1. DE NEDERLANDSE KERKEN TIJDENS DE JAREN DERTIG

a. Sfeer en situatie

We hadden thuis een manufacturenzaak, in Renkum. "We", dat was mijn moeder

- vader was al jaren geleden overleden - met haar drie kinderen: een dochter

en twee zoons. Ik was de middelste.

Het eerste uit die tijd om te memoreren waren de economische crisis en de

werkeloosheid. In ons dorp hadden velen werk gevonden op de papierfabriek

van Van Gelder. Honderden kregen ontslag en moesten gaan stempelen. De uitkering

was gering, dus ook het aan kleding te besteden bedrag daalde. De omzet in

onze zaak ging met sprongen achteruit. Menig winkelier ging failliet. Dat

overkwam ons niet, maar zomer 1935 (ik was toen 15 en zojuist overgegaan naar

de vierde klas van het Chr. Lyceum in Arnhem) werd besloten dat er niets anders

op zat: ik moest van school af om thuis in de zaak te gaan meehelpen.

We waren Gereformeerd: mijn moeder belijdend lid en de kinderen dooplid.

Dus ging je 's zondags naar de kerk; de kinderen eerst alleen naar de ochtenddienst,

maar vanaf hun twaalfde jaar ook 's middags. In de middagdienst werd er meestal

gepreekt over de Heidelbergse Catechismus (HC), een uitleg van het Christelijk

geloof, geformuleerd in de vorm van vraag en antwoord en verdeeld in 52 "zondagen".

Ook op de catechisatie, waar men vanaf het twaalfde jaar heen ging, werd de HC

besproken en de kinderen leerden wekelijks een "zondag" uit het hoofd. Sommige

vragen ("Wat is Uw enige troost, beide in leven en sterven?"; "Wat is een waar

geloof?") en hun antwoorden bleven je je levenlang bij.

Aan tafel werd er door het gezinshoofd (bij ons thuis dus: mijn moeder) voor en

na de maaltijd hardop gebeden; zesmaal daags. Ten minste tweemaal per dag werd

er aan de etenstafel een bijbelgedeelte gelezen.

De jongens waren lid van de Gereformeerde knapenvereniging. Als je 16 werd,

mocht je naar de jongelingsvereniging (JV). Daar werd men voorbereid op de taak

in "kerk, staat en maatschappij". Ook de meisjes hadden hun verenigingen.

<19>

foto 1. Vooroorlogs zendingsbusje met een "dankbare Javaan"

Als kind ging je naar een "school met de Bijbel". Op maandagmorgen nam je een

gift mee voor de zending. Die ging in een spaarbus, versierd met het borstbeeld

van een Javaan. Als de stuiver of cent in de gleuf viel, knikte hij vriendelijk.

We waren ervan overtuigd dat alle Javanen niet alleen hoffelijk waren, maar ook

uiterst dankbaar voor het feit dat hun het evangelie gebracht werd. Zendelingen

met verlof vertelden over snel groeiende kerken in Nederlands-Indië. Thuis hing

in de huiskamer een rood, blikken busje aan de muur, met het opschrift: "Voor

Joden, heidenen en mohammedanen". Als wij kinderen kattenkwaad hadden uitgehaald,

legde mijn moeder ons soms de straf op om van ons zakgeld een gift in het

zendingsbusje te doen. Waarop mijn broer protesteerde: "Dan worden de heidenen

bekeerd door onze zonden". Toen zag moeder verder van de methode af.

<20>

Als je middelbaar onderwijs mocht volgen, diende dat het liefst Christelijk

onderwijs te zijn. Ik ging dus naar Arnhem, ook al was de "neutrale" HBS in

Wageningen dichterbij. Je las een Christelijk dagblad - bij ons thuis: de Standaard.

Men stemde op een Christelijke politieke partij; Gereformeerden werden geacht

op de Anti-Revolutionaire partij van Colijn te stemmen.

