PORTIA:
Ik bid u, blijf wat; toef een dag of twee,
Voordat ge uw kans waagt; want, indien gij faalt,
Mis 'k uw gezelschap; wacht daarom een poos.
Daar is iets dat mij zegt, (maar liefde is 't niet,)
Dat 'k u niet gaarn verloor, en 't is geen haat,
Gelijk ge weet, die mij zoo spreken doet.
Opdat gij me echter grondig kennen moogt,
(Al heeft een maagd geen tong dan wat zij denkt[42])
Zou 'k willen dat gij enk'le maanden bleeft,
Eer gij uw kans waagt, 'k Zou u kunnen leeren
Hoe 't best te kiezen, maar 'k zou 'n meineed doen,
En dat zal 'k nooit: het kan dus dat gij faalt;
En als 't zoo is, dan wekt ge een zond'gen wensch,
Dat ik een meineed deed. O, o die oogen!
Zij hebben mij betooverd en verdeeld;
Eén helft van mij is uw, en de andere uw,--
'k Bedoel mijn eigen; maar toch zoo ook uw,--
'k Ben gansch van u! De booze omstandigheên
Beperken de eig'naars in hun wettig recht;
En zoo, schoon uw, niet uw.--Indien 't zoo blijkt,
Dan zij daarvoor het lot vervloekt, niet ik.
Ik spreek te lang; maar 'k rek daardoor den tijd
En houd hem op en maak hem lang van duur,
Om 't kiezen te vertragen.
BASSANIO:
Laat mij 't doen;
Want zooals nu leef 'k op de pijnbank slechts.
PORTIA:
Hoe, op de pijnbank? Maar beken dan ook
't Verraad waarmede uw liefde gaat gepaard.
BASSANIO:
't Is 't droef verraad slechts van onzekerheid,
Dat mij bezorgd maakt voor 't bezit van u.
Er ware eer vriendschap tusschen sneeuw en vuur,
Dan dat mijn liefde met verraad bestond.
PORTIA:
Ja, maar ik vrees dat ge op de pijnbank spreekt,
Waar men gedwongen alles zeggen kan.
BASSANIO:
Beloof mij 't leven, 'k zeg de waarheid dan.
PORTIA:
Welnu, beken, en leef.
BASSANIO:
"Ik heb u lief,"
Dàt ware mijn bekent'nis gansch geweest:
O zoete folt'ring, als mijn folteraar
Mij tevens 't antwoord ter verlossing leert!
Maar laat mij 't nu beproeven met de kistjes.
(_Het gordijn wordt weggeschoven._)
PORTIA:
Ga dan. Ik ben in een er van gevat;
Als gij mij liefhebt, vindt gij mij wel uit.--
Nerissa, en gij allen, staat van ver.
Muziek weerklinke er onder 't doen der keus,
Want, als hij faalt, dan eindt hij als een zwaan,
Verkwijnend in muziek; opdat het beeld
Volmaakter zij:--mijn oogen zijn de stroom,
Zijn waat'rig doodsbed. Hij kan slagen ook,
Wat is muziek dan? Dan is ze als 't geschal
Wanneer een trouwe menigte zich buigt
Bij 't kronen van een vorst: zij klinkt gelijk
Die zoete tonen bij den dageraad,
Het oor besluipend van den bruidegom
Die droomt, hem roepend tot zijn huw'lijksfeest;
Nu gaat hij, méér in liefde, in moed gelijk,
Als jonge Alcides,[43] toen hij 't zeegedrocht
De maagd ontwrong, die door het gillend Trooi
Als cijns betaald was,[44] ik ben 't offer nu;
Die daar ter zijde zijn Trojaansche vrouwen,
Met oogen dofgeweend, bijeen om 't eind
Te aanschouwen van den strijd. Ga, Hercules!
Leeft gij, dan leef ook ik; mijn angst is groot,
Veel grooter nog dan de uwe in dezen nood.
_Muziek en zang, terwijl_ BASSANIO _in zichzelf over de kistjes te rade
gaat._
_Lied._[45]
_Eerste stem._
Waar ontstaat der liefde schijn,
In het hart of in het brein?
Hoe hij verder wel gedij'?
O antwoord mij!
_Tweede stem._
Voortgebracht door oogenlust,
Voedt hem 't zien; hij wordt gebluscht
In de wieg waarin hij rust.[46]
Luiden wij zijn doodsklok, kom;
Ik begin al,--Bim, bam, bom.
