak

in zijn rede:

"Wij Duitsers echter, die door dit land gaan met een blik die gescherpt is door

het begrip voor de waarden van de banden des bloeds en de ontbindingen des bloeds

in een volk, verheugen ons over de Nederlandse mensen. Wij verheugen ons over

de kinderen, wensen dat de jongens hier moedige, krachtige, energieke mannen en

de meisjes gelukkige moeders van grote gezinnen zullen worden. Wij gevoelen ons

heden, en in alle omstandigheden verantwoordelijk voor het goede bloed, want bloed

verplicht ook over uiterlijke feiten en ontbrekend begrip heen."

In de maand juni werden de overgebleven Engelse troepen geëvacueerd uit Duinkerken.

De val van Parijs werd gevolgd door de capitulatie van heel Frankrijk. Vanaf 4 juli

was alleen luisteren naar de Nederlandse of Duitse radio toegestaan; in diezelfde

maand sprak de Koningin voor de eerste keer over radio Oranje.

Op 7 september vond de eerste grote Duitse luchtaanval op Londen plaats:

de "slag om Engeland" was begonnen. Eind september werd het drie-mogendheden

verdrag (Duitsland, Italië en Japan) bekendgemaakt.

Vanaf 1 oktober moesten de Nederlanders zich kunnen identificeren. Eind oktober

begon de aanval van Italië op Griekenland.

<34>

22 mei: morgen komen de schoenen op de bon, en binnenkort de textiel, zegt men,

de suiker was al op de bon.

18 juni: ook het brood wordt nu gedistribueerd, we eten er nu een prakje bij.

14 juli: morgen worden vel en andere levensmiddelen gedistribueerd.

4 aug.: Het puntenstelsel voor de textiel zal nu in werking treden; 100 punten

per half jaar. Het eerste kwartaal mogen de mensen 40 punten besteden.

Lakenkatoen kost 10 punten per m2, een knot wol vijf punten.

15 juli: een half pond boter, vet of margarine in de week. Veel te weinig, maar

nu krijgen we allemaal een eiken botervlootje; dan kan ieder zo dik of

zo dun smeren als hij zelf wil.

16 aug.: Er zijn al lakens, overalls en molton van kunstvezel. De verkoop van

wollen stoffen en van bovenkleding is tot nader order verboden.

30 aug.: Morgen is de Koningin jarig. We mogen geen enkel teken van vreugde of

van rouw betonen. Ook geen rouwbanden dragen of in de etalage leggen,

(Politieagent) Driessen kwam dat speciaal zeggen. De boeren mogen zelf

niet meer karnen; de karnen zijn verzegeld. Nu gebruiken ze de wasmachine.

2 sept.: Gisteren hadden we een dominee die bad "voor degenen die thans over ons

heersen, of ze uit de greep van de leugengeest verlost mogen worden".

25 sept.: De zeep kwam kortgeleden op de bon, en nu ook het vlees.

2 okt.: De foto's van het Koninklijk huis zijn bij de boekhandelaars en het

postkantoor in beslag genomen.

6 okt.: We zijn in afwachting wat er boven ons hoofd hangt: Mussert of

zelfbeschikking.

De eerste anti-joodse maatregel was de uitsluiting van Joden uit de luchtbescher-

mingsdiensten. Kort daarop (eind juli) volgde het verbod op ritueel slachten. In

Zandvoort werd, begin augustus, de synagoge opgeblazen. Op 30 september werd het

verbod uitgevaardigd om hen die "geheel of gedeeltelijk van Joodse bloede" waren,

in overheidsdienst te benoemen of, indien reeds in dienst, te bevorderen.

b. Het Convent van Kerken

Al gauw na de Nederlandse nederlaag in de meidagen en de daarop volgende bezetting

door de Duitsers, vonden er op kerkelijk terrein twee ontwikkelingen plaats die

van groot belang zouden blijken te zijn, allereerst voor de periode van de bezetting,

maar ook voor de tijd daarna, tot op de dag van vandaag.