Tegenwoordig noemt men deze eenvormigheid "de verzuiling" [1.11] en nu hebben

we oog voor de negatieve kanten van het verschijnsel. Weinige zagen die toen.

Sommige aspecten ervan werden als positief ervaren en ze zouden tijdens de oorlog

van waarde blijken. De sterke verbondenheid met de eigen groep gaf een zeker

zelfvertrouwen; de eigen organisaties leverden het raamwerk voor de opbouw van

een verzetsbeweging; de eigen "nestgeur" zou een belangrijk hulpmiddel blijken

te zijn bij het vaststellen wie er te vertrouwen was en wie niet.

Zo belde tijdens de oorlog de K.P. (knokploeg)-leider Johannes Post eens aan

bij een politie-agent in Groningen en vroeg diens medewerking voor een verzetsdaad.

Post kon zich niet legitimeren en de ander wantrouwde hem: de onbekende kon

immers een provocateur zijn. Het was etenstijd, en Post werd aan tafel genodigd.

Hij schikte aan en zag, hoe de vrouw des huizes een bijbel klaarlegde. "Zijn

jullie Gereformeerd?", vroeg Post. "Ja", was het antwoord. Waarop Johannes zei:

Ik ook; ik ben ouderling in een dorp in Drenthe". De gastheer reageerde met

de woorden: "Wilt U ons dan voorgaan in gebed?" Johannes bad. En de gastheer

wist nu heel zeker: "deze man is een broeder (geloofsgenoot)". Na het eten werden

er zaken gedaan.[1.12]

Maar Duitsland was in de jaren dertig onze vijand nog niet; integendeel. Ons

gezin, maar ook de familie (ooms en tantes die in de buurt woonden; mijn moeder

had tien broers en zusters) was pro-Duits. Ten eerste omdat we vonden dat de

Duitsers bij de vrede van Versailles, in 1919, onbillijk behandeld waren, ten

tweede omdat we een hekel aan de Engelsen hadden. Die hadden immers de Boeren

in Transvaal en de Oranje-Vrijstaat geknecht. De boeken van L. Penning over de

heldhaftige strijd van de Boeren tegen de trouweloze Britten werden vlijtig

gelezen en hadden grote invloed.

Onze sympathieën en die van de overgrote meerderheid in de Gereformeerde Kerken

veranderden snel en grondig na de machtsovername in Duitsland door Hitler.

<21>

Hervormde predikanten hadden, veel meer dan bij de Gereformeerden het geval was,

intensieve contacten met de "Bekennende Kirche", dat deel van de Duitse kerk dat

zich niet door Hitler liet gelijkschakelen. Ger van Roon heeft het belang van

deze contacten voor de bewustwording in Nederland uitvoerig gedocumenteerd en

overtuigend aangetoond. [1.3] Maar dat gold vooral Hervormde en in veel mindere

mate Gereformeerde predikanten. Bij de Gereformeerden wogen de bezwaren tegen

de theoloog Karl Barth zwaar, en juist hij speelde in de Duitse kerkstrijd een

grote rol. Maar krant en radio brachten de berichten over ds. Niemöller die,

omdat hij het Nationaal-Socialisme openlijk bestreed, in een concentratiekamp

opgesloten werd; en er kwamen berichten over de Jodenvervolgingen. Daar kon

niemand omheen.

Er woonden drie Joodse gezinnen in ons dorp, alle drie met een zaak: Manasse

de drogist, zijn broer de huisschilder, en de dames Cohen die een zaak in boter,

kaas en eieren hadden. Zij waren geen klant bij ons en wij niet bij hen, dus

was er zelden contact. Wel was er een aantal Joodse "reizigers", vertegenwoordigers

van een textiel-fabriek of -groothandel, die ons regelmatig bezochten. Met

sommigen hunner werd de relatie vriendschappelijk.