_Koor_:
Bim, bam, bom.
BASSANIO:
Zoo is de schijn slechts zelden wàt hij schijnt,
Door opschik wordt de wereld steeds misleid.
In 't recht,--wat eisch zoo vuig en zoo gemeen,
Die niet, door mooie woorden opgesmukt,
Het kwade zal omhullen? In den godsdienst,
Wat vloekb're dwaling, of een eerbaar hoofd
Rechtvaardigt en bewijst haar door een tekst,
Haar plompheid dekkend met een fraaien tooi.
Geen ondeugd zoo onnoozel, of zij siert
Zich uiterlijk met eenig merk van deugd.
Hoe menig lafaard met een hart zoo zwak
Als een pilaar van zand, draagt aan zijn kin
Een baard als Hercules en gramme Mars,--
Bij onderzoeking blijkt zijn lever wit;[47]
Hij eigent zich slechts d'uitwas van den moed
Om zich geducht te maken! Denk aan schoonheid,
En zie hoe de opschik hier ook wordt bejaagd,
Die dáárin wond'ren werkt in de natuur,
Door 't lichtst te maken wie er 't meest van draagt;
Zoo staat dat slangen-kroezig gouden haar,
Dat met den wind zoo dartel spelemeit,
Op een gewaande schoonheid,[48] vaak bekend
Als vroeg're bruidsgift van een ander hoofd:
De schedel die 't deed groeien ligt in 't graf.
Daarom is de opschik slechts 't bedrieglijk strand
Bij een geweld'ge zee, de pracht'ge doek
Een negerin omhullend, in het kort,
Schijn-waarheid, waar de list'ge tijd meê pronkt,
De wijsten lokkend. Daarom, glanzig goud,
Hard Midas-voedsel,[49] wil ik niets van u.
Ook niets van u, gij slover, bleek en min,
Van hand tot hand gaand: maar gij, schamel lood,
Dat veeleer dreigt dan iets beloven wilt,
Uw eenvoud roert mij meer dan schoone schijn,
Hier kies ik dus. En moog 't gelukkig zijn!
PORTIA:
Hoe vliedt elke and're hartstocht in de lucht,
Als angstig twijf'len, wanhoop snel-geducht,
En sidd'rend vreezen en de groene nijd!
O liefde, matig uw uitbundigheid,
Giet dropsgewijs uw vreugde-stortvloed neer,
Ik voel te veel uw zegen, nu niet meer,
Ik vrees die overmaat!
BASSANIO (_het looden kistje openend._):
Wat zie ik hier?
Het beeld van Portia! Welke halfgod kwam
Haar zóó nabij? Bewegen de oogen zich?
Of schijnen ze op de deining van mijn blik
Zich te bewegen? Door d'ontsloten lippen
Gaat geurige adem, zoete scheiding van
Twee zulke zoete vrienden. In het haar
Spon als een spin de schilder 't gouden web,
Een groot're hinderlaag voor 't mannenhart
Dan 't spinnenrag voor muggen; maar hare oogen!--
Hoe kon hij schild'ren en toch zien? Mij dunkt
Als hij er één gemaakt had, waar' 't in staat
De twee van hem te stelen en zichzelf
Te scheiden van zijn maat. Maar toch, zóó als
Mijn lof dit schaduwbeeld verongelijkt
Door 't te onderschatten, zóózeer steekt dit beeld
Af bij 't oorspronkelijk.--Hier is 't geschrift,
Dat heel de som van mijn geluk bevat.
"Gij wien valsche schijn mishaagt,
Die goed kiest en moedig waagt,
Geeft het lot u wat ge vraagt,
Later niet om meer geklaagd.
Als gij hier tevreên meê zijt,
En u dit geluk verblijdt,
Wend tot háár u, die u beidt,
En kus ze als bruid vol liefd'rijkheid."
Een vriend'lijk vers.--Verlof, (_hij kust haar_,)
hier staat geschreven
Dat niet alleen 'k ontving, maar ook moet geven.
Als een van beide kampers om een prijs,
Die meent dat hij gestreden heeft naar eisch,
Het juichen hoorend als uit éénen mond,
En duiz'lend, twijf'lend oov'ral staart in 't rond,
Niet wetend of hèm 't lofgegalm wel geldt;
Zoo, driewerf schoone, is 't ook met mij gesteld,
'k Sta twijf'lend of ik waarheid hier ontmoet,
Tot gij het staaft en 't mij erkennen doet.