<35>

Allereerst vonden de kerken elkaar in een permanent verband -het Convent van

Kerken, vanaf 1942 I.K.0. (Interkerkelijk Overleg) genoemd. De problemen die

uit de bezetting voortvloeiden noodzaakten tot overleg en het waar mogelijk

vormen van een gemeenschappelijk front.

In een brief, gedateerd 20 juni 1940, nodigde de Algemene Synodale Commissie

der Nederlandse Hervormde Kerk afgevaardigden van zeven andere kerken uit tot

een samenspreking: "voor elk van die (Kerkgenootschappen) één afgevaardigde

en wel iemand die bevoegd zou zijn namens het Kerkgenootschap zich casu quo

te wenden tot de hoge overheid."

De eerste vergadering vond plaats op 25 juni. Vertegenwoordigd waren:

de Nederlandse Hervormde Kerk;

de Gereformeerde Kerken in Nederland,

de Christelijke Gereformeerde Kerk;

de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband;

de Remonstrantse Broederschap;

de Algemene Doopsgezinde Sociëteit;

de Evangelisch Lutherse Kerk;

en het Hersteld Evangelisch Luthers Kerkgenootschap

Zoals blijkt uit de volkstelling van 1930 waren er in dat jaar in Nederland

2,7 miljoen Hervormden, 640.000 Gereformeerden en 270.000 leden van de andere

bovengenoemde Kerkgenootschappen. [2.1] De Rooms-katholieke Kerk deed dus

(nog) niet mee; ze was niet uitgenodigd.

Als voorzitter trad op prof. J.R. Slotemaker de Bruïne. Al vrij spoedig daarna

zou hij moeten terugtreden wegens een ziekte, waaraan hij overleden is. Daarna

zijn onder anderen prof. P. Scholten, mr. J. Donner en dr. J.J.C. van Dijk

voorzitter geweest; de bezettende macht zorgde voor de roulatie: telkens werd

de voorzitter gevangen genomen.

Als secretaris van het Convent trad ds. K.H.E. Gravemeyer (geb. 1888) op,

een krachtige figuur, die op 1 april 1940 met de kleinst mogelijke meerderheid

was gekozen als secretaris van de Synode van de Ned. Hervormde Kerk. Eens zei

hij tegen een bezoeker: "We zijn er niet om de strijd (tussen Kerken en bezetters)

te voorkomen, maar om die goed te strijden". [2.2]

<36>

foto 4. Ds K.H.E. Gravemeyer

Ds. Gravemeyer zou tot aan het einde van de bezetting (met een onderbreking van

enkele maanden in 1942 wegens gijzeling door de Duitsers) secretaris van het

Convent - later Interkerkelijk Overleg genoemd - blijven. Hij heeft het verzet

van de kerken ten zeerste gestimuleerd.

Op de eerste bijeenkomst typeerde de voorzitter die als "officieus, informatorisch

en vertrouwelijk". Men zou elkaar kunnen voorlichten en inlichten en bij belangrijke

zaken in eenparigheid jegens de overheid handelen, teneinde aan het optreden der

Protestantse kerken in Nederland aldus meer kracht bij te zetten.

De meeste bleken echter aanwezig zonder uitdrukkelijke machtiging van hun kerk.

Zo was de Gereformeerde vertegenwoordiger, prof. H.H. Kuyper, wel voorzitter van

"Deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid", maar - zoals al eerder

opgemerkt - dit Deputaatschap had tot nu toe weinig betekend; zo mocht men slechts

antwoord geven, "als de overheid naar de mening van de kerk vroeg in een bepaalde

zaak, indien de synode zich althans over die zaak had uitgesproken." Maar die

zomer vergaderde de synode en verleende aan prof. Kuyper een meer uitgebreid,

aan de veranderde tijdsomstandigheden aangepast mandaat: "Eindelijk wordt het

moderamen (bestuur van de synode) gemachtigd om met de deputaten voor de

correspondentie met de Hoge Overheid beslissingen te nemen, wanneer er geen

synode kan samenkomen." [2.3]