Of er in onze kerk ooit gepreekt werd op een manier die het antisemitisme

bevorderde? Ik kan het me niet herinneren. Wel weet ik, dat bij ons thuis

de Joodse zakenrelaties niet als onbetrouwbaar werden beschouwd; al waarschuwde

mijn moeder ons nadrukkelijk voor de onbetrouwbaarheid van een groothandelaar

in textiel die Gereformeerd was.

b. De zending onder de Joden

Er waren twee Hervormde verenigingen voor zending onder de Joden (Elim en de

Nederlandse Vereniging voor Israël), maar hier ging het om particulier initiatief.

De Gereformeerde zending onder de Joden evenwel was een direct-kerkelijke zaak

en stond onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de generale (landelijke)

synode. Er waren commissies (deputaatschappen) ingesteld, die verantwoordelijk

waren voor een bepaalde activiteit en aan de volgende synode verantwoording

moesten afleggen. Er was ook een deputaatschap voor de zending onder de Joden.

Om te weten hoe men in het algemeen als Gereformeerden de Joden beschouwde, is

het van belang om stil te staan bij de Gereformeerde zending onder de Joden.

Dank zij Peter Treep's onderzoek hebben we daar een duidelijk overzicht van. [1.4]

Het deputaatschap voor de zending onder de Joden had de supervisie over drie

predikanten: Jac. van Nes te Den Haag (vanaf 1916), C. Kapteyn te Amsterdam

(vanaf 1929) en R. Bakker te Rotterdam (vanaf 1935). Deze predikanten leverden

elk kwartaal een schriftelijk rapport van hun werkzaamheden in bij hun deputaten.

De manier waarop men werkte, riep van Joodse zijde veel weerstand op en dat zal

ons nu nauwelijks verwonderen. In Den Haag waren clubs voor Joodse kinderen.

In een oplaag van 30.000 (1940) werd maandelijks "De Messias-bode" gratis en

ongevraagd aan Joodse adressen gezonden. Jaren later, toen we in Israël woonden,

vertelde ons een vriend van Nederlandse afkomst hoe hij indertijd in Nederland

enkele malen verzocht had, de Messias-bode niet meer te sturen. Dat hielp niet,

totdat hij opnieuw een brief naar de redactie schreef met het verzoek voortaan

twee exemplaren te sturen want, zo schreef hij, "het papier van dit geschrift

is uitermate geschikt om op de w.c. gebruikt te worden". Pas toen zag men van

verdere toezending af, aldus mijn vriend.

<23>

Veel huisbezoeken werden door de drie predikanten afgelegd. Slechts weinigen

uit de Joodse gemeenschap lieten zich dopen. Ds. Van Nes waarschuwde de

kerkeraden overigens tegen het te spoedig bedienen van de doop. Hij vond dat

er in het algemeen drie tot vier jaar catechetisch onderwijs nodig was voor

men tot dopen kon overgaan. [1.5]

In 1929 bezocht ds. Van Nes een Joden-zendingsconferentie te Neurenberg.

Hier werd hij geconfronteerd met de groei van het antisemitisme in Duitsland.

Sindsdien kozen hij en zijn twee collega's ondubbelzinnig partij ertegen.

Op de eerste conferentie van plaatselijke commissies voor zending onder de

Joden, in 1932, nam men met algemene stemmen een aantal resoluties aan waarvan

de eerste luidde:

"De conferentie brandmerkt het antisemitisme als grove zonde en zij roept alle

Christenen op tot betoon van hartelijke liefde tot de Joden om Christus' wil". [1.6]

Ook de Messias-bode keerde zich fel tegen het antisemitisme, de eerste keer in

een artikel van de hand van ds. Kapteyn, november 1930. Als ds. Van Nes over

dit onderwerp een lezing hield, kwam men nu ook van Joodse kant luisteren.

