Wel, Shylock, wat is er voor nieuws onder de kooplui?
SHYLOCK:
Niemand wist zoo goed als gij, neen niemand, van mijn dochters
vlucht.
SALARINO:
Ja, dat is waar; ik voor mij kende heel goed den kleermaker die de
vleugels maakte waarmeê ze gevlogen is.
SOLANIO:
En Shylock wist ook heel goed dat de vogel vliegree was; en dan
ligt het zoo in hun aard om van de ouden weg te gaan.
SHYLOCK:
Zij zal er voor vergaan!
SALARINO:
O zeker, als de duivel haar rechter mag zijn.
SHYLOCK:
Mijn eigen vleesch en bloed in opstand!
SOLANIO:
Weg er mee, oud carogne! Komt het op zoo'n leeftijd nog in
opstand?[41]
SHYLOCK:
Ik bedoel dat mijn dochter mijn vleesch en bloed is.
SALARINO:
Er is een grooter verschil tusschen jou vleesch en het hare dan
tusschen git en ivoor; en tusschen jou bloed en het hare dan
tusschen rooden en Rijnwijn. Maar zeg eens, weet ge ook of Antonio
een verlies op zee heeft geleden, ja of neen?
SHYLOCK:
Daar heb ik een ander koopje meê: een bankroetier, een verkwister,
die zijn gezicht ter nauwernood op den Rialto durft vertoonen; een
bedelaar, die in zoo'n mooie plunje op de markt placht te
komen.--Laat hij maar oppassen met zijn kontrakt: hij was gewoon
mij een woekeraar te noemen;--laat hij maar oppassen met zijn
kontrakt: hij was gewoon geld uit te leenen uit Christelijke
hulpvaardigheid;--laat hij maar oppassen met zijn kontrakt.
SALARINO:
Maar ik ben er toch zeker van dat ge, als hij het niet nakomt, zijn
vleesch niet zult eischen? Waar zou dat goed voor zijn?
SHYLOCK:
Om visch meê te vangen; en als er niets anders meê werd gevoed, dan
zou het mijn wraak voeden. Hij heeft mij te schande gemaakt en mij
voor een half millioen benadeeld; hij heeft gelachen om mijn
verliezen, gespot met mijn winsten, mijn volk gesmaad, mijn handel
gedwarsboomd, mijn vrienden koel en mijn vijanden warm gemaakt,--om
welke reden? Omdat ik een Jood ben. Heeft een Jood geen oogen?
Heeft een Jood geen handen, organen, afmetingen, zintuigen,
neigingen, hartstochten? Wordt hij niet gevoed met hetzelfde
voedsel, gewond door dezelfde wapenen, bedreigd door dezelfde
ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm en koud gemaakt door
denzelfden winter en zomer als een Christen? Als gij ons prikt,
bloeden wij dan niet? Als gij ons kittelt, lachen wij dan niet? Als
gij ons vergiftigt, sterven wij dan niet? En als gij ons
verongelijkt, zullen we ons dan niet wreken? Als wij in al het
andere op u gelijken, dan zullen we u ook daarin evenaren. Als een
Jood een Christen verongelijkt, welken ootmoed betoont die dan?
Wraak. En als een Christen een Jood verongelijkt, wat voor deemoed
moet die dan volgens Christelijk voorbeeld betoonen? Immers wraak.
De boosheid die ge mij leert zal ik toepassen; en er zal veel
moeten gebeuren als ik uw lessen niet overtref.
_Een_ BEDIENDE _komt op._
BEDIENDE:
Mijne Heeren, mijn meester Antonio is thuis, en wenscht u beiden te
spreken.
SALARINO:
Wij zijn links en rechts geweest on hem te zoeken.
SOLANIO:
Daar komt er nòg een van de natie; er is geen derde zoo te vinden
of het moest zijn dat de duivel zelf Jood werd.
(SOLANIO, SALARINO _en_ BEDIENDEN _af._) TUBAL _komt op._
SHYLOCK:
Wel, Tubal, wat voor nieuws uit Genua? Hebt ge mijn dochter
gevonden?
TUBAL:
Ik heb meermalen hier en daar van haar gehoord, maar ik kan haar
niet vinden.
SHYLOCK:
Och kom, kom, kom! En een diamant weg, die me te Frankfort twee
duizend dukaten heeft gekost. Vóór dezen viel de vloek nog nooit
op ons volk; ik heb het vóór dezen nooit zoo gevoeld:--er zat een
waarde van twee duizend dukaten in,--en dan nog meer kostelijke,
kostelijke juweelen.--Ik wou liever dat mijn dochter dood voor mijn
voeten lag met de juweelen in haar ooren! Liever dat ze voor mijn
voeten op de baar werd gelegd, met de dukaten in haar kist!--Geen
nieuws van hen?--Daar blijft het dus bij:--en ik weet niet eens
hoeveel er bij dat zoeken is uitgegeven: O jou--verlies op verlies!
De dief weg met zóóveel, en zóóveel om den dief te vinden, en geen
voldoening, geen wraak; en geen onheil in de lucht of het komt op
mijn schouders neer; geen zuchten of ik slaak ze: geen tranen of ik
stort ze.
TUBAL:
Maar andere menschen hebben toch ook wel onheilen.
Antonio heeft, naar ik in Genua hoorde,--
SHYLOCK:
Wat, wat, wat? Een onheil, een onheil?
TUBAL:
--een galjoen dat van Tripoli kwam verloren.
SHYLOCK:
Goddank! Goddank! Is het waar? Is het waar?
TUBAL:
Ik sprak sommigen van de matrozen die aan de schipbreuk waren
ontsnapt.
SHYLOCK:
Dank u, goede Tubal.--Goed nieuws, goed nieuws! ha! ha!--Waar?
In Genua?
TUBAL:
Naar ik vernam verteerde uw dochter te Genua in één nacht tachtig
dukaten.
SHYLOCK:
Je stoot me een dolk in mijn lijf. Ik zal mijn goud nooit terugzien.
Tachtig dukaten op één avond! Tachtig dukaten!
TUBAL:
Er kwamen verscheidene schuldeischers van Antonio met mij te
Venetië aan, die zweren dat hij geen andere keus heeft dan failliet
te gaan.
SHYLOCK:
Daar ben ik erg blij om. Ik zal het hem zuur maken, ik zal hem
martelen; ik ben er blij om.
TUBAL:
Een van hen liet me een ring zien, dien hij van uw dochter had
gekregen voor een aap.
SHYLOCK:
Vervloekt zal zij zijn! Ge martelt me, Tubal: het was mijn turkoois;
ik kreeg hem van Leah toen ik nog niet getrouwd was: ik zou hem niet
voor een wildernis vol apen gegeven hebben.
TUBAL:
Maar Antonio is bepaald geruïneerd.
SHYLOCK:
Ja, dat is zeker, dat is vast en zeker. Ga, Tubal, huur me iemand
van 't gerecht, bespreek hem veertien dagen vooruit; ik zal zijn
hart hebben als hij zijn kontrakt niet nakomt; want als hij Venetië
uit was, zou ik kunnen handel drijven zooals ik verkoos. Ga, Tubal,
en wacht me bij onze synagoge; ga, mijn beste Tubal; bij onze
synagoge, Tubal.
(BEIDEN _af._)