<37>

In het begin besprak men in het Convent onderwerpen als: vergoeding van oorlogsschade

aan de kerken, zondagsarbeid, avondmaalsbrood (in verband met de distributie-

moeilijkheden), enz. Maar de notulen van 30 juli vermelden: In de volgende

vergadering zal over het karakter van het Convent nader gesproken worden. Verzocht

wordt, dan tevens de vraag aan de orde te stellen, of er voor de Kerken aanleiding

en zelfs plicht kan zijn, zich thans omtrent het antisemitisme uit te spreken." [2.4]

In augustus is er geen vergadering geweest en in september is men niet aan het

onderwerp antisemitisme toegekomen. De notulen zijn uiterst summier en het is

niet duidelijk of men er echt niet aan toe kwam, dan wel als een poes om de hete

brei heendraaide. Ds. J.J. Buskes, die de vergaderingen bijwoonde als afgevaardigde

van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, zou later schrijven: "het heeft

heel wat strijd en moeite gekost, om ten opzichte van de Jodenkwestie ten slotte

een waarlijk principieel geluid te laten horen." [2.5] Abel Herzberg merkte op:

"Ook de protestantse kerk ving aan zich te roeren. Dit laatste is niet ineens

gegaan, niet overal van ganser harte, maar veelal schoorvoetend en, naar

Nederlandse trant, bedachtzaam." [2.6]

c. De Lunterse Ring

Toch waren de zomermaanden geen verloren tijd. Eind augustus werd te Lunteren

een driedaagse "clandestiene" vergadering gehouden van een dertigtal predikanten

en gemeenteleden, voornamelijk uit de Hervormde Kerk en het al eerder genoemde

"Hersteld Verband" (een afsplitsing, sinds 1926, van de Gereformeerde Kerken

in Nederland). De deelnemers hadden, vooral door het volgen van de strijd van

de "belijdende Kerk" in Duitsland, al voor mei 1940 de gevaren van het nationaal-

socialisme beseft. J.J. Buskes was in Lunteren aanwezig, evenals J. Eykman,

J. Koopmans, K.H. Kroon, K.H. Miskotte en G. Oorthuys. Zij allen zouden een

rol in het verzet spelen.

Men besloot een brief tot de door de Hervormde Synode ingestelde, uit 19 leden

bestaande commissie Kerkelijk overleg te zenden; ook ging er een afschrift naar

het moderamen van de Gereformeerde synode. In deze brief drong men erop aan,

dat de officiële kerkelijke instanties zich "zo beslist, zo helder en zo snel

mogelijk ter voorlichting van de gemeente en, hetzij' direct of indirect, ook

van ons volk in zijn geheel, zouden uitspreken over "de moeiten, zorgen en

verzoekingen waarin wij en onze landgenoten verkeren." Met name genoemd werden

"de beginnende antisemitische propaganda, de geestelijke vrijheid, opvoeding

en school, en de willekeur van de bezettende macht". Over het eerstgenoemde punt

schreef men:

<38>

"Wij kwamen diep onder de indruk van het feit, dat de antisemitische propaganda

al veel verder in ons volk is doorgedrongen dan velen vermoeden en dat de

overeenkomstige maatregelen van hoger hand (slachtverbod, verklaring van de

luchtbeschermingsdienst enz.), bovendien de daden van belediging en overlast

de Joden aangedaan (de verkoop van "Sturmer" en "Misthoorn" op de openbare weg,

het opblazen van de synagoge te Zandvoort enz.) voor het geweten van tallozen

een ondraaglijke last zijn geworden."

Buskes was een van de ondertekenaars. Hij was het geweest, die In het Convent

der Kerken verzocht had het onderwerp antisemitisme op de agenda te plaatsen.