Toen hij in Aalten over het antisemitisme sprak, werd zelfs de synagogedienst

een kwartiertje vervroegd, opdat men nog naar deze bijeenkomst zou kunnen gaan. [1.7]

Maar toen deputaten op de synode van 1933 verslag uitbrachten, deelden zij mee:

"Thans volgen de rapporten, zoals die bij deputaten ingebracht werden door de drie

missionarissen, met weglating van de algemene opmerkingen waarin de missionarissen

over het lijden van het Jodendom en de reactie daarop in Joodse en Christelijke

kring praten." [1.8]

c. Over synodes en deputaatschappen

De Hervormde geschiedschrijver H.C. Touw schrijft Synode, met een hoofdletter;

de Gereformeerde Th. Delleman daarentegen schrijft synode zonder hoofdletter.

Dat is niet toevallig. De inrichting van de diverse kerkgenootschappen vertoont

op bepaalde punten onderling verschillen, bij voorbeeld wat betreft de taak van

de synode. De besluitvorming komt op verschillende wijzen tot stand.

<24>

In het volgende vertellen we iets over de structuur van de Gereformeerde Kerken

in Nederland. Het meervoud (kerken!) is veelbetekenend: men hecht veel waarde

aan de zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk (of: gemeente).

Op 1 januari 1940 waren er, volgens het jaarboek van 1940, 788 (plaatselijke)

kerken met 811 dienstdoende predikanten en 652.826 leden, waarvan 331.615

belijdende leden. Er waren dus 321.211 doopleden, toen voornamelijk kinderen.

De toename over 1939 bedroeg 7.687 leden.

Vooral in de grotere plaatsen beschikte een gemeente vaak over meer dan een

kerkgebouw, en meer dan een predikant. Iedere gemeente werd bestuurd door de

kerkenraad: ouderlingen, diakenen en de predikant(en), allen gekozen door (toen

nog alleen de mannelijke) belijdende leden.

De kerkenraad stuurde afgevaardigden (een predikant en een ouderling) naar de

classis: een regionaal verband van kerken dat eens in de drie maanden vergaderde.

Deze classis vaardigde vertegenwoordigers af naar de particuliere (of: provinciale)

synode die eens per jaar een dag vergaderde en dan afgevaardigden naar de generale

(of: nationale) synode koos. Deze vergaderde eens in de drie jaar (tenzij er "enige

dringende nood was om de tijd korter te nemen") enkele dagen en werd dan ontbonden.

Zo was er een synode in 1933 en daarna weer een in 1936.

Er waren 12 provinciale synodes: Limburg en Noord Brabant deden samen, maar

Zuid-Holland en Friesland hadden elk twee particuliere synodes. Iedere provinciale

synode mocht 4 leden afvaardigen naar de generale synode: 2 predikanten en 2

ouderlingen. De generale synode bestond dus uit 24 predikanten en 24 ouderlingen,

plus, als prae-adviseurs, de theologische hoogleraren.

Synode-leden waren meestal van rijpere leeftijd. Er waren geen vrouwen bij: zij

hadden toen noch het actieve, noch het passieve kiesrecht, d.w.z. ze mochten

niet kiezen en niet gekozen worden.

Voor iedere synode koos men een vergaderplaats in weer een andere provincie.

Als een synode bijeenkwam, begon men met een moderamen (bestuur) te kiezen,

bestaande uit vier personen. Men vergaderde een aantal dagen, tijdens welke de

nodige besluiten werden genomen. Dan werd de synode gesloten en ging iedereen

naar huis. De synode was dus allerminst een permanent instituut.

<25>

De synode die in 1936 te Amsterdam bijeenkwam, vergaderde in totaal 16 dagen,

werd toen voorlopig gesloten en kwam in 1938 nog twee dagen bijeen. In die tijd

was er binnen de Gereformeerde Kerken een strijd ontbrand over bepaalde punten

van de geloofsleer. Om die reden werd de volgende synode, die van Sneek, in 1939

niet definitief gesloten, maar waren er voortgezette synodevergaderingen: 6 dagen

in 1940, 12 dagen in 1941 en 19 dagen in 1942. In 1944 zouden de leergeschillen

tot een scheuring in de kerken leiden. Maar in ieder geval kon men van de nood

(de leergeschillen) een deugd maken: door oorlog en bezetting dienden zich

onverwachte maar dringende problemen aan en men had nu de gelegenheid om deze

te behandelen.

