BASSANIO:
Lorenzo en Solanio, welkom hier,--
Gesteld mijn pas verworven stelling geeft
Mij 't recht hiertoe. Ik heet, met uw verlof,
Mijn vrienden en mijn landgenooten welkom,
Geliefde Portia.
PORTIA:
Ik doe 't eveneens;
Zij zijn van harte welkom.
LORENZO:
Ik dank UEed'le.--Wat mijzelf betreft,
'k Was niet van plan geweest u hier te zien,
Maar onderweg trof ik Solanio aan,
En zijn verzoek, dat ik niet weig'ren kon,
Bracht mij hierheen.
SOLANIO:
Zoo is het, eed'le Heer,
En 'k heb er reed'nen voor. Signor Antonio
Doet u zijn groeten. (_Hij geeft_ BASSANIO _een brief._)
BASSANIO:
Eer 'k den brief verbreek,
Moet gij mij zeggen hoe mijn vriend het maakt.
SOLANIO:
Hij is niet ziek, tenzij hij 't is van geest;
Ook niet gezond, tenzij van geest: zijn brief
Zal u zijn toestand toonen. (BASSANIO _leest den brief._)
GRATIANO:
Nerissa, heet die vreemde dame welkom.
Uw hand, Solanio. Hoe is 't in de stad?
Hoe vaart Antonio, de koopmansvorst?
'k Weet dat hij blij zal zijn om ons geluk;
Wij zijn de Jasons,[50] wonnen 't gulden vlies.
SOLANIO:
Hadt gij het vlies slechts dat hem is ontgaan.
PORTIA:
Die brief moet smartelijk van inhoud zijn
Wijl hij de kleur steelt van Bassanio's wang:
Een dierb're vriend dood, wat kon anders zóó
Den kalmen aard van een bezadigd man
Verand'ren doen? Hoe, erger, erger nog?--
Verlof, Bassanio: ik ben half van u,
En dus komt mij de helft van alles toe
Wat deze brief u brengt.
BASSANIO:
O zoete Portia,
't Zijn enk'le woorden, zóó onaangenaam,
Als ze ooit papier bevlekten! Schoone vrouw,
Toen ik voor 't eerst u van mijn liefde sprak,
Zei 'k u vrijmoedig, dat mijn gansch bezit
Me in de aad'ren stroomde,--'k was een man van eer:
En 'k sprak de waarheid: maar toch zult ge zien
Hoezeer 'k, bij 't schatten van mijzelf op niets,
Een snoever was, mijn lieve. Toen 'k u zei
Dat _niets_ mijn deel was, had ik moeten zeggen
Dat minder 'k had dan niets; want weet, dat ik
Mij heb verplicht aan een geliefden vriend,
Hem aan zijn ergsten vijand heb verplicht
Om mij de beurs te vullen. Zie dien brief;
't Papier is als het lichaam van mijn vriend,
En ieder woord daarop een open wond
Zijn levensbloed vergietend.--Maar, Solanio,
Zijn al zijn kansen weg? Géén schip terecht?
Uit Tripoli, van Mexico en Eng'land,
Uit Indië, Barbarijë en Lissabon,--
Ontkwam er geen den vreeselijken schok
Van klippen, koopman-moordend?
SOLANIO:
Neen, niet één,
En bovendien, al had hij 't geld gereed
Ter afbetaling aan den Jood, hij zou
't Niet nemen, naar het schijnt. Ik zag nog nooit
Een wezen met een menschenuiterlijk,
Zóó tuk en happig op eens menschen val:
Hij loopt bij dag en nacht den Doge na,
En hij beticht de vrijheid van den staat,
Indien men hem geen recht doet: twintig kooplui,
De Doge zelf, en de magnifico's[51]
Die 't meest vermogen, deden al hun best,
Maar geen weerhoudt hem van den boozen eisch
Van het verbeurde, 't recht en het kontrakt.
JESSICA:
Toen 'k nog bij hem was, hoorde ik hoe hij zwoer
Aan Chus en Tubal, mannen van zijn ras,
Dat hij Antonio's vleesch veeleer verkoos
Dan twintig maal de waarde van de som
Die hij hem schuldig was; en 'k weet erbij,
Dat, weig'ren wet, gezag en macht het niet,
Het slecht dan gaat met d'arme Antonio.
PORTIA:
Is de bedreigde u dan zoo'n waarde vriend?
BASSANIO:
Mijn waardste vriend, de vriendelijkste man,
De bestgeaarde en onvermoeidste geest
In 't hulp verleenen; iemand in wien de eer
Van een aloud Romein zich meer vertoont,
Dan wie maar in Italië leven heeft.
PORTIA:
Wat is hij schuldig aan den Jood?
BASSANIO:
Voor mij drie duizend dukaten.
PORTIA:
Wat, niet meer?
Geef hem zes duizend, en verscheur 't kontrakt;
Verdubbel die, doe er 't vierdubb'le bij,
Voordat een vriend zooals hij hem beschrijft
Een haar verlieze door Bassanio's schuld.
Ga eerst met mij ter kerk, en noem me uw vrouw,
En daarop naar Venetië naar uw vriend;
Want nimmer zult ge u vlij'n aan Portia's zij
Met een ontruste ziel. Ik geef u goud
Voor twintig malen deze niet'ge schuld;
Is zij betaald, breng dan uw hartsvriend hier,
Ik en Nerissa zullen midd'lerwijl
Als weduwen en maagden leven. Vlug,
Want gij moet op uw huw'lijksdag terug:
Groet uwe vrienden: toon een blij gelaat:
Zoo duur gekocht, stel 'k u op duren prijs.
Maar lees mij thans den brief voor van uw vriend.
BASSANIO (_leest_):
"Beste Bassanio, mijn schepen zijn alle vergaan, mijn schuldeischers
worden wreed, mijn geldelijke toestand is zeer gedrukt, de vervaldag
van mijn kontrakt met den Jood is voorbij, en daar ik, indien ik het
nakom, niet kan blijven leven, zijn alle schulden tusschen u en mij
afgedaan, als ik u slechts bij mijn dood mag zien. Maar doe,
niettegenstaande dit alles, zooals 't u behaagt: als uw genegenheid
u niet drijft te komen, laat mijn brief dat dan ook niet doen."
PORTIA:
Mijn lief, laat alles achterwege, en ga.
BASSANIO:
Daar uwe mildheid mij dit niet belet
Zoo haast ik mij; maar voor ik weer verschijn,
Leg 'k nimmer mij te slapen op een bed,
Geen rust zal aan mijn talmen schuldig zijn. (_Allen af._)