Hij wist zich nu gesteund door zijn vrienden. Ook de leden van Kerkelijk Overleg,

waaronder ds. Gravemeyer, die bovendien secretaris van het Convent was, werden

aangemoedigd. Niet dat de brief van de kant van Kerkelijk Overleg een positieve

reactie kreeg: men nam de brief niet in behandeling, maar gaf deze door aan het

moderamen (bestuur) van de Hervormde Synode. Dit liet een antwoord opstellen door

een commissie onder voorzitterschap van prof. W.J. Aalders. We komen op dat

antwoord nog nader terug.

Toch zou de "naar boven" uitgeoefende druk niet vergeefs blijken te zijn geweest.

De brief zou de Gereformeerde synode inspireren tot het herderlijke schrijven

dat in maart 1941 publiekelijk 11 dwz. in de kerkdiensten - voorgelezen werd.

Het was een wisselwerking: vanuit de kerken kwamen stemmen die hun leiding om

een duidelijk woord vroegen, en als dat woord dan ook kwam, en vooral als het

hoorbaar (vanaf de preekstoel) in de zondagse kerkdienst weerklonk, werden de

gelovigen aangespoord tot een houding en daden van verzet.

Zomer 1940 begint zich dus de tweede belangrijke ontwikkeling af te tekenen.

De eerste was, dat de kerken elkaar vonden in een gemeenschappelijk en permanent

beraad: het Convent van Kerken. De tweede was, dat men nu ook gezamenlijk en

publiek ging spreken.

<39>

In onze tijd wordt het als een gewone zaak beschouwd dat een kerk, of de Raad

van Kerken in Nederland, een publieke uitspraak doet over een of andere

belangrijke zaak. Bij menigeen roept het publieke spreken van de kerken zelfs

een gevoel van geïrriteerdheid op, indien naar eigen smaak de uitspraak te ver

dan wel niet ver genoeg gaat. In 1940 was het doen van een publieke uitspraak

iets geheel nieuws. De kerken hadden op dit punt geen enkele ervaring en de

Hervormde Kerk - de grootste - had een kerkorde die, zoals al in het vorige

hoofdstuk vermeld, publiek getuigen formeel onmogelijk maakte. Toch is dat

getuigenis er gekomen, vele malen en over in die tijd brandende kwesties.

Men richtte zich daarbij tegen een hardvochtige bezetter, die meermalen zou

reageren met gevangenneming van sommige bij' de opstelling van een protest

betrokkenen.

Het eerste publieke woord van de kerken was gericht tegen de vervolging van

de Joden en het antisemitisme. Dat was ook het eerste punt op het verlanglijstje

van de "Lunterse kring".

d. Tweemaal concentratiekamp Buchenwald

De door de Lunterse kring gesignaleerde "maatregelen van hogerhand" tegen de

Joden kwamen voor menigeen onverwacht. Men had kennis genomen van Seyss-lnquarts

toespraak bij zijn ambtsaanvaarding en geloofd in de fraaie beloften ("Het tot

nu toe geldende Nederlandse recht blijft van kracht"), maar niet goed geluisterd

naar de daarop volgende beperking: "voor zover het verenigbaar is met de bezetting".

Toen eind augustus 1940 de instructie afkwam dat Joden niet meer mochten worden

aangesteld in overheidsdienst noch, indien al in dienst, bevorderd, gingen de

hoogste nog aanwezige Nederlandse gezagsdragers - de secretarissen-generaal -

hiermee akkoord (6 september), zij het na enig protest. Daarop werd aan de

betreffende ambtenaren doorgegeven dat voortaan bij sollicitatiegesprekken de

vraag naar het al of niet Jood-zijn gesteld moest worden.

Een week later kreeg het hoofd van de sociale jeugddienst van het departement

van sociale zaken, de 48-jarige N.H. de Graaf, deze opdracht van zijn secretaris-

generaal. Hij weigerde, nam ontslag en las de volgende verklaring op maandag

16 september aan zijn medewerkers voor:

<40>

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 17 / 55 题