Het moderamen van de synode was gemachtigd om, na de sluiting van de synode,

toe te zien op de uitvoering van de genomen beslissingen. Het werd daarin

bijgestaan door deputaatschappen. Hierboven kwamen we het deputaatschap voor

de zending onder de Joden al tegen.

Een ander deputaatschap was dat voor "correspondentie met de Hoge overheid".

De taak van deze commissie was voor de tweede wereldoorlog nauwelijks meer dan

een ceremoniële: men stuurde namens de kerken bij voorkomende gelegenheden

een condoleantie- of felicitatie-telegram aan leden van het koninklijke huis.

Voorzitter van dit deputaatschap was de hoogleraar dr. H.H. Kuyper.

Zijn "secundus" (vervanger) was mr. dr. J. Donner, oud-minister van justitie

en lid van de Hoge Raad. Ook was hij de vader van de latere schaakmeester J.H.

Donner.

d. Het lidmaatschap van de NSB.

Van belang voor de inperking van invloed en aanhang van de NSB. is geweest,

dat drie Nederlandse kerkgenootschappen zich uitgesproken hebben over de

nationaal-socialistische beginselen, deze veroordeelden en daaruit de

consequenties trokken voor de leden van hun kerk die toegetreden waren tot de NSB.

<26>

Allereerst de Rooms-katholieke Kerk. De bisschoppen waarschuwden in een herderlijk

schrijven van 2 februari 1934 alle Katholieken om, "in het belang van de Kerk

en in het belang van ons gehele volk, niet mee te doen aan de fascistische en

nationaal-socialistische stromingen".

"Wie ondanks dit Ons waarschuwend woord menen hun eigen inzichten te moeten

doordrijven, mogen weten, dat zij een zware verantwoordelijkheid op zich laden

en dat zij zich tegenover God en hun geweten hebben te verantwoorden over

hun kortzichtige roekeloosheid." [1.9]

Een uitdrukkelijke veroordeling volgde op 6 mei 1936. De bisschoppen verklaarden

dat "allen die aan deze partij (de NSB.) belangrijke steun verlenen, niet tot

de H.H. Sacramenten kunnen worden toegelaten." [1.10]

Wanneer de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaderde, kwamen

de vragen op de agenda die door de "mindere" vergaderingen gesteld waren.

Al in 1933 had de classis Amersfoort aan de synode gevraagd, "hoe te handelen

met de leden der gemeente, die zich aansluiten bij, en propaganda voeren voor

de nationaal-socialistische beweging." [1.11] Men is er toen niet diep op

ingegaan, maar in 1936 kwamen diverse provinciale synodes en klassikale

(regionale) kerkvergaderingen met dezelfde vraag. Het was een jaar na de

verkiezingsoverwinning van de NSB.

Enkele kerkleden waren al door hun kerkenraad vermaand, en soms zelfs onder

censuur gesteld (de censuur is de kerkelijke tucht waarbij de betrokkene van

het Avondmaal afgehouden kan worden en leidde, na lang vermaan en met

uitdrukkelijke toestemming van de classis, uiteindelijk tot een geschrapt

worden als kerklid).

Zo werd de bekende NSB.-er E.J. Roskam door de kerkenraad van Amsterdam-Zuid

vermaand vanwege zijn artikel in "Volk en Vaderland", waarin hij de Gereformeerde

Kerken aanviel. Hij' verklaarde daarop, dat hij zijn artikel, "alhoewel daar

vele waarheden in voorkomen die ik moet handhaven, niet had mogen schrijven en

daarom ook terugneem, omdat daar een oordeel gegeven wordt over onze Gereformeerde

Kerken, dat mij' niet toekomt te vellen en op die plaats te publiceren." [1.12]

<27>

foto 3. Prof dr. K Schilder (1890-1952

Ook de vooraanstaande NSB.-er C. van Geelkerken werd door de raad van de

Gereformeerde kerk te Utrecht vermaand. Hij, Roskam en ook Mussert zelf

schreven daarop protestbrieven naar de synode. Delleman drukte Musserts brief

volledig af. [1.13]