PORTIA:
Gij ziet mij, Heer Bassanio, waar ik sta,
Zooals ik ben. Schoon 'k voor mijzelve alleen
Niet in mijn wensch eerzuchtig wilde zijn,
En mij veel beter wenschen, 'k zou voor u
Toch honderd maal mijzelve willen zijn,
Tien duizend maal zoo rijk, en duizend maal zoo schoon.
Om slechts in uwe schatting hoog te staan
Zou ik onschatbaar willen zijn in deugd,
In schoonheid, vrienden en fortuin. Maar 'k ben
Bijeengeteld slechts niets; dat is, totaal,
Een meisje zonder oef'ning, kunde en school:
Gelukkig is zij echter niet te oud
Om iets te leeren; nòg gelukk'ger is 't
Dat zij er niet te dom van aard voor is;
't Gelukkigst is dat haar gedweeë geest
Aan d' uwen ter besturing zich vertrouwt,
Dien van haar heer, haar leidsman en haar vorst.
Ik ben van u geworden, en het mijn'
Is 't uwe thans: ik was zooeven nog
Meest'res van dit mooi landgoed, van mijzelf,
Van mijn bedienden; en terzelfder tijd
Zijn 't huis, de dienaars en mijn eigen ik
Van u, mijn meester. 'k Geef hen met deez' ring,
En scheidt ge er van door schenking of verlies,
Dan zij 't voorspelling van uw liefde's dood,
Voor mij de grond van een gerecht verwijt.
BASSANIO:
Mevrouw, gij hebt van woorden mij beroofd,
't Bloed in mijn aad'ren spreekt alleen tot u;
En er is zoo'n verwarring in mijn geest,
Als onder 't murm'lende en tevreden volk
Zich voordoet na een rede, schoon van taal,
Gehouden door een welbeminden vorst;
Waar elke kleinigheid, bijeengevoegd,
Een wildernis van louter vreugde wordt,
Geuit, en niet geuit. Maar als de ring
Mijn hand verlaat, verlaat ook 't leven mij:
O, zeg dan vrij: "Bassanio is dood."
NERISSA:
Mijn meester en meest'res, het is nu tijd,
Dat wij, die alles zagen, en wier wensch
Met heil bekroond werd, roepen: "Veel geluk!"
GRATIANO:
Mijn eed'le Jonkvrouw, Heer Bassanio,
'k Wensch u de vreugd, die ge u slechts wenschen kunt;
Gij wenscht van mij de vreugde niet vandaan;
En als UEed'len uw verbond van trouw
Op plecht'ge wijs bezegelt, smeek ik u
Op dien tijd ook gehuwd te mogen zijn.
BASSANIO:
Van harte, zoo ge een vrouw slechts krijgen kunt.
GRATIANO:
UEed'le heeft me er een bezorgd, heb dank.
Mijn oogen zien zoo snel als de uwe, Heer:
De meesteres zaagt gij, en ik haar maagd;
Gij werdt verliefd, ik ook; want uitstel past
Mij even weinig, eed'le Heer, als u.
Uw lot hing van de gindsche kistjes af,
Zoo ook het mijne, 't komt toevallig uit;
Want in het zweet mijns aanschijns aanzoek doend,
En liefdeseeden zwerend, tot mijn keel
Er droog van werd, kreeg 'k op den langen duur,--
Moog' die belofte duurzaam zijn--van háár
(_op_ NERISSA _wijzend_)
De trouwbelofte, indien uw goed geluk
Haar meesteres won.
PORTIA:
Is dat waar, Nerissa?
NERISSA:
't Is waar, Mevrouw, indien het u behaagt.
BASSANIO:
En gij, Gratiano, meent ge dit oprecht?
GRATIANO:
Ja, werk'lijk, eed'le Heer.
BASSANIO:
Ons huw'lijkfeest wint door het uwe in eer.
GRATIANO:
Wij zullen met hem voor duizend dukaten om den eersten jongen
spelen.
NERISSA:
Om zulk een inzet?
GRATIANO:
Wij zetten nog wel meer om dat te winnen.--
Maar wie zijn dat? Lorenzo en zijn vrouw?
Wat? met mijn ouden vriend Solanio?