De synode benoemde uit haar leden een commissie met als adviseurs de hoogleraren

H.H. Kuyper en K. Schilder. Kuyper stelde voor dat de commissie zich incompetent

zou verklaren en geen uitspraak zou doen. Dat voorstel werd verworpen. Het rapport,

dat eerst door de commissie en daarna door de synode aanvaard werd, was gebaseerd

op een concept van Schilder. [1.1414] Deze schreef kort daarop ter toelichting een

brochure: Geen duimbreed! Na een paar dagen was er al een herdruk nodig.

In het rapport worden vijf bezwaren tegen de NSB. ingebracht waaronder "het

streven naar de machtsstaat" en "het exclusief nationalistisch karakter": En al

moge ze (de NSB.) de "rassenvergoding" verwerpen, de manier, waarop zij zelfs

tot in haar program toe (artikel 2) de eenheid van de "Dietse stam" op de

voorgrond zet, toont, dat ze zich ook in dit opzicht niet onbesmet heeft gehouden;

aldus het rapport."[1.15]

<28>

Op 2 oktober 1936 betuigde de synode haar instemming met het rapport. Alle

plaatselijke kerkenraden zouden bij de NSB. aangesloten leden dienen te "vermanen

om dit lidmaatschap te beëindigen, en zo nodig de betrokkenen af te houden van

het avondmaal".

Aan een na de oorlog gehouden enquête deden 521 van de 782 kerkenraden mee.

Slechts twee daarvan bleken de maatregel niet te hebben uitgevoerd; 519 wel,

ook na 14 mei 1940. Het ging, wat deze 521 gemeenten betreft, om een totaal

van 272 Gereformeerde NSB.-ers. Sommigen hunner hebben door het vermaan der

kerk hun dwalingen nog tijdens de bezetting ingezien en braken met de NSB.,

aldus Delleman. Een klein aantal Gereformeerde NSB.-ers werd na vermaan ten

slotte afgesneden (van het kerklidmaatschap vervallen verklaard), terwijl 37

zich als lid onttrokken."[1.16]

Wie, na dit alles gelezen te hebben, nu vervuld is van bewondering voor de

Gereformeerde karaktervastheid, dient ook te weten dat, tegelijk met de NSB.,

de socialistisch-pacifistisch georiënteerde Christen-Democratische Unie (CDU.)

evenzeer door de synode op de korrel genomen werd.

Dat komt ons nu onbegrijpelijk voor, maar ik herinner me, uit 1936, een

inleiding op de jongelingsvereniging over de CDU. waarin de spreker betoogde:

"De CDU. is geen unie, is niet democratisch en evenmin christelijk".

Het is een schrale troost dat de (veel kleinere) Christelijke Gereformeerde

Kerken in Nederland (40.000 leden) in 1937 uitdrukkelijk afzagen van een

veroordeling van de CDU., maar wel besloten tot het uitoefenen van de tucht

over kerkleden die lid waren van de NSB." [1.17]

e. Reacties op het antisemitisme in Duitsland

Hitler werd rijkskanselier op 30 januari 1933 en na Hindenburgs overlijden

(2 augustus 1934) president, en opperbevelhebber van het leger. Onmiddellijk

na de machtsovername in Duitsland begonnen de antisemitische maatregelen.

Joodse winkels werden geboycot, Joden in overheids­dienst ontslagen.

<29>

De toelating van Joodse kinderen en studenten tot scholen en universiteiten

werd beperkt. Op 15 september 1935 werden de beruchte Neurenberger wetten

uitgevaardigd. "Gemengde" huwelijken waren voortaan verboden; vrouwen onder

de 45 jaar mochten niet in dienst van Joden staan. Het Duitse staatsburgerschap

zou voortaan mee door de "zuiverheid" van het bloed bepaald worden.

Zomer 1938 werden ongeveer 1500 Joden gevangen genomen en opgesloten in

concentratie­kampen. In oktober van dat jaar werden 15.000-17.000 Joden

van Poolse afkomst gedeporteerd. Toen op 7 november 1938 in Parijs een

aanslag werd gepleegd op de Duitse ambassadefunctionaris Ernst vom Rath,

die op 9 november aan zijn verwondingen bezweek, was deze aanslag het

voorwendsel voor het ontketenen van pogroms door heel Duitsland; in de

zogenaamde Kristalnacht werden duizenden winkels van Joden geplunderd en

synagoges verbrand. Meer dan 26.000 Joden werden gevangen genomen, velen

hunner naar een concentratiekamp gevoerd; tenminste 91 vermoord.

Als reactie op deze van hogerhand gesanctioneerde terreur probeerden velen

Duitsland te verlaten. Dit gelukte in 1933 naar schatting aan 37.000 Joden.

In 1934 was hun aantal 23.000 en in 1935 vluchtten er 21.000. Voor 1936 en 1937

bedroegen de geschatte cijfers respectievelijk 25.000 en 23.000. Vanaf begin

1938 tot 1 oktober 1941 - toen alle emigratie verboden werd - verlieten naar

schatting 170.000 Joden het Duitse "Reich". [1.18]

Hoe waren nu de reacties op dit alles in Nederland?

Er waren augustus 1933 naar schatting ongeveer 6.000 - politieke en Joodse -

vluchtelingen in ons land. Mei 1934 besliste de regering dat niet-officieel

toegelaten vluchtelingen aan de grens moesten worden tegengehouden, tenzij

"aannemelijk wordt gemaakt dat terugkeer naar Duitsland onmiddellijk lijfsgevaar

voor de betrokkenen zal meebrengen". [1.19] Statenloze vluchtelingen moesten

naar Duitsland teruggeleid worden, maar met gematigdheid en zonder "aan

overijling gepaard gaande hardheden". In totaal werden door Nederland ruim

30.000 vluchtelingen opgenomen, in verhouding meer dan door andere landen,

aldus L. de Jong. [1.20] Maar Joodse vluchtelingen zijn in die jaren door de

Nederlandse marechaussee in opdracht van de regering Colijn wel "teruggeleid"

naar Duitsland. Na de Anschluss (waarbij Duitsland Oostenrijk inlijfde;

maart 1938) verscherpte de Nederlandse regering haar restrictief beleid.

<30>

Vele predikanten ondertekenden een manifest (in 1933) waarin het antisemitisme

werd afgewezen. [1.21] J.J. Buskes en W. Banning behoorden tot de sprekers op

een grote protestvergadering. [1.22] Op 19 sept. 1935 was opnieuw Buskes een

van de sprekers op een protestvergadering in de Apollo-hal, waar 6000 mensen

aanwezig waren. De toespraken werden gepubliceerd in de brochure "Vrede over

Israël". Er werd een Protestants hulpcomité, opgericht, het "Comité voor

zogenaamde niet-arische Christenen". In 1938 werd de naam veranderd in

"Protestants Hulp-Comité, voor uitgewekenen om ras of geloof'. We noemen deze

verschillende reacties slechts terloops: het ging hier immers niet om officiële

kerkelijke protesten. Van Roon verschaft uitvoerige gegevens in zijn Protestants

Nederland en Duitsland 1933-1941.

Voor de tweede wereldoorlog heeft bijna geen enkel kerkgenootschap in Nederland

officieel en publiekelijk geprotesteerd tegen de Jodenvervolgingen. Kerken in

Duitsland, Groot-Brittannië, Zweden, Frankrijk en de Verenigde Staten hebben

dat wel gedaan.[1.23] Vanwaar die zwijgzaamheid in Nederland? De volgende punten

dienen hier genoemd te worden.

Vrij algemeen was men binnen de kerken van oordeel, dat het doen van "politieke"

uitspraken niet op de weg der kerken lag. Men had immers Christelijke politieke

partijen? Toentertijd werd dan ook - in tegenstelling tot nu - geen enkele

publieke uitspraak over welk politiek onderwerp dan ook door de kerken gedaan.

Bovendien bestond er - in tegenstelling tot nu - weinig contact tussen de kerken;

er was geen gezamenlijk optreden. Vooral de RK Kerk en de Gereformeerde Kerken

in Nederland zagen geen heil in interkerkelijke samenwerking.

Daar komt dan nog bij, dat men algemeen bevreesd was voor het in gevaar brengen

van Nederlands neutraliteit en van onze economische belangen: de handel met

Duitsland. Ook beschouwde men, ofschoon het nationaal-socialisme afwijzend,

Duitsland desondanks als een bolwerk tegen het veel groter geachte gevaar:

dat van het communistische Rusland.

Wat de Hervormde Kerk betreft, "de kerkorde maakte het nu eenmaal de Kerk

onmogelijk, te komen tot een gemeenschappelijk en openlijk getuigenis", aldus

Touw. "De Synode had geen bevoegdheid kerkelijke beslissingen te nemen, maar

had alleen een administratieve en financiële opdracht. De grote roeping van

het belijden, getuigen en handelen der Kerk werd in de kerkelijke vergaderingen

niet aan de orde gesteld, en in elk geval kon daarover geen bindende beslissing

genomen worden".[1.24]

<31>

Twee uitzonderingen op deze regel van officieel-kerkelijke stilzwijgendheid

zijn te melden. Allereerst kreeg de Commissie tot de Zaken (het dagelijks bestuur)

van de Remonstrantse Broederschap een brief van de gemeente te Amersfoort waarin

verzocht werd om de Jodenvervolging in Duitsland op de agenda van de komende

Algemene Vergadering te plaatsen. De hoogleraar G.J. Heering stelde daarop

een resolutie op:

(...) Zonder voorbij te zien aan de schuld der wereld en onze eigen schuld in

deze loop van zaken, en open latende de vraag in hoever aan de houding der

getroffenen of aan die van hun geestverwanten of rasgenoten een en ander

verweten kan worden, op dit ogenblik kunnen wij slechts denken aan het onrecht,

dat geschiedt. Onrecht tegenover de pacifisten, tegenover de socialisten en

tegenover de Joden. (...) Het ergste is misschien, dat de Christelijke Kerk voor

het grootste deel zozeer de dienaresse is geworden van het nationalisme, dat zij

op enkele uitzonderingen na zwijgt, of instemming betuigt. [1.25]

De overgrote meerderheid van de Vergadering stemde met Heering in. "Het was een

uitspraak voor intern gebruik, maar het bleef een uitspraak", aldus Van Roon.

Ten tweede werd er een motie aangenomen door de Nederlandse afdeling van de

World Alliance for International Friendship through the Churches:

"De Nederlandse Afdeling van de Wereldbond tot het bevorderen van een goede

verstandhouding tussen de volken door de kerken, bewust van zijn doel om de

vriendschappelijke verhouding tussen de volken te bevorderen en overtuigd, dat

deze ernstig geschaad wordt door de maatregelen in Duitsland genomen en uitgevoerd

tegen de Joden, die mede verklaard kunnen worden als uiting van rassenhaat,

verzoekt het dagelijks bestuur om zich over deze maatregelen uit te spreken en

verder alles te doen wat in zijn vermogen is om in overeenstemming met de beginselen

van de Wereldbond en zijn doel de spanning en de ergernis weg te nemen, die door

die maatregelen in Nederland en in de gehele beschaafde wereld zijn gewekt,

en om mede te werken tot het doen ontstaan van die verhouding die volgens het

Christelijk geweten tussen de rassen moet bestaan." [1.26]

Men deed ook mededeling van inhoud en verzending van deze brief aan de permanente

commissie van het Ned. Israëlitisch Kerkgenootschap. Het verzoek aan het bestuur

van de Wereldbond had een positief resultaat.

<32>

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 16 / 55 题